Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 2.1.1

Tenzij de wet anders bepaalt, worden verstaan onder:

  1. aanbieder van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst;

  2. beslagene: degene bij wie een voorwerp is inbeslaggenomen;

  3. brief: een brief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Postwet 2009;

  4. communicatie: elke overdracht van gegevens tussen personen, tussen apparaten of tussen personen en apparaten;

  5. digitale-gegevensdrager: een gegevensdrager, niet zijnde een geautomatiseerd werk, bestemd of mede bestemd voor de opslag van gegevens die geschikt zijn voor overdracht, interpretatie of verwerking door geautomatiseerde werken;

  6. functioneel verschoningsgerechtigde: de verschoningsgerechtigde, bedoeld in de artikelen 1.6.7 en 1.6.8;

  7. functioneel verschoningsrecht: het verschoningsrecht, bedoeld in de artikelen 1.6.7 en 1.6.8;

  8. geautomatiseerd werk: een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch digitale gegevens verwerken;

  9. gebruiker van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst;

  10. gegevens: iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken;

  11. inbeslagneming van een voorwerp: het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering;

  12. ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens: een onderzoek van gegevens waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar een ingrijpend beeld van iemands privéleven kan ontstaan;

  13. kennisnemen van gegevens: het waarnemen van gegevens door een persoon, waarbij de gegevens zich tonen in voor menselijke interpretatie vatbare vorm;

  14. onderzoek van gegevens: het geheel aan handelingen dat moet worden verricht om gegevens over te nemen of daarvan kennis te nemen;

  15. ontdekking op heterdaad: het geval waarin het strafbare feit ontdekt wordt terwijl het begaan wordt of direct nadat het begaan is;

  16. ontoegankelijkmaking van gegevens: het treffen van voorlopige maatregelen ter voorkoming van de verdere kennisneming, gebruikmaking of verspreiding van die gegevens of het verwijderen van gegevens uit een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk, met behoud van die gegevens ten behoeve van de strafvordering;

  17. overnemen van gegevens: het kopiëren van gegevens uit een externe bron;

  18. poststuk: een poststuk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Postwet 2009;

  19. stelselmatig onderzoek van gegevens: een onderzoek van gegevens waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven kan ontstaan;

  20. voorlopige hechtenis: de vrijheidsbeneming ingevolge een bevel van bewaring, gevangenneming of gevangenhouding;

  21. voorwerpen: alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 2.1.2

  1. Een bevoegdheid wordt niet uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven.

  2. Onverminderd nadere beperking bij of krachtens de wet wordt een bevoegdheid alleen uitgeoefend indien dit in het belang van het onderzoek is.

Artikel 2.1.3

Een bevoegdheid wordt alleen uitgeoefend indien:

  1. het daarmee beoogde doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt en

  2. de uitoefening daarvan in een redelijke verhouding staat tot het daarmee beoogde doel.

Artikel 2.1.4

Bij de uitoefening van een bevoegdheid brengt de opsporingsambtenaar een persoon niet tot andere strafbare feiten dan die waarop zijn opzet al tevoren was gericht.

Artikel 2.1.5

Voor de uitoefening van de bevoegdheden omschreven in dit wetboek ter bepaling van wederrechtelijk verkregen voordeel kan onder verdenking mede een veroordeling worden verstaan.

Artikel 2.1.6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen bevoegdheden worden niet uitgeoefend dan na voorafgaande toestemming van het College van procureurs-generaal. De toestemming wordt vastgelegd.

Artikel 2.1.7

  1. Onverminderd de gevallen waarin de wet een machtiging van de rechter-commissaris vereist, kan de officier van justitie de in de wet aan hem toegekende bevoegdheden uitoefenen na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.

  2. De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van het eerste lid.

  3. De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.

Artikel 2.1.7a

  1. Indien de Hoofdstukken 6, 7 en 8 van dit boek niet de bevoegdheid verlenen tot het verrichten van een bepaalde onderzoekshandeling, kan de officier van justitie, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, een opsporingsambtenaar het bevel geven die onderzoekshandeling te verrichten indien die handeling, gezien de aard van de handeling en de mate van inbreuk op grondrechten, vergelijk-baar is met een onderzoekshandeling waartoe de genoemde hoofdstukken wel de bevoegdheid verlenen.

  2. Het bevel wordt alleen gegeven als is voldaan aan de wettelijke toepassingscriteria van de vergelijkba-re bevoegdheid.

  3. Artikel 2.1.7, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  4. Ten hoogste drie jaar nadat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het bevel op het eerste lid kan worden gebaseerd, wordt een voorstel van wet bij de Tweede Kamer ingediend om te voorzien in een specifieke wettelijke grondslag voor de onderzoekshandeling.

  5. Indien geen voorstel van wet wordt ingediend of indien het ingediende voorstel niet door de Staten-Generaal wordt aangenomen, vervalt de mogelijkheid tot het geven van het bevel.

Artikel 2.1.8 (Gelijkstelling met vierjaarsfeiten)

Tenzij de wet anders bepaalt wordt voor de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld in dit boek met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, gelijkgesteld:

  1. een misdrijf als omschreven in de artikelen 132, 137c, tweede lid, 137d, tweede lid, 137e, tweede lid, 137g, tweede lid, 138a, 138aa, 138ab, 138b, 138c, 139c, 139d, eerste en tweede lid, 139g, 139h, eerste en tweede lid, 140, tweede lid, 141a, 151, 184a, 248d, 248e, 254a, 272, 284, eerste lid, 285, eerste lid, 285b, 285c, 300, eerste lid, 321, 326c, tweede lid, 326d, 340, 342, 344a, 344b, 347, eerste lid, 350, 350a, 350c, 350d, 351, 372, 395, 417bis, 420bis.1, 420quater en 420quater.1 van het Wetboek van Strafrecht;

  2. een misdrijf als omschreven in: artikel 86i, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998; artikel 66h, eerste lid, van de Gaswet; artikel 8.12, eerste en tweede lid, van de Wet dieren; de artikelen 175, eerste lid, 176, eerste lid, en 176, tweede lid, voor zover dit betreft artikel 7, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wegenverkeerswet 1994; artikel 30, tweede lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag; de artikelen 52, 53, eerste lid, en 54 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; artikel 36 van de Wet op de kansspelen; de artikelen 11, tweede lid, en 11a van de Opiumwet; artikel 55, tweede lid, van de Wet wapens en munitie; artikel 11 van de Wet tijdelijk huisverbod; artikel 8 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding.

Artikel 2.1.9

Opsporingsambtenaren zijn ter uitvoering van hun taak bevoegd om in overeenstemming met de geldende rechtsregels onderzoekshandelingen te verrichten.

Artikel 2.1.10

  1. Opsporingsambtenaren maken zo spoedig mogelijk proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit en van wat door hen tot opsporing is verricht of bevonden.

  2. Zij leggen in het proces-verbaal tevens feiten en omstandigheden vast die voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de opsporing van belang zijn. In het bijzonder vermelden zij of aan hen bevel tot het uitoefenen van een bevoegdheid of toestemming voor een onderzoekshandeling is gegeven. Die vermelding kan achterwege blijven in het geval het bevel of de toestemming afzonderlijk is vastgelegd.

  3. Opsporingsambtenaren kunnen het opmaken van proces-verbaal uitstellen indien op een geluids- of beeldopname is vastgelegd wat door hen tot opsporing is verricht of bevonden.

  4. Het opmaken van proces-verbaal kan onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en met inachtneming van de door het College van procureurs-generaal gegeven algemene aanwijzingen worden uitgesteld of achterwege worden gelaten.

  5. Indien het opmaken van proces-verbaal achterwege wordt gelaten, wordt in enige andere vorm van verslaglegging voorzien.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel.

Artikel 2.1.11

  1. Het proces-verbaal wordt door opsporingsambtenaren opgemaakt op hun ambtseed of ambtsbelofte.

  2. Het proces-verbaal wordt door opsporingsambtenaren persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend; daarbij worden tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk de redenen van wetenschap opgegeven.

  3. In geval het opmaken van proces-verbaal op grond van artikel 2.1.10, derde lid, is uitgesteld, vermelden opsporingsambtenaren in een verkort proces-verbaal dat door hen tot opsporing is verricht of bevonden wat op de geluids- of beeldopname is vastgelegd.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inhoud van een verkort proces-verbaal.

Artikel 2.1.12

  1. Opsporingsambtenaren dragen de door hen opgemaakte processen-verbaal en geluids- of beeldopnamen alsmede de bij hen binnengekomen aangiften en berichten over strafbare feiten zo spoedig mogelijk, en door tussenkomst van de hulpofficier van justitie, aan de officier van justitie over.

  2. Het overdragen van de in het eerste lid bedoelde stukken, opnamen en berichten kan onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en met inachtneming van de door het College van procureurs-generaal gegeven algemene aanwijzingen worden uitgesteld of achterwege worden gelaten.

Artikel 2.1.13

  1. Bevelen van de rechter-commissaris, de officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar worden afzonderlijk vastgelegd indien de wet dat bepaalt.

  2. Indien de wet afzonderlijke vastlegging van het bevel voorschrijft wordt het bevel vooraf vastgelegd door degene die het bevel geeft. Een bevel van de rechter-commissaris kan op zijn aanwijzing ook door de griffier worden vastgelegd. Bij dringende noodzaak kan vastlegging van het bevel worden uitgesteld tot uiterlijk drie dagen nadat het bevel is gegeven.

  3. Indien de wet bepaalt dat een bevel waarvan afzonderlijke vastlegging is voorgeschreven, kan worden verlengd, gewijzigd, aangevuld of ingetrokken zijn het eerste en tweede lid en artikel 2.1.15 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.1.14

  1. Een machtiging van de rechter-commissaris wordt gegeven op vordering van de officier van justitie.

  2. De vordering en de machtiging worden vooraf, afzonderlijk vastgelegd door de officier van justitie onderscheidenlijk door de rechter-commissaris of op zijn aanwijzing door de griffier. Bij dringende noodzaak kan afzonderlijke vastlegging van de vordering worden uitgesteld tot uiterlijk drie dagen nadat deze is gedaan en kan afzonderlijke vastlegging van de machtiging worden uitgesteld tot uiterlijk drie dagen na ontvangst van de vastgelegde vordering.

  3. Indien de wet voor het geven van een bevel een machtiging van de rechter-commissaris vereist, betreft dit vereiste alle onderdelen van het bevel.

  4. Indien de wet bepaalt dat voor het geven van een bevel een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, geldt dat ook voor een verlenging, wijziging en aanvulling van het bevel, indien de wet daarin voorziet. Het eerste, tweede en derde lid zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.1.15

  1. Afzonderlijke vastlegging van bevelen, machtigingen en vorderingen vindt plaats in schriftelijke vorm, tenzij bij algemene maatregel van bestuur in daarin omschreven gevallen anders is bepaald. In geval bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat afzonderlijke vastlegging in andere dan schriftelijke vorm kan plaatsvinden, worden daarin nadere regels gesteld over die wijze van afzonderlijke vastlegging.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de gegevens die afzonderlijk vastgelegde bevelen, machtigingen, en vorderingen daartoe, moeten bevatten.

Artikel 2.1.16

  1. Een verdachte en een derde kunnen in een onderzoekshandeling toestemmen tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

  2. Indien de toestemming wordt ingetrokken wordt de onderzoekshandeling gestaakt, tenzij die handeling op een andere grondslag kan worden voortgezet.

Artikel 2.1.17

  1. Toestemming voor een onderzoekshandeling wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd indien de wet dat bepaalt. Bij dringende noodzaak kan de afzonderlijke vastlegging van de toestemming worden uitgesteld tot uiterlijk drie dagen nadat zij is gegeven.

  2. Artikel 2.1.15, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de afzonderlijke vastlegging van de toestemming.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering