Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 4.5

Titaandioxide-installatie

Artikel 4.104

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van titaandioxide.

Artikel 4.105

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt jaarlijks voor 1 maart geïnformeerd over de omvang van de productie van titaandioxide over het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 4.106

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld.

Artikel 4.107

De volgende afvalstoffen worden niet geloosd:

  1. vaste afvalstoffen;

  2. moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van titanylsulfaat van een installatie die het sulfaatproces toepast, waaronder in ieder geval:

    1. zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten; en

    2. de moederlogen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;

  3. afvalstoffen afkomstig van een ippc-installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast en die meer dan 0,5% vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waaronder in ieder geval de afvalstoffen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zoutzuur bevatten; en

  4. filterzouten, slibvormige afvalstoffen en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling door concentratie of neutralisatie van de afvalstoffen, bedoeld onder b en c, en die verschillende zware metalen bevatten, met uitzondering van geneutraliseerde en gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die alleen sporen van zware metalen bevatten en die een zuurgraad van meer dan pH 5,5 hebben, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.108

Voor het afvalwater afkomstig van een installatie waarin het sulfaatproces wordt toegepast dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.108.

Tabel 4.108 Emissiegrenswaarden

Stof

Emissiegrenswaarde kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide

Sulfaat

100

Onopgeloste stoffen

2,5

IJzerverbindingen

0,6

Artikel 4.109

  1. Voor het afvalwater afkomstig van een installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.109.

  2. Als natuurlijk rutiel, synthetisch rutiel of slakken worden gebruikt, gelden de voor die grondstoffen bedoelde emissiegrenswaarden naar evenredigheid van de hoeveelheden waarin deze stoffen worden gebruikt.

Artikel 4.110

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het ontsluiten van een monster is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.

  4. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor de zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523;

    2. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    3. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2;

    4. voor sulfaat: NEN-ISO 22743; en

    5. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682.

Artikel 4.111

Het afvalwater wordt ten minste elke zes maanden bemonsterd door een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur, en geanalyseerd op:

  1. de zuurgraad;

  2. sulfaat, bij het sulfaatproces; en

  3. chloride, bij het chlorideproces.

Artikel 4.112

Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht wordt de emissie van zuurdruppels in de lucht voorkomen.

Artikel 4.113

Voor de emissie in de lucht bij het maken van titaandioxide via het chlorideproces en sulfaatproces zijn de emissiegrenswaarden voor titaandioxide de waarden, bedoeld in tabel 4.113, gemeten in een continue, periodieke of eenmalige meting.

Tabel 4.113 Emissiegrenswaarden titaandioxide

Stof

Emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide

Emissiegrenswaarde in uurgemiddelde in mg/Nm3

Totaal stof, waarbij massastroom ten minste 200 g/uur

0,2

5

Totaal stof, waarbij massastroom minder dan 200 g/uur

0,2

20

Gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide

1,7

50

Artikel 4.114

Voor de emissie in de lucht bij het maken van titaandioxide via het chlorideproces zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.114, gemeten in een continue, periodieke of eenmalige meting.

Tabel 4.114 Emissiegrenswaarden titaandioxide bij chlorideproces

Stof

Emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide

Emissiegrenswaarde in daggemiddelde in mg/Nm3

Emissiegrenswaarde in momentane waarde in mg/Nm3

Zoutzuur

0,1

10

Chloor

3

40

Artikel 4.115

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabellen 4.113 en 4.114, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een periodieke meting en parallelmeting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor zoutzuur en chloor: NEN-EN 1911;

    3. voor zwaveldioxide en zwaveltrioxide: NEN-EN 14791;

    4. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    5. voor waterdamp: NEN-EN 14790; en

    6. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

  3. Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en

    2. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.

Artikel 4.116

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.113 en 4.114, wordt voldaan.

  2. De meting van de emissies omvat:

    1. een continue meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van ten minste 200 g/u;

    2. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van minder dan 200 g/u;

    3. als het sulfaatproces wordt gebruikt: een continue meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van de ontsluiting en roosting uit installaties voor de concentratie van afvalzuren; en

    4. als het chlorideproces wordt gebruikt:

      1. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide;

      2. een continue meting van de emissieconcentratie van chloor afkomstig uit de voornaamste bronnen; en

      3. om het jaar een periodieke meting van de emissieconcentratie van zoutzuur.

Artikel 4.117

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

  3. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.

  4. Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.

  5. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  6. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.115 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.118

  1. Geautomatiseerde meetsystemen worden jaarlijks met parallelmetingen gecontroleerd.

  2. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.119

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste vier weken na de controle, bedoeld in artikel 4.118, eerste lid, geïnformeerd over de resultaten daarvan.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving