Op de wijze bij de wet bepaald wordt een deskundige benoemd met een opdracht tot het geven van informatie over of het doen van onderzoek op een terrein waarvan hij specifieke of bijzondere kennis bezit.
Bij de benoeming worden de opdracht en de termijn waarbinnen de deskundige zijn verslag uitbrengt, vermeld.
De deskundige brengt het verslag schriftelijk en naar waarheid, volledig en naar beste inzicht uit.
De rechter kan bepalen dat de deskundige mondeling verslag uitbrengt.
Er is een landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen, dat wordt beheerd op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze. Bij deze algemene maatregel van bestuur wordt het orgaan ingesteld dat met deze taak wordt belast.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kwalificaties waarover bepaalde deskundigen moeten beschikken en over de wijze waarop de specifieke deskundigheid van de overige deskundigen kan worden bepaald of getoetst.
Bij benoeming van een deskundige die niet is opgenomen in het register wordt gemotiveerd op grond waarvan hij als deskundige wordt aangemerkt.
Aan de deskundige wordt, voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, kennisgegeven van de voor de opdracht relevante processtukken. Voor zover dat noodzakelijk is, worden deze voor hem vertaald.
Het verslag van de deskundige is gemotiveerd. Hij geeft daarin zo mogelijk aan welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de methode.
De deskundige verklaart het verslag naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld. Het verslag is gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis hem leren over hetgeen wat aan zijn oordeel onderworpen is.
De artikelen 1.7.1 tot en met 1.7.4 zijn niet van toepassing op onderzoek dat gezien zijn aard als technisch opsporingsonderzoek moet worden aangemerkt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van technisch opsporingsonderzoek.
In alle gevallen waarin de deskundige wordt gehoord, verhoord of ondervraagd, vraagt de verhorende ambtenaar hem ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven, het adres van zijn feitelijke verblijfplaats en zijn elektronisch adres.
Indien over de identiteit van de deskundige twijfel bestaat kan zijn identiteit worden vastgesteld door middel van een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De verhorende ambtenaar kan de deskundige bevelen zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.