Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 4.127

Middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen

Artikel 4.1338

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW, met uitzondering van:

    1. stookinstallaties waarop paragraaf 4.3, 4.4, 4.7 of 4.126 van toepassing is;

    2. stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;

    3. stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten om de omstandigheden op de arbeidsplaats te verbeteren;

    4. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;

    5. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;

    6. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;

    7. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;

    8. in de chemische industrie gebruikte reactoren;

    9. cokesovens;

    10. windverhitters van hoogovens;

    11. crematoria;

    12. stookinstallaties die raffinaderijbrandstof eventueel gemengd met andere brandstof gebruiken voor het opwekken van energie binnen olieraffinaderijen en gasraffinaderijen;

    13. terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp; of

    14. stookinstallaties die volgens een eerder verleende omgevingsvergunning worden gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken om de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxiden of totaal stof te verminderen.

  2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

    1. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd; of

    2. het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld dat de afgassen van die stookinstallatie op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden afgevoerd en het bevoegd gezag in dat maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld welke stookinstallaties deel uitmaken van het samenstel van stookinstallaties.

  3. In deze paragraaf wordt onder ketel verstaan: stookinstallatie waarbij de opgewekte warmte wordt overgedragen aan water, stoom of een combinatie daarvan.

Artikel 4.1339

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1338, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof.

Artikel 4.1340

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift, gesteld na 1 januari 2024, worden de emissiegrenswaarden in deze paragraaf niet versoepeld voor stookinstallaties waarop voor die datum een emissiegrenswaarde van toepassing was.

Artikel 4.1341

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstof wordt een stookinstallatie die daarmee wordt gestookt, gevuld en geleegd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1342

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt de periode van het opstarten of stilleggen van een stookinstallatie zo kort mogelijk gehouden.

Artikel 4.1343

  1. De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.1346 tot en met 4.1350, gelden niet voor een stookinstallatie die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is, met uitzondering van een dieselmotor die wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net beschikbaar is en geen geplande bedrijfsnoodzakelijke test wordt verricht.

  2. Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie per jaar in bedrijf is wordt het aantal uren dat een stookinstallatie in bedrijf is:

    1. maandelijks geregistreerd; of

    2. halfjaarlijks geregistreerd, als de stookinstallatie ligt op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform.

Artikel 4.1344

  1. Ten minste vier weken voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, bedoeld in artikel 4.1343, wordt een verklaring verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, dat de stookinstallatie ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf zal zijn.

  2. Als een verklaring is verstrekt en het aantal bedrijfsuren in een kalenderjaar de grens van 500 uur overschrijdt, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd en komt de verklaring te vervallen.

Artikel 4.1345

  1. De emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof worden omgerekend naar een volumegehalte aan zuurstof van:

    1. 15% in afgas, als het gaat om een dieselmotor, een gasturbine of een gasmotor;

    2. 6% in afgas, als het gaat om een stookinstallatie voor vaste brandstoffen; en

    3. 3% in afgas, als het gaat om een andere stookinstallatie.

  2. De emissies van stikstofoxiden worden berekend als stikstofdioxide.

Artikel 4.1346

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1346.

Tabel 4.1346 Emissiegrenswaarden gasturbine

Brandstof

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Vloeibare brandstof

50

65

10

Gasvormige brandstof

50

15

Artikel 4.1347

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1347.

Tabel 4.1347 Emissiegrenswaarden dieselmotor

Nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Ten hoogste 5 MW

150

65

20

Meer dan 5 MW

150

65

10

Artikel 4.1348

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1348.

Tabel 4.1348 Emissiegrenswaarden gasmotor

Nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Minder dan 2,5 MW

115

15

Ten minste 2,5 MW

35

15

Artikel 4.1349

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie, anders dan een gasturbine of zuigermotor, zijn de emissiegrenswaarden:

  1. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1349; en

  2. voor ammoniak, voor zover een ketel in gebruik is genomen na de inwerkingtreding van dit besluit en wordt gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa:

    1. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en

    2. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.

Tabel 4.1349 Emissiegrenswaarden stookinstallatie anders dan gasturbine of zuigermotor

Brandstof

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Vaste brandstof, met uitzondering van rie-biomassa

100

200

5

Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa

120

200

5

Rie-biomassa

100

60

5

Gasvormige brandstof, anders dan cokesovengas of hoogovengas

70

35

Cokesovengas

100

35

Hoogovengas

100

35

Artikel 4.1349a

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde voor ammoniak, bedoeld in artikel 4.1349, eerste lid, onder b, wordt verhoogd, bevat bij toepassing van:

  1. selectieve katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 10 mg/Nm3; en

  2. selectieve niet-katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 20 mg/Nm3.

Artikel 4.1350

Voor de emissie in de lucht van een ketel die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is die wordt gestookt op een vaste brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 100 mg/Nm3.

Artikel 4.1351

Voor een stookinstallatie die ten hoogste zes maanden een stookinstallatie vervangt die buiten bedrijf is gesteld in verband met onderhoud, reparatie of definitieve vervanging en is afgekoppeld van de brandstoftoevoer of van het stoomnet of elektriciteitsnet waaraan zij levert, zijn de emissiegrenswaarden de waarden voor de stookinstallatie die buiten bedrijf is.

Artikel 4.1352

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in de artikelen 4.1346 tot en met 4.1350 en 4.1370 tot en met 4.1374, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een periodieke meting of parallelmeting zijn de volgende normen van toepassing:

    1. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    2. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    3. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;

    4. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791; en

    5. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.

  3. Op het verrichten van een continue meting zijn de volgende normen van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en

    2. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181 en NVN-CEN TS 17198.

Artikel 4.1353

  1. Er wordt periodiek of continu gemeten of aan de emissiegrenswaarden van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof wordt voldaan.

  2. De emissieconcentratie van stikstofoxiden, zwaveldioxide, ammoniak en totaal stof van een stookinstallatie wordt continu gemeten als emissiereductietechnieken worden toegepast.

  3. In afwijking van het tweede lid kan periodiek worden gemeten als een logboek wordt bijgehouden waaruit blijkt dat de emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.

  4. De emissieconcentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1351 binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie periodiek gemeten.

  5. De meting van zwaveldioxide is niet verplicht als aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan door brandstof te stoken met een bekend zwavelgehalte bij een stookinstallatie die niet is uitgerust met apparatuur voor het verminderen van de emissie van zwaveldioxide.

Artikel 4.1354

  1. Een periodieke meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1354.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

  4. Een periodieke meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1352 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1355

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  2. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1356

  1. Bij een stookinstallatie wordt periodiek gemeten:

    1. binnen vier weken nadat een emissiegrenswaarde van toepassing is; of

    2. voorafgaand aan het van toepassing worden van een emissiegrenswaarde.

  2. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW wordt elk jaar periodiek gemeten.

  3. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 20 MW wordt elke drie jaar periodiek gemeten.

  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform wordt elke vier jaar periodiek gemeten.

Artikel 4.1357

Als geen van de gevalideerde meetresultaten, bedoeld in artikel 4.1354, hoger is dan de desbetreffende emissiegrenswaarde, wordt aan die emissiegrenswaarde voldaan.

Artikel 4.1358

  1. Periodieke metingen zijn representatief voor normale bedrijfsvoering als het brandstofmengsel wordt gebruikt dat de hoogste emissie zal opleveren.

  2. Een periodieke meting bij een ketel wordt verricht bij een belasting van meer dan 60%. Een eenmalige meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine wordt verricht bij de hoogste belasting waarbij deze continu kan worden gebruikt.

  3. Een periodieke meting bij een gasturbine, met een ketel die daarbij hoort, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de ketel.

Artikel 4.1359

  1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

  2. Een parallelmeting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1352 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1360

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.1359.

  2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  3. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1361

  1. Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde daggemiddelden.

  2. Het gevalideerde daggemiddelde is het daggemiddelde verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid. De aangetoonde meetonzekerheid is niet meer dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1361.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

Artikel 4.1362

  1. Als bij een continue meting geen van de gevalideerde daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarden, wordt aan de emissiegrenswaarde voldaan.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid worden bij een continue meting niet meegerekend:

    1. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen; en

    2. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens storingen.

Artikel 4.1363

  1. De metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

  2. Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.1364

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing.

  2. Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.1365

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een stookinstallatie die als gevolg van een storing niet aan de emissiegrenswaarden kan voldoen uiterlijk 120 uren na het optreden van de storing in bedrijf blijven, met een maximum van 120 uren per kalenderjaar.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een stookinstallatie:

    1. op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform;

    2. waarvan de storing redelijkerwijs niet binnen 120 uren kan worden hersteld; en

    3. waarvan de storing binnen de termijn blijft die is gesteld door het Staatstoezicht op de mijnen.

  3. Tijdens een storing die samenhangt met de brandstof die wordt gestookt kan een vervangende brandstof worden gestookt en zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing.

  4. Bij een storing in de meetapparatuur worden geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie aangebracht die een significante toename van de emissie met zich mee kunnen brengen.

Artikel 4.1366

Het Staatstoezicht op de mijnen wordt ten hoogste 120 uur na een storing bij een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1365, tweede lid, schriftelijk geïnformeerd over de reden van de storing en van het niet-tijdige herstel.

Artikel 4.1367

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd als niet aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan, over de oorzaak dat niet wordt voldaan, en de maatregelen die worden getroffen om zo spoedig mogelijk weer aan de emissiegrenswaarden te voldoen.

Artikel 4.1368

De volgende gegevens worden ten minste zes jaar bij de stookinstallatie bewaard:

  1. de registratie van het aantal draaiuren, bedoeld in artikel 4.1343, tweede lid;

  2. de resultaten van de laatst verrichte metingen en andere gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden;

  3. een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen;

  4. een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur; en

  5. een overzicht van de gevallen van niet-voldoen aan de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen.

Artikel 4.1369

  1. Als een stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen, zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in deze paragraaf, van toepassing vanaf:

    1. 1 januari 2030, voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW; en

    2. 1 januari 2025, voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op glycolfornuizen.

Artikel 4.1370

  1. Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op cokesovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 130 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op hoogovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  3. Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op vloeibare brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1371

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 20 MW is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de dieselmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1372

  1. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op cokesovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 130 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op hoogovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1373

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine of zuigermotor die wordt gestookt op gasvormige brandstof anders dan cokesovengas, is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 200 mg/Nm3, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1374

Voor de emissie in de lucht van een ketel die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die wordt gestookt op een vaste brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 200 mg/Nm3, als de ketel voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1374a

Voor een stookinstallatie, anders dan een gasturbine of zuigermotor, die wordt gestookt op rie-biomassa en die voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf was, zijn de emissiegrenswaarden voor de emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1374a.

Tabel 4.1374a Overgangsrecht emissiegrenswaarden rie-biomassa gestookte installatie

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa

145

200

5

Artikel 4.1375

  1. Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 1 januari 2025 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 2030 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  3. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW kan tot 1 januari 2025 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  4. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW kan tot 1 januari 2030 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving