Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 8.2.2

Kabels en leidingen

Artikel 8.19

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels of leidingen in de bodem in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, met inbegrip van:

    1. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; en

    2. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.

  2. Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

Artikel 8.20

  1. Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 8.19 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. voor het bouwen, aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:

      1. een beschrijving van de soort kabel of leiding;

      2. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;

      3. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten;

      4. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;

      5. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en

      6. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;

    2. voor het in stand houden van een kabel of leiding:

      1. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en

      2. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten; en

    3. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:

      1. een beschrijving van de wijze van verwijderen; en

      2. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen met een woonfunctie en de daarbij behorende erven, tenzij de kabel of leiding de kadastrale grens van het perceel kruist.

Artikel 8.21

  1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1:

    1. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en

    2. de verwachte duur ervan.

  2. Dit artikel is niet van toepassing op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen met een woonfunctie en de daarbij behorende erven, tenzij de kabel of leiding de kadastrale grens van het perceel kruist.

Artikel 8.22

Uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z- coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1.

Artikel 8.23

  1. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een ontgraving:

    1. beperkt tot een zo klein mogelijk profiel;

    2. op dezelfde dag dat deze wordt gemaakt gedicht met de uitkomende grond of aangevoerde grond met vergelijkbare hydrologische en texturele eigenschappen; en

    3. niet verricht tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang.

  2. De bekleding of verharding van de weg worden niet opgebroken.

  3. De afwatering van de weg wordt niet belemmerd.

Artikel 8.24

  1. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een kabel of leiding gelegd:

    1. buiten de verharding van de weg;

    2. op een afstand van ten minste 2,5 m van de aanwezige bomen, gemeten vanuit de as van de bomenrij als er een bomenrij is;

    3. op een afstand van ten minste 1,5 m van andere beplanting, met uitzondering van gras;

    4. als de kabel of leiding parallel aan een bermsloot wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de insteek van de bermsloot;

    5. als de kabel of leiding parallel aan een talud wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de teen van het talud; en

    6. als de kabel of leiding parallel aan een geleiderailconstructie wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf die constructie.

  2. De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding.

  3. Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden.

  4. In de berm van de weg is de gronddekking boven een kabel of leiding ten minste 0,8 m. De gronddekking bestaat uit twee lagen.

  5. Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 m.

Artikel 8.25

  1. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt bij een kruising van een kabel of leiding met een weg:

    1. een mantelbuis gebruikt; en

    2. een gestuurde boring toegepast.

  2. Als de boring bij een kruising mislukt, wordt:

    1. de mantelbuis niet teruggetrokken;

    2. een nieuwe kruising gemaakt; en

    3. de in het weglichaam achtergebleven mantelbuis geheel opgevuld met dämmer en aan beide zijden waterdicht afgestopt.

  3. Als een gestuurde boring onevenredige meerkosten met zich meebrengt of niet uitvoerbaar is, kan een persing worden toegepast.

Artikel 8.26

  1. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt geboord of geperst volgens de Richtlijn Boortechnieken en open ontgraving voor kabels en leidingen.

  2. Bij het boren is controleerbaar of de inhoud van de hoeveelheid uitkomende grond ongeveer gelijk is aan de inhoud van de voorwaartse verplaatsing van de persbuis, waarbij rekening wordt gehouden met de uitlevering van de grond.

  3. Bij het verwijderen van de grond aan de voorzijde van de buis wordt niet uitgeboord.

Artikel 8.27

  1. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg is bij een boring de afstand tussen de bovenkant van de verharding en de bovenkant van de leiding of kabel ten minste 2,5 m.

  2. Een boring wordt op ten minste 5 m afstand van een andere kabel of leiding verricht.

Artikel 8.28

  1. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg liggen het intredepunt en het uittredepunt van een mantelbuis, van waaruit wordt geboord, buiten het weglichaam.

  2. De lengte van een mantelbuis bestrijkt ten minste een spreidingszone onder 45° vanuit de zijkant van de wegconstructie.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving