Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 6.2.3

Onttrekken van water

Artikel 6.34

  1. Deze paragraaf is van toepassing op:

    1. het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;

    2. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk; en

    3. het in de bodem brengen van water voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.

  2. Deze paragraaf is ook van toepassing op het bouwen of in stand houden van een instroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.

Artikel 6.35

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, tweede lid.

Artikel 6.36

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, als:

    1. het innamedebiet meer is dan 1.800 m3/u, de instroomsnelheid meer is dan 0,15 m/s en de activiteit wordt verricht in de Waddenzee, de Eems, de Dollard, de Westerschelde, de Oosterschelde, het Grevelingenmeer, de Nieuwe Waterweg, het Calandkanaal, het Breediep, de Nieuwe Maas ten westen van de A16, de Buitenhaven van IJmuiden, het Slijkgat of het Veerse Meer;

    2. het innamedebiet meer is dan 100 m3/u en de activiteit wordt verricht in een ander oppervlaktewaterlichaam dan genoemd onder a;

    3. de instroomsnelheid meer is dan 0,30 m/s; of

    4. water wordt onttrokken in samenhang met een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 of paragraaf 6.2.7.

  2. Het verbod geldt niet voor baggerwerkzaamheden.

Artikel 6.37

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c.

  2. Het verbod geldt niet voor:

    1. een bronbemaling of proefbemaling, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 100 m3/u en in totaal niet meer dan 100.000 m3;

    2. beregening, bevloeiing of veedrenking, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 60 m3/u; en

    3. in andere gevallen, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 10 m3/u.

Artikel 6.37a

  1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, wordt de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water gemeten met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

  2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder c, wordt de kwaliteit van het in de bodem te brengen water gemeten en geanalyseerd volgens de in tabel 6.37a opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.

  3. De analyse van de monsters vindt plaats volgens de op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van het Drinkwaterbesluit gestelde regels.

Artikel 6.37b

Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens verstrekt:

  1. de in het voorafgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en in de bodem gebracht water; en

  2. de kwaliteit van het in de bodem gebrachte water.

Artikel 6.38

  1. Waterschaarste en dreigende waterschaarste zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet.

  2. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, kan voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet.

  3. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving