Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 11.2.7

De uitoefening van de jacht

Artikel 11.64

  1. De verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, gelden niet bij de uitoefening van de jacht door:

    1. de jachthouder;

    2. degenen die in het gezelschap van de jachthouder zijn;

    3. de jachtopzichter van de jachthouder die:

      1. beschikt over een door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming;

      2. zorg draagt voor de bescherming van de jachtbelangen van de jachthouder; en

      3. ook als buitengewoon opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde feiten die betrekking hebben op de daar genoemde bepalingen van de Omgevingswet en van de overige in de akte of aanwijzing, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangeduide strafbare feiten; of

    4. een ander die beschikt over een daartoe door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, in het geval dat de jachthouder:

      1. een natuurlijke persoon is aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;

      2. een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is; of

      3. een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is, die naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren in voldoende mate verzekert.

  2. De door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder c en d:

    1. is voorzien van een aantekening van de korpschef waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 11.76, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer;

    2. is voorzien van de namen, voornamen en geboortedata van degenen aan wie de toestemming wordt verleend; en

    3. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgend op de datum van ondertekening van de toestemming.

  3. Voor een aan een jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet het vereiste dat die is voorzien van een aantekening van de korpschef.

  4. Voor een aan een ander dan de jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet het vereiste dat diens personalia worden vermeld, als:

    1. die ander de jacht uitoefent in het gezelschap van degene aan wie de jachthouder toestemming heeft verleend;

    2. de jachthouder de uitoefening van de jacht door derden in die toestemming uitdrukkelijk heeft toegestaan; en

    3. aan die ander een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van uitoefening van de jacht geldig is.

Artikel 11.65

De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid, van de wet te handhaven, of, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door dat wild te voorkomen.

Artikel 11.66

  1. De jacht wordt niet uitgeoefend:

    1. voor zonsopgang en na zonsondergang;

    2. op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen;

    3. op begraafplaatsen;

    4. vanaf of vanuit een voertuig;

    5. vanaf of vanuit een vaartuig;

    6. vanuit een luchtvaartuig; of

    7. als de grond met sneeuw is bedekt.

  2. De jacht wordt niet uitgeoefend op wild:

    1. als dat zich als gevolg van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein;

    2. voor zover dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs;

    3. voor zover dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen;

    4. dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert; of

    5. binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om dat wild te lokken.

Artikel 11.67

  1. In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder a, mag de jacht op de wilde eend ook gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang worden uitgeoefend.

  2. In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend vanaf of vanuit een vaartuig dat vaart met een snelheid van ten hoogste 5 km/u.

  3. In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder g, mag de jacht ook als de grond met sneeuw is bedekt worden uitgeoefend op:

    1. wilde eenden of houtduiven; of

    2. konijnen, hazen of fazanten, als deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.

  4. In afwijking van artikel 11.66, tweede lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om wild te lokken, als gebruik wordt gemaakt van een eendenkooi.

Artikel 11.68

De jacht op een wildsoort wordt alleen uitgeoefend als de jacht op die wildsoort bij ministeriële regeling is geopend.

Artikel 11.69

Met een maatwerkregel kan de jacht op wildsoorten alleen worden gesloten, in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.

Artikel 11.70

Bij het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, onder d, van de wet mag worden bedongen dat, als een onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft wordt opgenomen in een herverkavelingsakte als bedoeld in artikel 16.136, eerste lid, van de wet, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de huurovereenkomst, voor zover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.

Artikel 11.71

  1. Bij de uitoefening van de jacht worden geen andere middelen gebruikt dan:

    1. geweren;

    2. honden, met uitzondering van lange honden;

    3. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis) of slechtvalken (Falco peregrinus);

    4. eendenkooien;

    5. lokeenden of lokduiven, die niet blind of verminkt zijn;

    6. fretten;

    7. buidels; of

    8. schermen.

  2. De jacht wordt niet uitgeoefend als zich in het veld andere middelen bevinden die geschikt zijn voor het vangen of doden van dieren dan de in het eerste lid genoemde middelen.

  3. Degene die zich in het veld bevindt met voor de jacht toegestane middelen of met andere middelen waarmee kan worden gejaagd, wordt geacht zich daarmee bij de uitoefening van de jacht in het veld te bevinden, tenzij het tegendeel blijkt.

  4. De jacht wordt niet uitgeoefend met het geweer binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving