-
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, met uitzondering van:
een stookinstallatie voor het drogen of behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas;
technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;
reactoren die in de chemische industrie worden gebruikt;
cokesovens;
windverhitters van hoogovens;
technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
gasturbines en gasmotoren die op offshoreplatforms worden gebruikt; en
afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties als bedoeld in paragraaf 4.4.
-
Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 15 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:
de afgassen van die stookinstallaties via een schoorsteen worden afgevoerd; of
de afgassen op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een schoorsteen kunnen worden afgevoerd.
-
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
grote stookinstallatie: stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, ongeacht het type brandstof dat wordt toegepast; en
bestaande grote stookinstallatie: grote stookinstallatie die op 30 oktober 1999, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was of waarvoor een vergunning was verleend en die uiterlijk op 30 oktober 2000 in bedrijf is genomen.
Besluit activiteiten leefomgeving Actueel
Inhoud
§ 4.3
Artikel 4.30
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.29, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.
Artikel 4.31
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van de artikelen 4.34, 4.36, 4.45, 4.55 en 4.57.
Artikel 4.32
-
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn de emissiegrenswaarden in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38, 4.39 en 4.39a van toepassing op de emissies in de lucht afkomstig van alle gemeenschappelijke schoorstenen in relatie tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.
-
Bij een uitbreiding van een bestaande grote stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het uitgebreide gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie waarop de wijziging betrekking heeft. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld op grond van het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.
-
Bij een wijziging van een bestaande grote stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een gedeelte van een bestaande grote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie dat is gewijzigd in verhouding tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.
-
Alle emissiegrenswaarden zijn betrokken op een volumegehalte aan zuurstof van:
6% in afgas, als het gaat om een grote stookinstallatie voor vaste brandstoffen;
15% in afgas, als het gaat om een gasturbine of een gasmotor; en
3% in afgas, als het gaat om een andere grote stookinstallatie.
Artikel 4.33
Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze afgevoerd door een schoorsteen waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.
Artikel 4.34
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide de waarden, bedoeld in tabel 4.34, gemeten in een continue of periodieke meting.
Type brandstof | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 |
Vaste of vloeibare brandstoffen: vaste biomassa | 60 |
Vloeibare brandstoffen: gasturbine of dieselmotor | 60 |
Vaste of vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie, anders dan gasturbine of dieselmotor | 150 |
Vaste of vloeibare brandstoffen: overig | 80 |
Gasvormige brandstoffen: vloeibaar gemaakt gas | 5 |
Gasvormige brandstoffen: cokesovengas of hoogovengas in gasmotor of gasturbine | 60 |
Gasvormige brandstoffen: cokesovengas in andere stookinstallatie | 220 |
Gasvormige brandstoffen: hoogovengas in andere stookinstallatie | 150 |
Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen | 35 |
Artikel 4.35
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.34, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:
voor de stookinstallatie voor 27 november 2002 een vergunning was verleend of een volledige aanvraag om een vergunning was ingediend;
de stookinstallatie uiterlijk op 27 november 2003, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was; en
de stookinstallatie wordt gestookt met gassen met lage calorische waarde, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen.
Artikel 4.36
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden de waarden, bedoeld in tabel 4.36, gemeten in een continue of periodieke meting.
Type brandstof | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 |
Vaste brandstoffen | 100 |
Vloeibare brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG | 50 |
Vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie | 150 |
Vloeibare brandstoffen: andere grote stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50-100 MW | 120 |
Vloeibare brandstoffen: overige grote stookinstallatie | 85 |
Gasvormige brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG | 35 |
Gasvormige brandstoffen: gasmotor | 33 |
Gasvormige brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als het gaat om een gasturbine, met inbegrip van een STEG | 60 |
Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie, als wordt gestookt met aardgas | 70 |
Gasvormige brandstoffen: andere bestaande grote stookinstallatie | 100 |
Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie | 80 |
Artikel 4.37
-
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 35 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, zesde rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie waarvoor een vergunning is verleend voor 17 augustus 2017 en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 50 mg/Nm3.
-
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 60 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, achtste rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie met een bedrijfstijd van minder dan 1.500 uur per jaar en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 75 mg/Nm3.
-
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, negende rij, wordt verhoogd voor een bestaande grote stookinstallatie die wordt gestookt met aardgas en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 100 mg/Nm3, tenzij het gaat om een gasturbine of gasmotor.
-
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, tiende rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie op grond van technische kenmerken en passend binnen de grenzen van Uitvoeringsbesluit grote stookinstallaties, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 150 mg/Nm3.
Artikel 4.38
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor koolmonoxide de waarden, bedoeld in tabel 4.38, gemeten in een continue of periodieke meting.
Type brandstof | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 |
Gasvormige brandstoffen | 100 |
Vloeibare brandstoffen: gasturbine, met inbegrip van een STEG | 100 |
Artikel 4.39
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.39, gemeten in een continue of periodieke meting.
Type brandstof | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 |
Vaste of vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie | 20 |
Vaste of vloeibare brandstoffen: andere grote stookinstallatie | 5 |
Gasvormige brandstoffen: hoogovengas | 5 |
Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen | 5 |
Artikel 4.39a
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zoutzuur, waterstoffluoride, kwik, de som van dioxinen en furanen, formaldehyde, gasvormige en vluchtige organische stoffen en ammoniak, de waarden, bedoeld in tabel 4.39a, gemeten in een periodieke meting.
Stof | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 , µg/Nm3 of ng TEQ/Nm3 |
Zoutzuur: procesbrandstof uit chemische industrie | 5 mg/Nm3 |
Zoutzuur: bestaande grote stookinstallatie, procesbrandstof uit chemische industrie | 9 mg/Nm3 |
Zoutzuur: biomassa <100 MWth, voor een stookinstallatie met een vergunning verleend voor 14 juni 2019 | 15 mg/Nm3 |
Zoutzuur: overige biomassa | 8 mg/Nm3 |
Zoutzuur: overige vaste brandstof | 3 mg/Nm3 |
Waterstoffluoride: biomassa | 1 mg/Nm3 |
Waterstoffluoride: overige vaste en vloeibare brandstof | 2 mg/Nm3 |
Kwik: biomassa | 5 µg/Nm3 |
Kwik: bestaande grote stookinstallatie, overige vaste brandstof | 4 µg/Nm3 |
Kwik: overige vaste brandstof | 2 µg/Nm3 |
Som van dioxinen en furanen: procesbrandstof uit chemische industrie | 0,036 ng TEQ/Nm3 |
Formaldehyde: gasmotor op aardgas | 15 mg/Nm3 |
Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof: procesbrandstof uit chemische industrie, gestookt in een ketel | 12 mg/Nm3 |
Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof: gasmotor op aardgas | 500 mg/Nm3 |
Ammoniak: bij toepassing van selectieve katalytische reductie (SCR) of selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) | 5 mg/Nm3 |
Artikel 4.39b
-
Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen van een stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.39b.
-
De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden uitgedrukt in massaconcentratie, voor niet-gefiltreerde monsters.
-
Afvalwater wordt niet verdund om aan de in tabel 4.39b bedoelde emissiegrenswaarden te voldoen.
-
Voor de lozing van totaal organische koolstof geldt dat voor de beoordeling of aan de emissiegrenswaarde wordt voldaan, de concentratie in het influent in mindering mag worden gebracht.
Artikel 4.40
-
Op het verrichten van emissiemetingen is NEN-EN 15259 van toepassing.
-
Op het verrichten van een periodieke meting of een parallelmeting is van toepassing:
voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;
voor kwik: NEN-EN 13211;
voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
voor zuurstof: NEN-EN 14789;
voor waterdamp: NEN-EN 14790;
voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1;
voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
voor formaldehyde: NPR-CEN/TS 13649;
voor totaal organische koolstof: NEN-EN 12619;
voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877; en
voor de som van dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3.
-
Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:
voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;
voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-2; en
voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 4.40a
-
Op het bemonsteren van afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
-
Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.
-
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor kwik: NEN-EN-ISO 12846;
voor cadmium, lood, chroom, koper, nikkel, zink: NEN-EN-ISO 17294-2;
voor arseen: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11969;
voor totaal organische koolstof: NEN-EN 1484;
voor fluoride: NEN-EN-ISO 10304-1;
voor sulfaat: NEN-EN-ISO 10304-1;
voor sulfide: ISO 13358 of NEN 6608; en
voor sulfiet: NEN-EN-ISO 10304-3.
Artikel 4.41
-
De emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een grote stookinstallatie wordt continu gemeten.
-
In afwijking van het eerste lid wordt de emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 100 MW periodiek gemeten, ten minste om de zes maanden, als uit de geregistreerde emissierelevante parameters met voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.
-
Als een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt, wordt de emissieconcentratie van totaal stof ten minste eenmaal per zes maanden gemeten.
-
De meting van zwaveldioxide is niet verplicht en de emissieconcentratie daarvan wordt bepaald aan de hand van de gehalten in de brandstoffen die worden ingezet, als:
een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt;
een grote stookinstallatie met olie wordt gestookt en er geen uitrusting voor de ontzwaveling van afgas is; of
een grote stookinstallatie met rie-biomassa wordt gestookt en kan worden aangetoond dat de emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.
Artikel 4.41a
-
De emissieconcentratie van:
kwik wordt periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; en
ammoniak, zoutzuur, waterstoffluoride, formaldehyde en totaal organische koolstof wordt ten minste eenmaal per jaar gemeten.
-
In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt de emissieconcentratie van zoutzuur periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, als met biomassa wordt gestookt.
-
Als procesbrandstoffen gechloreerde componenten bevatten, wordt de emissieconcentratie van dioxinen en furanen om de zes maanden gemeten.
Artikel 4.41b
-
De emissieconcentraties in afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden:
ten minste maandelijks gemeten;
voor onopgeloste stoffen gemeten in een steekmonster en voor andere stoffen in een etmaalmonster.
-
Het debiet, de zuurgraad en de temperatuur van afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden continu gemeten.
Artikel 4.42
Een continue meting als bedoeld in artikel 4.41 omvat ook de meting van:
het zuurstofgehalte;
de temperatuur;
de druk; en
het waterdampgehalte van het afgas, met uitzondering van het afgas dat als monster wordt gebruikt, als dat wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd.
Artikel 4.43
De resultaten van de metingen die zijn verricht, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte als bedoeld in 4.32, vierde lid, volgens de formule:
waarbij wordt verstaan onder:
E
E
O
O
Artikel 4.44
-
Als continu wordt gemeten, wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als in een kalenderjaar:
geen gevalideerd maandgemiddelde hoger is dan de emissiegrenswaarde;
geen gevalideerd daggemiddelde 110% hoger is dan de emissiegrenswaarde; en
95% van alle gevalideerde uurgemiddelden over een jaar niet hoger is dan 200% van de emissiegrenswaarde.
-
Voor de toepassing van het eerste lid worden niet meegerekend:
meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes waarin een grote stookinstallatie op grond van de artikelen 4.57 en 4.60 in werking kan zijn;
meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens storingen in de apparatuur die een emissiereductie bewerkstelligt; en
meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen.
-
De periodes van opstarten en stilleggen worden bepaald in overeenstemming met het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van de richtlijn industriële emissies (PbEU 2012, L 123).
-
Als periodiek wordt gemeten wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst hoger is dan de emissiegrenswaarde.
Artikel 4.44a
Aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.39b, wordt voldaan, als alle gemeten daggemiddelden in een jaar niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarde.
Artikel 4.45
-
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt de grote stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in gebruik gehouden als:
de afgasreinigingsapparatuur is uitgevallen; en
deze apparatuur niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneert.
-
Een grote stookinstallatie kan als gevolg van storingen als bedoeld in het eerste lid nog uiterlijk 120 uur in een jaar in bedrijf zijn zonder dat de afgasreinigingsapparatuur functioneert.
Artikel 4.46
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.45 wordt versoepeld, bevat een verlenging van de periode, bedoeld in artikel 4.45, als:
het absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden; of
de grote stookinstallatie anders voor die periode zou worden vervangen door een stookinstallatie die over het geheel genomen hogere emissies zou veroorzaken.
Artikel 4.47
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk 48 uur na het uitvallen van de afgasreinigingsapparatuur en het niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneren van deze apparatuur daarover geïnformeerd, waarbij de stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in bedrijf wordt gehouden als bedoeld in artikel 4.45.
Artikel 4.48
-
Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.
-
Het resultaat van de continue meting of periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.48.
-
De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
-
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.49
-
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.
-
Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.50
-
Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.
-
Een parallelmeting die wordt verricht voor de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen duurt ten minste een half uur.
-
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.51
-
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.50, eerste lid.
-
Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.
-
Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.52
-
De metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.
-
Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.
Artikel 4.53
-
Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.
-
Op richtlijnen voor Predictive Emission Monitoring Systems is NVN-CEN TS 17198 van toepassing.
-
De Regeling brandstoffen luchtverontreiniging is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het zwavelgehalte van een brandstof.
Artikel 4.54
-
De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38, 4.39 en 4.39a, gelden niet voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die:
zijn bedoeld voor noodgevallen volgens de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die daarvoor geldt; en
minder dan 500 uur per jaar geheel of gedeeltelijk in werking zijn en emissies in de lucht veroorzaken, met uitzondering van de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging.
-
Het aantal uur dat de installaties in werking zijn, wordt geregistreerd.
Artikel 4.55
-
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een grote stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden die voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing zijn.
-
Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.
Artikel 4.56
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee voor een bestaande grote stookinstallatie de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:
de stookinstallatie deel uitmaakt van een raffinaderij; en
de stookinstallatie zelf destillatieresiduen of omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, verbruikt.
Artikel 4.57
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een grote stookinstallatie waar normaal laagzwavelige brandstof wordt verstookt, 240 uur in werking blijven, als door een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als gevolg van een ernstig tekort aan die brandstoffen niet kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34.
Artikel 4.58
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als bedoeld in artikel 4.57, waardoor niet kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34.
Artikel 4.59
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.57 wordt versoepeld, bevat een verlenging van niet meer dan zes maanden als de omstandigheid, bedoeld in artikel 4.57, voortduurt en emissiegrenswaarden daardoor niet in acht kunnen worden genomen.
Artikel 4.60
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht bij onvoorziene omstandigheden zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38 en 4.39, ten hoogste 240 uur per incident niet van toepassing, als een grote stookinstallatie die normaal met gasvormige brandstof wordt gestookt, met een andere brandstof wordt gestookt wanneer door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.
Artikel 4.61
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het stoken met een andere brandstof dan een gasvormige brandstof, bedoeld in artikel 4.60, als door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.
Artikel 4.62
-
Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen is het netto elektrisch rendement van een grote stookinstallatie die met steenkool of een combinatie van steenkool en een andere brandstof wordt gestookt ten minste 40%.
-
Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de stookinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de stookinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan een transmissiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, waarbij deze periode ten minste een jaar is.
-
Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.
-
Bij levering aan een warmtenet wordt:
de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die aanvullend worden gebruikt in verband met de warmtelevering; en
de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit geleverde elektriciteit verhoogd met de elektriciteitsderving door de warmtelevering.
Artikel 4.62a
-
Een grote stookinstallatie en de terreinen die daarbij horen worden zodanig geëxploiteerd dat het vrijkomen van verontreinigende stoffen van rookgasreiniging op of in de bodem, het oppervlaktewater of het grondwater wordt voorkomen.
-
Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:
wegvloeiend hemelwater dat is verontreinigd met afvalwater van rookgasreiniging;
afvalwater van rookgasreiniging als gevolg van overlopen; en
water afkomstig van brandbestrijding dat is verontreinigd met afvalwater van rookgasreiniging.
-
De opvangcapaciteit is zodanig dat het afvalwater van rookgasreiniging, voordat het wordt geloosd, kan worden behandeld.
