Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over:
de begrenzing van de activiteit;
de data waarop de activiteit is verricht; en
de aanleiding en het doel van de activiteit.