-
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen in de bodem in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, met inbegrip van:
het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken, die daarmee samenhangen; en
het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.
-
Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.
Besluit activiteiten leefomgeving Actueel
Inhoud
§ 9.2.1
Artikel 9.20
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.19, voor zover het gaat om het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van:
elektriciteitskabels met een spanningsniveau van meer dan 1 kV in langsligging; en
beschermbuizen voor kabels of leidingen die het spoor kruisen en die:
- 1°
een diameter van meer dan 600 mm hebben;
- 2°
op een diepte van minder dan 6 m onder het maaiveld liggen; of
- 3°
anders dan met een horizontaal gestuurde boring worden aangelegd.
- 1°
Artikel 9.21
-
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.19 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.
-
Een melding bevat:
voor het bouwen, aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:
- 1°
een beschrijving van de soort kabel of leiding;
- 2°
een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
- 3°
de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart;
- 4°
bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
- 5°
als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een werkplan; en
- 6°
als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
- 1°
voor het in stand houden van een kabel of leiding:
- 1°
een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
- 2°
de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart; en
- 1°
voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:
- 1°
een kabelverwijderingsplan; en
- 2°
de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.
- 1°
-
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
-
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.20; en
op het in de beschermingszone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg bouwen, aanleggen of plaatsen van:
- 1°
gasleidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
- 2°
waterleidingen met een diameter van ten hoogste 44 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
- 3°
drukloze rioleringsbuizen met een diameter van ten hoogste 160 mm; of
- 4°
overige kabels en leidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar.
- 1°
Artikel 9.22
-
Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:
de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
de verwachte duur ervan.
-
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.20.
Artikel 9.23
Uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten op de basisbeheerkaart verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1.
Artikel 9.24
-
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een ontgraving:
beperkt tot een zo klein mogelijk profiel; en
onverwijld na de werkzaamheden gedicht met de uitkomende grond, in de oorspronkelijke volgorde, of met aangevoerde grond met vergelijkbare hydrologische en texturele eigenschappen.
-
De gedichte sleuf wordt gedurende een jaar onderhouden.
Artikel 9.25
-
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een kabel of leiding in een sleuf, koker of goot op een diepte van ten minste 0,6 m gelegd.
-
Kabels en leidingen worden zoveel mogelijk geconcentreerd en gebundeld gelegd.
-
Als een kabel of leiding parallel aan andere kabels, leidingen of beschermbuizen wordt gelegd, wordt deze op een afstand van ten minste 0,2 m vanaf die kabels, leidingen of beschermbuizen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel of leiding.
-
Als andere kabels of leidingen worden gekruist:
wordt de kabel of leiding onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;
wordt de kabel of leiding op een afstand van ten minste 0,2 m vanaf de bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis; en
wordt de kabel of leiding aangelegd in een beschermbuis als de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of mantelbuizen minder dan 0,8 m is, waarbij de buitenzijde van de beschermbuis tot ten minste 0,8 m voorbij de buitenzijde van de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen reikt.
Artikel 9.26
-
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt bij een kruising van een kabel of leiding met een hoofdspoorweg:
een beschermbuis gebruikt; en
een horizontaal gestuurde boring toegepast.
-
Als de boring bij een kruising mislukt, wordt:
de beschermbuis niet teruggetrokken; en
de in het baanlichaam achtergebleven beschermbuis geheel opgevuld met dämmer en aan beide zijden waterdicht afgestopt.
Artikel 9.27
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt geboord volgens de Technische Voorschriften bij vergunningen voor kabels en leidingen langs, onder en boven de spoorweg.
Artikel 9.28
-
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een boring in zandgrond op ten minste 5 m en in andere grond op ten minste 10 m afstand van een andere kabel of leiding verricht.
-
Een boring wordt op ten minste 10 m afstand van de fundering van een viaduct verricht.
Artikel 9.29
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg liggen het intredepunt en het uittredepunt van een beschermbuis, van waaruit wordt geboord, buiten het beperkingengebied.