-
Onder de enkelvoudige kamer wordt in dit hoofdstuk verstaan: de politierechter of de kantonrechter.
-
Op de berechting door de enkelvoudige kamer zijn de Hoofdstukken 1 tot en met 4 van toepassing voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 5
Artikel 4.5.2
-
Een zaak kan worden berecht door de politierechter indien een overtreding of een misdrijf ten laste is gelegd en de zaak naar het aanvankelijke oordeel van de officier van justitie van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl de te vorderen gevangenisstraf niet meer dan een jaar bedraagt.
-
De politierechter is niet bevoegd tot het opleggen van een gevangenisstraf van meer dan een jaar. Hij is evenmin bevoegd tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, en 38m van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 4.5.3
-
Een zaak kan worden berecht door de kantonrechter indien een overtreding is tenlastegelegd, met uitzondering van:
overtredingen, bedoeld in de artikelen 447c, 447d, 465 tot en met 467 en 468, onderdeel 1°, van het Wetboek van Strafrecht;
overtredingen inzake belastingen, tenzij het betreft een overtreding van voorschriften met betrekking tot parkeren als bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet;
overtredingen, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid, van de Opiumwet;
overtredingen, bedoeld in artikel 19 van de Wet afbreking zwangerschap;
overtredingen waarvan de kennisneming bij wet aan een andere rechter dan de kantonrechter is opgedragen;
overtredingen waarvan personen worden verdacht die ten tijde van het begaan de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt en die samenhangen met een overtreding als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, en de overtredingen bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Leerplichtwet.
-
Indien de zaak wordt behandeld door de kantonrechter:
kan de verdachte, tenzij de kantonrechter beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een daartoe specifiek schriftelijk gemachtigde;
zijn de bepalingen over de voordracht van de zaak door de officier van justitie niet van toepassing;
hoeft de officier van justitie niet bij de uitspraak aanwezig te zijn; en
hoeft het ter kennis brengen van het eindvonnis op grond van artikel 4.3.30 niet plaats te vinden, tenzij:
- 1°
ten aanzien van de verdachte artikel 14a, 38v, 77m of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, of
- 2°
een vrijheidsstraf is opgelegd, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, of
- 3°
een bijkomende straf is opgelegd, waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzegging van bepaalde bevoegdheden is uitgesproken.
- 1°
Artikel 4.5.4
-
In afwijking van artikel 4.1.1, eerste lid, eerste zin, brengt de officier van justitie de zaak ter berechting aan door een procesinleiding bij de enkelvoudige kamer in te dienen en deze, vergezeld van een oproeping voor de terechtzitting, aan de verdachte te betekenen.
-
In afwijking van artikel 4.1.2, eerste lid, onderdeel f, wordt de verdachte ter kennis gebracht dat hij bij de politierechter of de kantonrechter een verzoek als bedoeld in artikel 4.1.4, eerste en tweede lid, kan indienen.
-
In afwijking van artikel 4.1.4, derde lid, wordt een verzoek, indien tussen de dag waarop de procesinleiding aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting ten minste twee weken verlopen, ten minste tien dagen voor de terechtzitting ingediend. Indien de procesinleiding later wordt betekend, eindigt de termijn op de vierde dag na die van de betekening, maar uiterlijk op de derde dag voor die van de terechtzitting.
-
Op door de verdachte ingediende verzoeken is artikel 4.1.4, vierde tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de verdachte in verband met de zaak waarop de procesinleiding betrekking heeft van zijn vrijheid is beroofd op grond van een bevel tot ophouden voor onderzoek, tot inverzekeringstelling of tot voorlopige hechtenis, is de termijn van oproeping ten minste drie dagen. Deze termijn wordt als een termijn in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Algemene termijnenwet aangemerkt.
-
Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de procesinleiding en de oproeping uitgereikt of toegezonden dan wel wordt die informatie in een voor hem begrijpelijke taal aan hem meegedeeld.
Artikel 4.5.5
-
In afwijking van artikel 4.5.4 kan een zaak, indien sprake is van ontdekking op heterdaad door een opsporingsambtenaar, bij de kantonrechter ter berechting worden aangebracht doordat de opsporingsambtenaar een door hem gedagtekende en ondertekende oproeping uitreikt aan de verdachte.
-
Deze wijze van aanbrengen van zaken is mogelijk bij alle overtredingen waarbij dit niet uitdrukkelijk is uitgesloten. De uitsluiting vindt, gehoord het openbaar ministerie, plaats bij algemene maatregel van bestuur.
-
Het formulier van de oproeping wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan nadere voorschriften geven ter uitvoering van dit artikel.
-
Bij de uitreiking van de oproeping licht de opsporingsambtenaar de inhoud en de strekking daarvan zo mogelijk kort toe.
-
Wordt een oproeping door de verdachte niet aangenomen, dan geldt het tijdstip van de weigering van de verdachte als tijdstip van uitreiking.
-
Van de inhoud van de oproeping en van het uitreiken dan wel het aanbieden en weigeren van de oproeping alsmede de reden van weigering maakt de opsporingsambtenaar in zijn proces-verbaal melding.
-
De oproeping bevat een opgave van het feit als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, onderdeel a, of een korte omschrijving van het feit, alsmede de wettelijke voorschriften waarbij het strafbaar is gesteld. De artikelen 4.1.12, eerste lid, en 4.5.4, zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
-
De korte omschrijving van het feit wordt bij de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting aangevuld of verbeterd. Van de aanvulling of verbetering wordt aan de verdachte uiterlijk tien dagen voor de aanvang van de terechtzitting kennis gegeven.
Artikel 4.5.6
-
Indien de verdachte is opgeroepen met toepassing van de termijn bedoeld in artikel 4.5.4, vijfde lid, en hij bij zijn eerste verschijning op de terechtzitting in het belang van zijn verdediging uitstel verzoekt, schorst de enkelvoudige kamer het onderzoek voor bepaalde tijd, indien het verzoek hem redelijk voorkomt.
-
In afwijking van artikel 4.2.19, eerste lid, onderdeel b, beveelt de enkelvoudige kamer ten aanzien van een niet verschenen getuige de oproeping, indien daartoe binnen de termijn, gesteld in artikel 4.5.4, derde lid, een verzoek is gedaan dat niet is ingewilligd, en de verdachte dit verzoek herhaalt of de enkelvoudige kamer de getuige ambtshalve wenst te verhoren.
Artikel 4.5.7
-
De enkelvoudige kamer is bevoegd een schriftelijk eindvonnis te wijzen. Op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte is zij daartoe verplicht, tenzij daarmee naar haar oordeel geen redelijk belang is gediend.
-
In afwijking van artikel 4.3.20, vierde lid, kan voor de inhoud van de tenlastelegging naar de procesinleiding verwezen worden. Vermelding van de vordering van de officier van justitie kan achterwege blijven.
-
Een schriftelijk eindvonnis mag in geen geval later worden uitgesproken dan twee weken na de sluiting van het onderzoek. De Algemene termijnenwet is op deze termijn niet van toepassing.
-
Indien de rechter die over de zaak heeft geoordeeld tot de uitspraak van het schriftelijk eindvonnis buiten staat is, wordt de uitspraak gedaan door een andere rechter van dezelfde rechtbank.
Artikel 4.5.8
-
Indien geen schriftelijk eindvonnis wordt gewezen, wijst de enkelvoudige kamer direct of diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het onderzoek te bepalen tijdstip mondeling vonnis.
-
Het eindvonnis wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend:
indien de enkelvoudige kamer dit ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte bij de uitspraak bepaalt;
indien de officier van justitie, de verdachte, of de benadeelde partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een vordering indient of het verzoek doet;
indien een gewoon rechtsmiddel tegen het eindvonnis is ingesteld, tenzij dit meer dan drie maanden na de uitspraak is gebeurd; of
indien het eindvonnis bij verstek is gewezen, de oproeping niet in persoon betekend is en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd.
-
Hoofdstuk 3, Titel 3.5, is van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van artikel 4.5.7, tweede lid.
Artikel 4.5.9
-
Behoudens indien schriftelijk eindvonnis wordt gewezen of het mondeling eindvonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend, blijft het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen twee dagen op een bij de kopie van de oproeping te voegen stuk aangetekend.
-
De aantekening vermeldt in ieder geval:
de naam van de rechter, de dag van de uitspraak en of de uitspraak bij verstek is gedaan;
indien een veroordeling is uitgesproken, het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert;
de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond;
de in de artikelen 4.3.17, eerste tot en met vierde lid, 4.3.18, 4.3.19, 4.4.7, 4.4.11 en 4.4.21 vermelde beslissingen, indien deze artikelen van toepassing zijn.
-
De aantekening wordt door de rechter gewaarmerkt. Zodra de aantekening is gewaarmerkt, kunnen de verdachte en de benadeelde partij daarvan kennis nemen; de griffier verstrekt de aantekening desgevraagd.
-
Wordt alsnog toepassing gegeven aan artikel 4.5.8, tweede lid, onderdeel b of c, dan komt de aantekening te vervallen.
Artikel 4.5.10
-
De afzonderlijke behandeling van een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan plaatsvinden door een enkelvoudige kamer. Hoofdstuk 4, Titel 4.3, is in dat geval van overeenkomstige toepassing.
-
Op de afzonderlijke behandeling door de enkelvoudige kamer zijn de artikelen 4.5.4 en 4.5.6 tot en met 4.5.9 van overeenkomstige toepassing.