Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 8

Heimelijke bevoegdheden

Artikel 2.8.1

  1. Bevelen van de officier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd, met uitzondering van de bevelen, bedoeld in de artikelen 2.8.7, 2.8.8, 2.8.9 en 2.8.18.

  2. De officier van justitie kan een bevel als bedoeld in dit hoofdstuk verlengen, wijzigen, aanvullen of intrekken.

  3. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van een bevoegdheid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.

Artikel 2.8.2

  1. De officier van justitie stelt de betrokkene in kennis van de uitoefening van de in dit hoofdstuk opgenomen bevoegdheden, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. De verplichting tot deze kennisgeving vervalt op het moment dat is vastgesteld dat deze redelijkerwijs niet mogelijk is.

  2. Als betrokkene in de zin van het eerste lid worden aangemerkt:

    1. de persoon ten aanzien van wie de bevoegdheid is uitgeoefend;

    2. de gebruiker van een communicatiedienst van wie communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13 is vastgelegd;

    3. de rechthebbende van een besloten plaats of de bewoner van een woning als bedoeld in de artikelen 2.8.7, vierde lid, 2.8.9, eerste lid, 2.8.13, zesde lid, en 2.8.15, vierde en vijfde lid.

  3. Indien de betrokkene de verdachte is, kan de kennisgeving achterwege blijven indien uit de processtukken van de uitoefening van de bevoegdheid blijkt.

Artikel 2.8.3

  1. Indien door de uitoefening van een van de in dit hoofdstuk opgenomen bevoegdheden gegevens zijn verkregen die mededelingen behelzen waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt, worden deze gegevens vernietigd.

  2. Voor zover gegevens andere mededelingen behelzen gedaan door of aan een functioneel verschoningsgerechtigde dan wel in de gevallen, bedoeld in artikel 2.7.61, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na een voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van dit artikel.

Artikel 2.8.4

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  1. de opslag, verstrekking, plaatsing en verwijdering van de technische hulpmiddelen, bedoeld in de artikelen 2.8.7, derde lid, 2.8.14, eerste lid, onderdeel b, 2.8.15, eerste lid, 2.8.16, eerste lid, en 2.8.18, eerste lid, alsmede van de technische hulpmiddelen, bedoeld in artikel 2.8.13, eerste lid, voor zover het bevel, bedoeld in artikel 2.8.13, vierde of vijfde lid, wordt tenuitvoergelegd zonder medewerking van de betrokken aanbieder;

  2. de opslag, verstrekking en plaatsing van de technische hulpmiddelen die dienen ter ontsleuteling van versleutelde communicatie die wordt vastgelegd op grond van artikel 2.8.13, eerste lid;

  3. de technische eisen waaraan de hulpmiddelen, bedoeld in de onderdelen a en b moeten voldoen, onder meer met het oog op het voorkomen van misbruik door derden en de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen of, in geval van toepassing van artikel 2.8.16, de onschendbaarheid van de overgenomen gegevens;

  4. de controle op de naleving van de eisen, bedoeld in onderdeel c;

  5. de instellingen die de registratie van signalen aan een technische bewerking onderwerpen;

  6. de wijze waarop de bewerking, bedoeld in onderdeel e, plaatsvindt met het oog op de controleerbaarheid achteraf, alsmede de waarborgen waarmee deze is omgeven en de mogelijkheden voor een tegenonderzoek.

Artikel 2.8.5

  1. De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel van de officier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk, is verplicht van de hem in de wet verleende bevoegdheden tot inbeslagneming gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel kennis draagt van de vindplaats van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag alleen in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.

  2. De verplichting tot inbeslagneming geldt niet in het geval de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de opsporingsambtenaar of de officier van justitie door de toepassing van artikel 2.8.19 kennis draagt van de vindplaats van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.8.6

  1. De officier van justitie kan op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris bevelen dat het bekend maken aan de producent van een onbekende kwetsbaarheid voor het op afstand binnendringen in een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk, bedoeld in artikel 2.8.16, wordt uitgesteld.

  2. Onder onbekende kwetsbaarheid wordt verstaan een kwetsbaarheid in een digitale-gegevensdrager of in een geautomatiseerd werk waarvan aannemelijk is dat die niet bekend is of kan worden verondersteld niet bekend te zijn bij de producent van het apparaat of van het programma op basis waarvan automatisch gegevens worden verwerkt, en die kan worden gebruikt om die digitale-gegevensdrager of dat geautomatiseerde werk op afstand binnen te dringen.

Artikel 2.8.7

  1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig zijn aanwezigheid of gedrag waarneemt.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  3. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel wordt gebruikt of geplaatst, voor zover daarmee geen communicatie, als bedoeld in de artikelen 2.8.13 en 2.8.15, wordt vastgelegd. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met zijn toestemming dan wel in het geval, bedoeld in artikel 2.8.16, eerste lid, onderdeel c.

  4. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld kan de officier van justitie bepalen dat ter uitvoering van het bevel één of meer besloten plaatsen, niet zijnde een woning, worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende.

  5. Indien ter uitvoering van het bevel in een besloten plaats een technisch hulpmiddel is geplaatst, omvat het bevel mede het betreden van de plaats om dit technisch hulpmiddel te verwijderen. Het technisch hulpmiddel wordt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen een maand na afloop van de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering is gegeven, verwijderd. De officier van justitie kan deze termijn van een maand telkens voor een periode van een maand verlengen.

Artikel 2.8.8

  1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig, al dan niet op geautomatiseerde wijze, persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen overneemt.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de geautomatiseerde wijze van overnemen van gegevens.

Artikel 2.8.9

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel gebruikt, om:

    1. die plaats op te nemen;

    2. daar sporen veilig te stellen; of

    3. daar een technisch hulpmiddel te plaatsen om de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.

  2. Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.8.10

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar goederen of gegevens afneemt van een persoon, diensten verleent aan een persoon of daartoe strekkende afspraken maakt.

  2. In het bevel kan worden bepaald dat bij de uitvoering daarvan bepaalde strafbare handelingen mogen worden verricht door de persoon die de bevoegdheid uitoefent.

Artikel 2.8.11

  1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig informatie inwint over een persoon door deel te nemen aan de maatschappelijke verbanden waarin die persoon verkeert of door het hebben van contact met die persoon of met personen die deel uitmaken van zijn maatschappelijke verbanden.

  2. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig informatie inwint over een persoon ten aanzien van wie op grond van die verdenking kennis is gekregen dat hij een of meerdere misdrijven beraamt, pleegt of heeft gepleegd, door hem activiteiten, al dan niet in samenwerking met de opsporingsambtenaar, te laten verrichten.

  3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  4. Het bevel, bedoeld in het tweede lid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste zes maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van

    1. de eisen van bekwaamheid waaraan de opsporingsambtenaar moet voldoen en

    2. de wijze waarop de bevoegdheid tot stelselmatige inwinning van informatie wordt uitgeoefend.

Artikel 2.8.12

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar:

    1. deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen ten aanzien waarvan op grond van die verdenking kennis is gekregen dat daarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd;

    2. samenwerkt met of medewerking verleent aan een persoon ten aanzien van wie op grond van die verdenking kennis is gekregen dat hij een of meerdere misdrijven beraamt, pleegt of heeft gepleegd.

  2. Artikel 2.8.11, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. In het bevel kan worden bepaald dat bij de uitvoering daarvan bepaalde strafbare handelingen mogen worden verricht door de persoon die de bevoegdheid uitoefent.

Artikel 2.8.13

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, vastlegt.

  2. De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie, in zijn machtiging bepalen dat deze geldt voor alle nummers en andere aanduidingen waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, die gedurende de geldigheidsduur van de machtiging bij de gebruiker in gebruik zijn.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twee maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste twee maanden worden verlengd.

  4. Indien het bevel betrekking heeft op communicatie die plaatsvindt via een openbaar telecommunicatienetwerk of met gebruikmaking van een openbare telecommunicatiedienst in de zin van de Telecommunicatiewet, wordt, tenzij dat niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet, het bevel tenuitvoergelegd met medewerking van de aanbieder van het openbare telecommunicatienetwerk of de openbare telecommunicatiedienst. Met het oog daarop beveelt de officier van justitie de aanbieder om medewerking te verlenen. Die medewerking omvat het verstrekken van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens over de gebruiker en over het communicatieverkeer van die gebruiker gedurende de periode waarin uitvoering wordt gegeven aan het bevel.

  5. Indien het bevel betrekking heeft op andere communicatie dan die bedoeld in het vierde lid, wordt, tenzij dat niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet, de aanbieder in de gelegenheid gesteld medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.

  6. Indien het bevel betrekking heeft op het vastleggen van communicatie zonder medewerking van de aanbieders, bedoeld in het vierde en vijfde lid, kan de officier van justitie bepalen dat indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, ter uitvoering van het bevel een besloten plaats zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden of dat een woning wordt betreden zonder toestemming van de bewoner. Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  7. Bij uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.7.52 van overeenkomstige toepassing in het geval van versleutelde communicatie. Op het bevel, bedoeld in artikel 2.7.52, zijn de artikelen 2.7.2 en 2.7.58 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.8.14

  1. Om toepassing te kunnen geven aan de artikelen 2.7.47, 2.8.13 en 2.8.18 kan de officier van justitie:

    1. met inachtneming van artikel 3.22, eerste en vierde lid, van de Telecommunicatiewet aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid, van die wet bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur een nummer als bedoeld in artikel 1.1 van die wet wordt verkregen;

    2. aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel een nummer als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet wordt verkregen.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd. Zodra de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, vaststelt dat het nummer is verkregen, wordt de uitvoering van het bevel beëindigd.

Artikel 2.8.15

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie, die plaatsvindt anders dan met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, vastlegt.

  2. Indien het bevel een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bepalen dat vertrouwelijke communicatie die plaatsvindt in een woning wordt vastgelegd.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd.

  4. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel:

    1. een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende;

    2. een woning zonder toestemming van de bewoner wordt betreden, indien het bevel een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

    Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  5. Voorafgaand aan de uitvoering van het bevel kan de officier van justitie, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een opsporingsambtenaar de besloten plaats of de woning betreedt zonder toestemming van de rechthebbende of de bewoner, om de uitvoering van het bevel tot vastleggen van vertrouwelijke communicatie voor te bereiden.

  6. Het bevel tot betreden, bedoeld in het vijfde lid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan eenmaal voor een periode van drie maanden worden verlengd.

  7. Indien de voorbereiding, bedoeld in het vijfde lid, is afgerond en technisch uitvoering kan worden gegeven aan de vastlegging, bepaalt de officier van justitie wanneer de termijn van het bevel tot vastleggen van vertrouwelijke communicatie, bedoeld in het derde lid, aanvangt.

Artikel 2.8.16

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar, al dan niet met een technisch hulpmiddel, op afstand binnendringt in een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk dat bij de verdachte in gebruik is, met het oog op:

    1. de vaststelling van bepaalde kenmerken van de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk of de gebruiker, zoals de identiteit of locatie, en het overnemen daarvan;

    2. de uitvoering van een bevel als bedoeld in de artikelen 2.8.13 en 2.8.15;

    3. de uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 2.8.7, waarbij de officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel op een persoon wordt bevestigd;

    4. het overnemen van gegevens die op de digitale-gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk zijn verwerkt, of die eerst na het tijdstip van het geven van het bevel worden verwerkt, voor zover redelijkerwijs nodig om de waarheid aan het licht te brengen;

    5. de ontoegankelijkmaking van gegevens die op de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zijn verwerkt, en met betrekking tot welke of met behulp waarvan het vermoedelijke strafbare feit is gepleegd, voor zover dit noodzakelijk is ter beëindiging van het strafbare feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Artikel 2.7.56, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet is niet van toepassing op handelingen ter uitvoering van een bevel als bedoeld in de eerste zin.

  2. In geval na het op afstand binnendringen in de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk onderzoek wordt verricht met het oog op het overnemen of het ontoegankelijk maken van gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, dient de in het eerste lid bedoelde verdenking een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een misdrijf als omschreven in de artikelen 98, eerste en tweede lid, 98c, eerste lid, 131, eerste en tweede lid, 138ab, eerste tot en met derde lid, 138b, eerste tot en met derde lid, 138c, 139c, eerste lid, 139d, eerste tot en met derde lid, 139g, eerste lid, 140, eerste lid, 142a, eerste en tweede lid, 160, 161, aanhef en onder 1°, 161bis, aanhef en onder 2°, 161sexies, aanhef en onder 1°, 177, eerste en tweede lid, 179, 182, eerste en tweede lid, onder 1°, 197a, eerste en tweede lid, 205, eerste en derde lid, 225, eerste en tweede lid, 226, eerste lid, 227, eerste lid, 231, eerste en tweede lid, 231a, eerste en tweede lid, 232, eerste en tweede lid, 240b, eerste lid, 247, 248a, 248e, 285b, eerste lid, 350a, eerste tot en met derde lid, 350c, eerste lid, 350d, 363, eerste en tweede lid en 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd.

  4. Na afloop van de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering is gegeven, wordt het technische hulpmiddel verwijderd. Indien het technische hulpmiddel niet of niet volledig kan worden verwijderd en dit risico’s oplevert voor het functioneren van de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk stelt de officier van justitie de beheerder van het desbetreffende apparaat daarvan in kennis en stelt de nodige informatie ter beschikking ten behoeve van de volledige verwijdering.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. de autorisatie en deskundigheid van de opsporingsambtenaren die kunnen worden belast met de uitvoering van het bevel, bedoeld in het eerste lid, en de samenwerking met andere opsporingsambtenaren;

    2. de geautomatiseerde wijze van vastlegging van de uitvoering van het bevel.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen waarin niet bekend is waar de gegevens zijn opgeslagen.

  7. Het toezicht op de uitvoering van het bevel door de ambtenaren, bedoeld in artikel 1.3.10, onderdeel d, en de personen, bedoeld in artikel 1.3.11, eerste lid, onderdeel b, wordt uitgeoefend door de inspectie, bedoeld in artikel 65 van de Politiewet 2012, overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 6 van de Politiewet 2012.

Artikel 2.8.18

  1. Ter aanhouding van de verdachte of ter uitvoering van een bevel tot uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in Afdelingen 8.2.1 tot en met 8.2.9 kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig en met een technisch hulpmiddel de locatie bepaalt van de aan te houden verdachte of de persoon ten aanzien van wie de bevoegdheid wordt uitgeoefend.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd.

Artikel 2.8.19

  1. De officier van justitie kan met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze, indien is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid, bijstand verleent aan de opsporing door uitoefening van de bevoegdheid tot:

    1. pseudo-koop of -dienstverlening, als bedoeld in artikel 2.8.10, eerste lid;

    2. stelselmatige inwinning van informatie, als bedoeld in artikel 2.8.11, eerste en tweede lid;

    3. infiltratie, als bedoeld in artikel 2.8.12, eerste lid.

  2. De overeenkomst wordt alleen gesloten indien de officier van justitie van oordeel is dat de desbetreffende bevoegdheid niet kan worden uitgeoefend door een opsporingsambtenaar.

  3. Bij het sluiten van een overeenkomst legt de officier van justitie de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gegevens afzonderlijk vast.

  4. De overeenkomst vermeldt:

    1. de naam van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing;

    2. de rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing;

    3. de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven; en

    4. de geldigheidsduur van de overeenkomst of het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven.

  5. De overeenkomst kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd.

  6. De overeenkomst en de wijziging, aanvulling, verlenging en beëindiging daarvan worden vooraf, afzonderlijk vastgelegd en gemotiveerd. Bij dringende noodzaak kan vastlegging van de overeenkomst en van de wijziging, aanvulling, verlenging en beëindiging daarvan voor ten hoogste drie dagen worden uitgesteld. Artikel 2.1.15, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de vastlegging van de overeenkomst en van de wijziging, aanvulling, verlenging en beëindiging daarvan.

  7. Zodra niet meer wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de overeenkomst wordt beëindigd.

  8. Artikel 2.1.4 is van overeenkomstige toepassing op de persoon die bijstand verleent aan de opsporing.

  9. De officier van justitie kan de persoon die bijstand verleent aan de opsporing door het verrichten van de in het eerste lid, onderdelen a en c, bedoelde handelingen vooraf toestemming geven om bij de uitvoering strafbare handelingen te verrichten. De toestemming wordt vooraf vastgelegd. Op de vastlegging van de toestemming is artikel 2.1.17 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.8.20

Bevelen tot uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in Titel 8.2, met uitzondering van bevelen tot uitoefening van de in artikel 2.8.16 omschreven bevoegdheid, kunnen ook worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan deze persoon.

Artikel 2.8.21

  1. Bij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in dit hoofdstuk, is de opsporingsambtenaar bevoegd maatregelen te treffen om gevaar voor leven of veiligheid te voorkomen of af te wenden, al dan niet met behulp van een technisch hulpmiddel.

  2. De opsporingsambtenaar treft alleen een maatregel die gezien de omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het gevaar, redelijk en gematigd is en voor de betrokkene het minste nadeel oplevert.

  3. Na uitoefening van de bevoegdheid stelt de opsporingsambtenaar de officier van justitie direct in kennis van het treffen van een maatregel.

Artikel 2.8.22

  1. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing in geval uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat in georganiseerd verband misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld worden beraamd of gepleegd en die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. In het geval van toepassing van de artikelen 2.8.15, tweede en vierde lid, en 2.8.16, tweede lid, moeten de misdrijven die in georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd, misdrijven betreffen die in die artikelleden zijn omschreven.

  2. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf. In geval van toepassing van de artikelen 2.8.15, tweede en vierde lid, en 2.8.16, tweede lid, moet dat een terroristisch misdrijf betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

Artikel 2.8.23

  1. De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van dit hoofdstuk.

  2. De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering