-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels;
het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of
het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.
-
Het verbod geldt niet, als:
het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
de activiteit uitvoering geeft aan:
- 1°
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°
een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
- 1°
-
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.
Besluit activiteiten leefomgeving Actueel
Inhoud
§ 11.2.2
Artikel 11.38
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of aanbieden voor verkoop van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten.
-
Het verbod geldt niet voor vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de vogelrichtlijn, die aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen of verkregen en op delen of producten van die vogels.
Artikel 11.39
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten.
-
Het verbod geldt niet, als:
de vogels, delen of producten aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen, of verkregen;
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
de activiteit deel uitmaakt van:
- 1°
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°
een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
- 1°
Artikel 11.40
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor:
het vangen of doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn met:
- 1°
middelen die worden genoemd in bijlage IV, onder a, bij die richtlijn;
- 2°
middelen, installaties of methoden voor het massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels; of
- 3°
middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen; en
- 1°
het achtervolgen van vogels van deze soorten met behulp van vervoermiddelen die worden genoemd in bijlage IV, onder b, bij de vogelrichtlijn, op de daar beschreven wijze.
-
Tot de middelen, installaties of methoden, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 2° en 3°, worden in ieder geval gerekend:
eendenkooien die worden gebruikt anders dan voor de uitoefening van de jacht;
bal-chatri;
het doden met middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld;
het vangen of doden met een middel waarmee elektronisch versterkte lokgeluiden kunnen worden gemaakt; en
het vangen of doden met een geweer dat is voorzien van een geluiddemper.
Artikel 11.41
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37 of 11.39 in gevallen aangewezen in een programma.
-
Het programma:
heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
- 1°
de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°
het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- 1°
wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
Artikel 11.42
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor:
een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, en 11.39, eerste lid, met betrekking tot vogels van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of hun nesten, rustplaatsen of eieren; of
een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.40, met betrekking tot bij de omgevingsverordening aangewezen middelen, installaties, methoden of vervoermiddelen.
Artikel 11.43
-
Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.42 worden aangewezen in een ministeriële regeling, als:
Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker om schadeveroorzakende vogels van de volgende soorten te bestrijden:
- 1°
de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);
- 2°
de houtduif (Columba palumbus);
- 3°
de kauw (Corvus monedula); of
- 4°
de zwarte kraai (Corvus corone corone).
- 1°
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, met betrekking tot:
dode of levende vogels van bij die regeling aangewezen soorten;
gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels; of
uit deze vogels verkregen producten.
Artikel 11.44
-
Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.41, 11.42 of 11.43 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
-
Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.42 of 11.43 en alleen als:
het bestrijden voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op die gronden, in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;
deze schade wordt veroorzaakt door vogels van in de omgevingsverordening of ministeriële regeling genoemde soorten en is aan te merken als:
- 1°
belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of
- 2°
schade aan flora of fauna; en
- 1°
voor zover het artikel 11.42 betreft, de in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten:
- 1°
niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
- 2°
in de provincie schade veroorzaken; en
- 3°
niet overeenkomen met de in artikel 11.43, eerste lid, onder b, genoemde soorten.
- 1°
-
Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.42 en alleen als het bestrijden:
voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de veiligheid van het luchtverkeer; en
betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten die:
- 1°
niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd; en
- 2°
in de provincie overlast veroorzaken.
- 1°
-
In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van vogels wordt in ieder geval bepaald:
welke van de middelen, installaties of methoden, bedoeld in de artikelen 8.74p en 8.74q van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor het vangen of doden zijn toegestaan, waarbij alleen middelen, installaties en methoden worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden;
voor welke tijd en plaats de aanwijzing geldt;
voor welke soorten vogels, of voor de nesten, rustplaatsen of eieren van welke soorten vogels, de aanwijzing geldt; en
op welke wijze het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
-
Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
-
De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.
Artikel 11.45
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, en 11.39, eerste lid, die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:
aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met de gedragscode; en
plaatsvinden in het kader van:
- 1°
het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°
een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw,
- 3°
een bestendig gebruik; of
- 4°
ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
- 1°
-
Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 8.74j, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat:
- 1°
geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
- 2°
de activiteiten met betrekking tot die vogels zorgvuldig worden verricht.
- 1°
-
Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten waartoe de vogels behoren; en
in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
- 1°
de vogels worden gedood;
- 2°
nesten van de vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, of rustplaatsen van vogels worden vernield; en
- 3°
eieren van de vogels worden vernield.
- 1°