Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 5

Beroep in cassatie tegen arresten

Artikel 5.5.1

  1. Tegen eindarresten betreffende misdrijven staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte.

  2. Tegen eindarresten betreffende overtredingen staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte, tenzij wegens de overtredingen:

    1. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd; of

    2. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum, of wanneer twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum, van € 250.

Artikel 5.5.2

Tegen een tussenarrest is het beroep in cassatie gelijktijdig met dat tegen het eindarrest toegelaten.

Artikel 5.5.3

Het beroep in cassatie kan ook tegen een gedeelte van het arrest worden ingesteld.

Artikel 5.5.4

  1. Het beroep in cassatie wordt, behoudens het tweede lid, binnen twee weken na de uitspraak van het eindarrest ingesteld indien:

    1. de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken aan de verdachte in persoon is betekend;

    2. de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken binnen zes weken nadat de verdachte hoger beroep heeft ingesteld in overeenstemming met de wettelijke regeling aan de verdachte is betekend en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan een jaar;

    3. de oproeping om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend;

    4. de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen;

    5. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindarrest is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  2. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst, wordt het beroep in cassatie binnen twee weken na de uitspraak van het eindarrest ingesteld indien:

    1. de oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is betekend;

    2. de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de nadere terechtzitting is verschenen;

    3. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting of de dag waarop het eindarrest is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  3. Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het beroep in cassatie ingesteld binnen twee weken nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het eindarrest de verdachte bekend is.

Artikel 5.5.5

  1. Indien beroep in cassatie is ingesteld, draagt het gerechtshof de processtukken zo spoedig mogelijk over aan de Hoge Raad.

  2. De processtukken worden pas overgedragen nadat de termijn om beroep in cassatie in te stellen is verstreken.

Artikel 5.5.6

  1. Na ontvangst van de processtukken doet de griffier aan de verdachte een kennisgeving daarvan betekenen.

  2. Indien door het openbaar ministerie beroep in cassatie is ingesteld, wordt aan het openbaar ministerie kennis gegeven dat de processtukken door de Hoge Raad zijn ontvangen.

  3. Bij de kennisgevingen wordt vermeld dat de behandeling van de zaak door de Hoge Raad een aanvang neemt na afloop van de ingevolge artikel 5.5.7 toepasselijke termijnen. In de kennisgevingen wordt op het toepasselijke lid van artikel 5.5.7 gewezen.

Artikel 5.5.7

  1. Indien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, dient het op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen een maand nadat de in artikel 5.5.6, tweede lid, bedoelde kennisgeving is verzonden bij de Hoge Raad een schriftuur in met zijn middelen van cassatie.

  2. De verdachte die beroep in cassatie heeft ingesteld, doet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden nadat de in artikel 5.5.6, eerste lid, bedoelde kennisgeving is betekend, door zijn raadsman bij de Hoge Raad een schriftuur indienen met zijn middelen van cassatie.

Artikel 5.5.8

  1. Het lid van de Hoge Raad dat zitting heeft in de enkelvoudige kamer draagt de titel van rolraadsheer.

  2. Alle zaken worden op de openbare zitting in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal behandeld door de rolraadsheer. De behandeling vindt evenwel plaats door de meervoudige kamer in het geval, bedoeld in artikel 5.5.10, eerste lid, en in gevallen waarin de Hoge Raad dat wenselijk acht.

  3. Beslissingen over de procesgang kunnen, indien de wet niet anders bepaalt, door de rolraadsheer ook anders dan op de openbare zitting worden gegeven. Het procesreglement geeft daarover nadere regels.

Artikel 5.5.9

  1. De rolraadsheer bepaalt met inachtneming van de termijnen, bedoeld in artikel 5.5.7, de dag van de zitting waarop de zaak door de Hoge Raad in behandeling zal worden genomen.

  2. Aan het openbaar ministerie en aan de verdachte, dan wel, indien zich bij de Hoge Raad namens de verdachte een raadsman heeft gesteld, aan de raadsman, wordt de zittingsdag ter kennis gebracht.

  3. Het slachtoffer dat daarom verzoekt wordt in kennis gesteld van de zittingsdag.

Artikel 5.5.10

  1. Uiterlijk op de dienende zittingsdag kan de raadsman, bedoeld in artikel 5.5.9, tweede lid, dan wel het openbaar ministerie, voorgestelde middelen van cassatie schriftelijk toelichten dan wel tegenspreken. Indien een daartoe strekkend verzoek is ingewilligd, kan de raadsman dan wel het openbaar ministerie, voorgestelde middelen van cassatie op de dienende zittingsdag mondeling toelichten dan wel tegenspreken.

  2. Op de dienende zittingsdag of op een nadere zittingsdag neemt de procureur-generaal zijn conclusie, die hij aan de Hoge Raad ter kennis brengt, of geeft hij aan dat hij van het nemen van een conclusie afziet. De Hoge Raad bepaalt hierna op de zitting de dag van de uitspraak.

  3. Aan de raadsman, indien deze namens de verdachte middelen van cassatie heeft ingediend, en aan het openbaar ministerie, indien dat middelen van cassatie heeft ingediend, wordt de conclusie ter kennis gebracht.

  4. In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen de raadsman en het openbaar ministerie kunnen binnen twee weken commentaar op de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.

Artikel 5.5.11

  1. Indien de Hoge Raad direct op de voet van artikel 80a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie van oordeel is dat de ingediende cassatiemiddelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, wordt het beroep op de eerste zittingsdag door de rolraadsheer niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Indien geen schriftuur met middelen van cassatie is ingediend en de procureur-generaal afziet van het nemen van een conclusie, kan de beslissing dat de procespartij die het beroep instelde niet in dat beroep kan worden ontvangen, direct door de rolraadsheer op de zitting worden gegeven.

Artikel 5.5.12

  1. Verzuim van vormen kan grond geven tot vernietiging zowel wanneer dat verzuim heeft plaatsgehad in het arrest zelf als wanneer het heeft plaatsgehad tijdens de berechting.

  2. De Hoge Raad vernietigt het arrest indien de aard van de niet in acht genomen vorm en de aard van de aangevoerde klachten dat rechtvaardigen. Van een verzuim van vormen dat vernietiging rechtvaardigt is in ieder geval sprake:

    1. wanneer aan de berechting is deelgenomen door een rechter die niet onafhankelijk of onpartijdig was, die niet op de krachtens de wet voorgeschreven wijze is benoemd of die krachtens een wettelijke bepaling van deelname aan het onderzoek uitgesloten was;

    2. wanneer het onderzoek op de terechtzitting ten onrechte niet in het openbaar heeft plaatsgevonden;

    3. wanneer het onderzoek op de terechtzitting in afwezigheid van de verdachte heeft plaatsgevonden en daardoor zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn is geschonden;

    4. wanneer de rechter heeft geweigerd of verzuimd om te beslissen op een verzoek van de verdachte dat of een vordering van het openbaar ministerie die ertoe strekte gebruik te maken van een recht dat door de wet wordt toegekend, tenzij de belangen van de partij die daar gronden tegen aanvoert niet zijn geschaad;

    5. wanneer de verdachte niet van zijn recht om het laatst te spreken gebruik heeft kunnen maken;

    6. wanneer het arrest niet de bij de wet voorgeschreven beslissingen bevat of deze beslissingen niet op de bij de wet voorgeschreven wijze zijn gemotiveerd, tenzij de belangen van de partij die daar gronden tegen heeft aangevoerd niet zijn geschaad;

    7. wanneer de samenstelling van het gerechtshof tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gewijzigd en het onderzoek daarna niet opnieuw is aangevangen, tenzij de advocaat-generaal en de verdachte daarmee hebben ingestemd.

Artikel 5.5.13

  1. De Hoge Raad verklaart de procespartij die het beroep instelde niet-ontvankelijk, verwerpt het beroep of vernietigt het arrest geheel of gedeeltelijk, hetzij op de aangevoerde, hetzij op andere gronden.

  2. Indien het arrest wordt vernietigd, doet de Hoge Raad de zaak zelf af zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden. De Hoge Raad kan na vernietiging van het arrest de zaak terugwijzen naar het gerechtshof dat het heeft gewezen dan wel verwijzen naar een ander gerechtshof om met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad opnieuw dan wel verder te worden berecht en afgedaan.

Artikel 5.5.14

Het arrest wordt ondertekend door de voorzitter en de raadsheren die over de zaak hebben geoordeeld, alsmede door de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest.

Artikel 5.5.15

Het arrest wordt door de Hoge Raad op een openbare zitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.

Artikel 5.5.16

  1. Een door de griffier gewaarmerkte kopie van het arrest van de Hoge Raad wordt zo spoedig mogelijk door de griffier ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.

  2. De griffier geeft tevens van de beslissing kennis aan de verdachte en aan het slachtoffer dat daarom verzoekt. De griffier verstrekt elk van hen desgevraagd een kopie van het arrest van de Hoge Raad.

  3. De artikelen 4.3.30, zesde lid, en 4.3.32, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.5.17

  1. Tegen de beslissing betreffende haar vordering in het eindarrest, een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.1 of een arrest uit hoofde van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, eerste lid, staat voor de benadeelde partij van wie de vordering is afgewezen beroep in cassatie open indien de vordering meer dan € 1.750 bedraagt.

  2. Tegen een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.1 of van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, eerste lid, staat beroep in cassatie open voor de verdachte en het openbaar ministerie.

  3. De artikelen 5.5.2 en 5.5.3 zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. Beroep in cassatie op grond van deze afdeling wordt binnen twee weken na de uitspraak van het arrest ingesteld.

Artikel 5.5.18

  1. Indien beroep in cassatie is ingesteld tegen een eindarrest waarin op haar vordering is beslist, wordt aan de benadeelde partij een kennisgeving betekend dat de processtukken zijn ontvangen. Indien de benadeelde partij geen beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt haar daarbij kennis gegeven dat een advocaat zich namens haar bij de Hoge Raad kan stellen.

  2. De benadeelde partij doet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden nadat de in het eerste lid bedoelde kennisgeving is verzonden, door een advocaat bij de Hoge Raad een schriftuur indienen met haar middelen van cassatie. Gedurende die tijd is zij bevoegd om van de processtukken kennis te nemen.

  3. De benadeelde partij of haar advocaat wordt in kennis gesteld van de zittingsdag indien door of namens haar beroep in cassatie is ingesteld dan wel zich bij de Hoge Raad namens de benadeelde partij een advocaat heeft gesteld.

  4. Uiterlijk op de dienende zittingsdag kan de advocaat van de benadeelde partij voorgestelde middelen van cassatie schriftelijk toelichten dan wel tegenspreken voor zover die haar vordering betreffen. Indien een daartoe strekkend verzoek is ingewilligd, kan de advocaat voorgestelde middelen van cassatie op de dienende zittingsdag mondeling toelichten dan wel tegenspreken voor zover die haar vordering betreffen.

  5. Aan de advocaat die namens de benadeelde partij middelen van cassatie heeft ingediend wordt de conclusie ter kennis gebracht.

  6. De advocaat, bedoeld in het vijfde lid, kan binnen twee weken nadien commentaar op de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.

  7. De griffier geeft van de beslissing van de Hoge Raad kennis aan de benadeelde partij. De griffier verstrekt haar desgevraagd een kopie van het arrest van de Hoge Raad.

Artikel 5.5.19

Op de voorbereiding en behandeling van het beroep in cassatie tegen een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.1 of een arrest uit hoofde van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, eerste lid, zijn de Afdelingen 5.1.2 en 5.1.3 alsmede artikel 5.5.18 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.5.20

  1. Tegen een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.3 of een arrest uit hoofde van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, tweede lid, staat beroep in cassatie open voor de verdachte en voor het openbaar ministerie.

  2. Op de behandeling van het beroep in cassatie is Titel 5.1, met uitzondering van artikel 5.5.1, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.5.21

  1. In het geval bij de behandeling van het beroep in cassatie middelen van cassatie ten onrechte buiten behandeling zijn gelaten en in het geval ten gevolge van een onjuiste betekening van de kennisgeving in cassatie geen middelen van cassatie zijn ingediend, kan de Hoge Raad het arrest dat hij heeft gewezen intrekken. De beslissing tot intrekking wordt op de openbare zitting uitgesproken.

  2. De Hoge Raad kan voorts in een arrest een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent verbeteren.

  3. De beslissing om opnieuw arrest te wijzen of een gewezen arrest te verbeteren kan worden genomen door de leden van de Hoge Raad die het in te trekken of te verbeteren arrest hebben gewezen. Indien één van deze leden daar niet toe in staat is, treedt een ander in zijn plaats.

  4. Na een beslissing tot intrekking als bedoeld in het eerste lid wordt de zaak, onverminderd artikel 5.5.11, door de Hoge Raad in behandeling genomen op een openbare zitting.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering