Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 4.39

Kleinschalig tanken

Artikel 4.491

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het met een handpomp of een elektrische pomp tanken van voertuigen, vliegtuigen of werktuigen met vloeibare brandstoffen, als totaal niet meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

  2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken van ureum.

  3. Deze paragraaf is niet van toepassing op het tanken van drijvende werktuigen.

Artikel 4.492

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.491, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.493

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.491, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.494

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.495, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.495

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.491, met uitzondering van het tanken van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, voldaan aan:

  1. PGS 28 als vanuit een ondergrondse opslagtank wordt getankt; of

  2. PGS 30 als vanuit een bovengrondse opslagtank wordt getankt.

Artikel 4.496

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum wordt getankt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. De tankzuil en het vulpistool bevinden zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  3. Er wordt getankt door of onder direct toezicht van personeel.

Artikel 4.497

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool.

  2. Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

    1. de brandstoftank vol is; of

    2. het vulpistool valt.

Artikel 4.498

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van een aaneengesloten bodemvoorziening bij het tanken van vloeibare brandstoffen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.499

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.500

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.501

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving