Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 3

Het verhoor door opsporingsambtenaren

Artikel 2.3.1

  1. De opsporingsambtenaar die een persoon uitnodigt om een verklaring af te leggen deelt daarbij mee of deze als getuige of als verdachte wordt verhoord.

  2. Indien ten aanzien van een als getuige gehoorde persoon gedurende het verhoor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontstaat als bedoeld in artikel 1.4.1, tweede lid, doet de verhorende opsporingsambtenaar, indien deze het verhoor wil voortzetten, aan deze persoon de in artikel 1.4.4, eerste en tweede lid, genoemde mededelingen.

Artikel 2.3.2

  1. Van het verhoor kunnen geluidsopnamen of geluids- en beeldopnamen worden gemaakt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen daarover nadere regels worden gesteld.

  2. Indien van het verhoor geluidsopnamen of geluids- en beeldopnamen worden gemaakt deelt de verhorende opsporingsambtenaar dit mede aan de verdachte of getuige.

Artikel 2.3.3

  1. Het proces-verbaal van verhoor vermeldt het tijdstip waarop het verhoor is aangevangen, eventueel wordt onderbroken en hervat, en waarop het is beëindigd. Het bevat de redenen voor het onderbreken van het verhoor; het vermeldt verder de locatie van het verhoor en de identiteit van de personen die aan het verhoor hebben deelgenomen. Aangetekend wordt of van het verhoor geluidsopnamen of geluids- en beeldopnamen zijn gemaakt.

  2. De verklaringen van de verdachte of getuige worden in het proces-verbaal van het verhoor zoveel mogelijk in zijn eigen woorden opgenomen. Dat geldt in het bijzonder voor verklaringen van de verdachte die een bekentenis van schuld inhouden. De verklaringen van de verdachte of getuige worden zo volledig mogelijk weergegeven en zoveel mogelijk in vraag- en antwoordvorm.

  3. Aan de verdachte of getuige wordt de gelegenheid geboden om opmerkingen te maken over de weergave van zijn verklaring in het proces-verbaal. Deze opmerkingen worden in het proces-verbaal vermeld, voor zover zij niet worden overgenomen. Indien de verdachte of getuige met de verklaring instemt, ondertekent hij deze, tenzij sprake is van toepassing van artikel 2.3.4, eerste lid. Indien ondertekening achterwege blijft, wordt de weigering of oorzaak daarvan vermeld.

Artikel 2.3.4

  1. In afwijking van artikel 2.3.3, eerste lid, kan het vermelden van de identiteit van de getuige in het proces-verbaal van verhoor met toestemming van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie door de verhorende opsporingsambtenaar achterwege worden gelaten indien een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep ernstig zal worden belemmerd.

  2. De redenen voor toepassing van het eerste lid worden in het proces-verbaal vermeld.

Artikel 2.3.5

Het verhoor van een aangehouden verdachte vindt zoveel mogelijk plaats op een plaats die is bestemd voor het verhoren van verdachten of op een andere door de officier van justitie of de hulpofficier van justitie aangewezen plaats voor verhoor.

Artikel 2.3.6

Voor het verhoor wordt de verdachte meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal van verhoor vermeld.

Artikel 2.3.7

  1. Indien een kwetsbare verdachte of een verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, is aangehouden, stelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand direct van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.

  2. Indien een verdachte die is aangehouden voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, desgevraagd rechtsbijstand wenst, stelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand hiervan direct in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. De tweede zin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

  3. Indien de verdachte is aangehouden voor een ander strafbaar feit dan in het tweede lid bedoeld, en hij desgevraagd rechtsbijstand wenst, wordt hij in de gelegenheid gesteld contact op te nemen met een door hem gekozen raadsman.

  4. Indien de aangewezen raadsman niet binnen twee uur na de kennisgeving, bedoeld in het eerste en tweede lid, beschikbaar is, en indien de gekozen raadsman niet binnen twee uur na het contact, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, beschikbaar is, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, wanneer de verdachte alsnog afstand doet van zijn recht op rechtsbijstand in verband met het verhoor, beslissen dat met het verhoor van de verdachte wordt begonnen.

Artikel 2.3.8

  1. De aangehouden verdachte voor wie ingevolge artikel 2.3.7 een raadsman beschikbaar is, wordt de gelegenheid verschaft om voorafgaand aan het eerste verhoor gedurende ten hoogste een half uur met hem een onderhoud te hebben. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan deze termijn, indien deze ontoereikend blijkt, op verzoek van de verdachte of zijn raadsman met ten hoogste een half uur verlengen, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet. Het onderhoud kan ook door middel van telecommunicatie plaatsvinden.

  2. De verdachte, bedoeld in artikel 2.3.7 kan alleen dan afstand doen van het onderhoud, nadat hij door een raadsman over de gevolgen daarvan is ingelicht.

Artikel 2.3.9

  1. Op verzoek van de aangehouden verdachte en de verdachte die is uitgenodigd om op een plaats voor verhoor te verschijnen om te worden verhoord, kan de raadsman het verhoor bijwonen en daaraan deelnemen. Het verzoek wordt gericht aan de verhorende opsporingsambtenaar of de hulpofficier van justitie. De verhorende opsporingsambtenaar kan een verzoek van de verdachte of zijn raadsman tot onderbreking van het verhoor voor onderling overleg afwijzen, indien door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.

  2. De verdachte kan tijdens het verhoor dat niet door een raadsman wordt bijgewoond, verzoeken dat het wordt onderbroken voor overleg met een raadsman. De verhorende opsporingsambtenaar stelt hem daartoe zo veel mogelijk in de gelegenheid, tenzij door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.

  3. De beslissing tot afwijzing van het in het eerste of tweede lid bedoelde verzoek geldt voor de duur van het desbetreffende verhoor en wordt onder opgave van de gronden waarop deze berust vermeld in het proces-verbaal van verhoor.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting van en de orde tijdens het verhoor van de verdachte waaraan ook de raadsman deelneemt.

Artikel 2.3.10

  1. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan beslissen dat:

    1. de aangehouden verdachte, zonder dat deze in de gelegenheid wordt gesteld zijn recht op rechtsbijstand uit te oefenen, direct na zijn aanhouding ter plaatse wordt verhoord;

    2. met het verhoor wordt begonnen zonder dat een raadsman beschikbaar is;

    3. met het verhoor wordt begonnen of het verhoor wordt voortgezet zonder dat de aangehouden verdachte gelegenheid wordt geboden voor het in artikel 2.3.8, eerste lid, bedoelde onderhoud; of

    4. de raadsman niet tot het verhoor wordt toegelaten.

  2. De in het eerste lid bedoelde beslissingen kunnen alleen worden genomen voor zover en voor zolang als deze worden gerechtvaardigd door de dringende noodzaak om:

    1. ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen; of

    2. te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek wordt toegebracht.

  3. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c of d, kan door de hulpofficier van justitie alleen met toestemming van de officier van justitie worden genomen.

  4. De beslissing is gemotiveerd.

Artikel 2.3.11

  1. De verhorende opsporingsambtenaar kan met toestemming van de officier van justitie bijzondere toegang tot het bijwonen van het verhoor van de getuige alleen verlenen aan:

    1. een derde die de verhorende opsporingsambtenaar bijstand verleent;

    2. de raadsman van de verdachte.

  2. De officier van justitie kan aan de toegang voorwaarden verbinden.

  3. Indien bijzondere toegang wordt verleend en sprake is van toepassing van artikel 2.3.4, eerste lid, neemt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van de identiteit van de getuige te voorkomen.

Artikel 2.3.12

  1. De verhorende opsporingsambtenaar verleent in ieder geval toegang tot het bijwonen van het verhoor van de getuige aan:

    1. de advocaat van de getuige;

    2. een tolk;

    3. de wettelijk vertegenwoordiger van de getuige;

    4. een persoon naar keuze van de getuige.

  2. De verhorende opsporingsambtenaar kan de toegang weigeren in het belang van het onderzoek of in het belang van de getuige.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering