Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 4.105

Benzineterminal

Artikel 4.1074

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een benzineterminal met een benzineopslagtank of een benzineoverslaginstallatie.

  2. In deze paragraaf wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.

Artikel 4.1075

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1074, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1076

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1074, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.1077

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van artikel 4.1082.

Artikel 4.1078

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp worden de buitenwand en het uitwendige dak van een bovengrondse benzineopslagtank geschilderd in een kleur waarvan de totale stralingshittereflectie ten minste 70% is.

  2. Er wordt geschilderd bij de periodieke onderhoudsbeurt van de bovengrondse benzineopslagtank.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als een benzineopslagtank is verbonden met een benzinedampterugwinningseenheid die voldoet aan de eisen voor een benzineoverslaginstallatie.

Artikel 4.1079

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp heeft een benzineopslagtank met een uitwendig drijvend dak een primaire afdichting die de ringvormige ruimte tussen de wand van de benzineopslagtank en de buitenste rand van het drijvende dak afdicht.

  2. Boven de primaire afsluiting is een secundaire afdichting.

  3. Door de primaire en secundaire afdichtingen wordt in vergelijking met een soortgelijke benzineopslagtank met vast dak zonder dampbeheersingsvoorzieningen ten minste 95% van de damp vastgehouden.

Artikel 4.1080

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp is een benzineopslagtank die onderdeel is van een benzineterminal:

    1. een benzineopslagtank met een vast dak die volgens de eisen aan een benzineoverslaginstallatie met de benzinedampterugwinningseenheid is verbonden; of

    2. een benzineopslagtank met een uitwendig of inwendig drijvend dak die een primaire en secundaire afdichting als bedoeld in artikel 4.1079 heeft.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als voorlopige dampopslag als bedoeld in artikel 4.1081, vierde lid, is toegestaan op een benzineopslagtank met een vast dak van benzineterminals.

Artikel 4.1081

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden bij een benzineoverslaginstallatie tijdens het vullen van een mobiele benzinetank, met uitzondering van het vullen van een tankwagen langs de bovenzijde, verplaatsingsdampen via een dampdichte leiding teruggevoerd naar een benzinedampterugwinningseenheid.

  2. Als dampterugwinning onveilig of technisch niet mogelijk is door de hoeveelheden retourdamp, kan een benzinedampterugwinningseenheid worden vervangen door een dampverbrandingseenheid.

  3. Als een mobiele benzinetank langs de bovenzijde wordt gevuld, wordt het uiteinde van de vularm onderin de mobiele benzinetank gehouden.

  4. Als op een benzineterminal het benzinedebiet minder is dan 25.000 ton/jaar, kan directe dampterugwinning op de benzineterminal worden vervangen door voorlopige dampopslag in een benzineopslagtank met een vast dak op een benzineterminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere benzineterminal, daaronder niet begrepen de overbrenging van damp van de ene naar de andere benzineopslagtank op een benzineterminal.

  5. Het benzinedebiet is de grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine, gemeten in de drie voorafgaande jaren, die van een benzineopslagtank van een benzineterminal is overgeslagen in een mobiele benzinetank.

Artikel 4.1082

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is bij een benzineoverslaginstallatie de gemiddelde concentratie dampen in de afvoer van een benzinedampterugwinningseenheid of een dampverbrandingseenheid, gecorrigeerd voor de verdunning tijdens de behandeling, lager dan 0,15 g/Nm3 voor een uur.

Artikel 4.1083

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de concentratie dampen, bedoeld in artikel 4.1082, wordt verhoogd, bevat een concentratie die lager is dan 35 g/Nm3.

Artikel 4.1084

De nauwkeurigheid van de meting bij de benzineoverslaginstallatie is ten minste 95% van de gemeten waarde.

Artikel 4.1085

  1. Concentratiedampen bij een benzineoverslaginstallatie worden ten minste zeven uur achtereenvolgens met normaal debiet gemeten.

  2. Er wordt continu of periodiek gemeten.

  3. Een periodieke meting wordt ten minste vier keer per uur verricht.

Artikel 4.1086

Het totaal aan meetfouten als gevolg van de gebruikte apparatuur, het kalibratiegas en het toegepaste procedé bij een benzineoverslaginstallatie is niet meer dan 10% van de gemeten waarde.

Artikel 4.1087

De apparatuur die wordt gebruikt bij het meten bij een benzineoverslaginstallatie kan concentraties meten die lager zijn dan 3 g/Nm3.

Artikel 4.1088

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden aansluitingen en leidingen van een benzineoverslaginstallatie regelmatig op lekken gecontroleerd.

  2. Als er een damplek is, worden geen tankwagens gevuld.

  3. Er is op het benzinelaadportaal een mechanisme aanwezig dat het vullen onderbreekt, als er een damplek is.

Artikel 4.1089

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is het normale laaddebiet van benzine per vularm op een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie niet meer dan 2.500 l/m.

Artikel 4.1090

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht geeft het dampopvangsysteem van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie, met inbegrip van de benzinedampterugwinningseenheid, een tegendruk van ten hoogste 55 millibar aan de voertuigzijde van de dampopvangadapter bij piekbelasting van een benzineterminal.

Artikel 4.1091

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een tankwagen bij een benzineoverslaginstallatie alleen langs de onderzijde worden gevuld als het vultoelatingssignaal is gegeven door de gecombineerde aardings- en overloopbedieningseenheid.

  2. Als een tankwagen langs de onderzijde wordt gevuld, is de dampopvangslang met de tankwagen verbonden en stroomt de verplaatste damp vrij van de tankwagen naar de dampopvangvoorziening van de benzineterminal.

  3. Bij overloop of onderbreking van de aarding van een tankwagen sluit de bedieningseenheid van het benzinelaadportaal de vulcontroleklep aan het benzinelaadportaal.

Artikel 4.1092

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden bij een benzineoverslaginstallatie dampen die worden opgeslagen in een benzineopslagtank met vast dak voor voorlopige dampopslag via een dampdichte leiding teruggevoerd naar de mobiele benzinetank van waaruit de benzine wordt geleverd.

Artikel 4.1093

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft een benzineterminal met een benzineoverslaginstallatie voor het vullen van tankwagens ten minste een benzinelaadportaal.

Artikel 4.1094

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft de vularm van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie een vrouwelijke vloeistofaansluiting die kan worden gekoppeld aan een mannelijke API 1004-adapter van 101,6 mm op de tankwagen, volgens API 1004.

  2. De dampopvangslang van het benzinelaadportaal heeft een vrouwelijke nok-groef-dampopvangaansluiting die kan worden gekoppeld aan een mannelijke nok-groef-adapter van 101,6 mm op de tankwagen, volgens API 1004.

Artikel 4.1095

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie een overloopdetectiebedieningseenheid.

  2. Als een benzinelaadportaal wordt verbonden met een tankwagen, geeft de overloopdetectiebedieningseenheid een faalveilig vultoelatingssignaal wanneer de compartimentsoverloopsensoren geen hoog peil signaleren.

Artikel 4.1096

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is de bedieningseenheid van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie via een kabel waaraan een contrasteker is bevestigd, verbonden met de steker op de tankwagen via een standaard 10-pens elektrische contactdoos.

  2. De bedieningseenheid van een vulportaal is geschikt voor tweedraads thermistorsensoren, tweedraads optische sensoren, vijfdraads optische sensoren of gelijkwaardige sensoren op een tankwagen.

Artikel 4.1097

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie via de gemeenschappelijke retourdraad van de overloopsensoren verbonden met een tankwagen.

  2. De retourdraad is via het chassis van een tankwagen verbonden met pen 10 van de steker.

  3. Pen 10 van de contrasteker is verbonden met de omsluiting van de bedieningseenheid.

  4. De omsluiting is verbonden met de aarding van het benzinelaadportaal.

Artikel 4.1098

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt bij het ontwerp van de vloeistoflaadvoorzieningen en dampopvangvoorzieningen aan een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie uitgegaan van een verbindingssysteem dat voldoet aan de volgende eisen:

  1. de hoogte van de hartlijn van de vloeistofadapters is tussen 0,7 en 1 m;

  2. als de vloeistofadapters ongeladen zijn, is de hartlijn niet meer dan 1,4 m;

  3. als de vloeistofadapters geladen zijn, is de hartlijn ten minste 0,5 m;

  4. de horizontale afstand tussen de vloeistofadapters is ten minste 0,25 m;

  5. de vloeistofadapters bevinden zich op een lengte van niet meer dan 2,5 m;

  6. de dampopvangadapter bevindt zich bij voorkeur rechts van de vloeistofadapters op een hoogte van:

    1. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of

    2. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is;

  7. de aarding of overloopdetectie bevindt zich rechts van de vloeistofopvangadapters en dampopvangadapters op:

    1. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of

    2. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is; en

  8. het systeem bevindt zich in zijn geheel aan een zijde van de tankwagen.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving