Besluit activiteiten leefomgeving

Inhoud

Artikel 4.81

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 11-07-2026.
Deze versie geldt vanaf 11-07-2026.
  1. Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:

    1. antimoon;

    2. arseen;

    3. cadmium;

    4. chroom;

    5. dioxinen en furanen;

    6. kobalt;

    7. koper;

    8. lood;

    9. mangaan;

    10. nikkel;

    11. thallium; en

    12. vanadium.

  2. In het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, wordt de emissie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.

  3. De emissie van stikstofoxide van een afvalverbrandingsinstallatie wordt, in afwijking van artikel 4.79, periodiek ten minste om de zes maanden gemeten of in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is periodiek ten minste om de drie maanden gemeten, als:

    1. de afvalverbrandingsinstallatie een totale verbrandingscapaciteit heeft van minder dan 6 ton afvalstoffen per uur, waarbij:

      1. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen; en

      2. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;

    2. een vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen; en

    3. wordt aangetoond dat emissies van stikstofoxiden niet meer zijn dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.75, aan de hand van informatie over de kwaliteit van de afvalstoffen, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies.

  4. Als wordt aangetoond dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide:

    1. periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; of

    2. niet gemeten.

  5. Het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium wordt periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en het gehalte dioxinen en furanen wordt jaarlijks gemeten als wordt aangetoond dat:

    1. de emissies in de lucht onder alle omstandigheden minder zijn dan 50% van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn; of

    2. de afvalstoffen die worden verbrand of meeverbrand alleen bestaan uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijke afvalstoffen die niet recyclebaar zijn, en daarbij aan de hand van informatie over de kwaliteit van die afvalstoffen en over monitoring van de emissies wordt aangetoond dat de emissies in de lucht van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn.

11-07-2026 Huidig 01-07-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 30-12-2025 Historisch 20-09-2025 Historisch 18-08-2025 Historisch 01-07-2025 Historisch 18-06-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 26-10-2024 Historisch 02-10-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 07-05-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2024.

Tekst van deze versie

  1. Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:

    1. antimoon;

    2. arseen;

    3. cadmium;

    4. chroom;

    5. dioxinen en furanen;

    6. kobalt;

    7. koper;

    8. lood;

    9. mangaan;

    10. nikkel;

    11. thallium; en

    12. vanadium.

  2. In het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, wordt de emissie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.

  3. De emissie van stikstofoxide van een afvalverbrandingsinstallatie wordt, in afwijking van artikel 4.79, periodiek ten minste om de zes maanden gemeten of in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is periodiek ten minste om de drie maanden gemeten, als:

    1. de afvalverbrandingsinstallatie een totale verbrandingscapaciteit heeft van minder dan 6 ton afvalstoffen per uur, waarbij:

      1. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen; en

      2. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;

    2. een vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen; en

    3. wordt aangetoond dat emissies van stikstofoxiden niet meer zijn dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.75, aan de hand van informatie over de kwaliteit van de afvalstoffen, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies.

  4. Als wordt aangetoond dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide:

    1. periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; of

    2. niet gemeten.

  5. Het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium wordt periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en het gehalte dioxinen en furanen wordt jaarlijks gemeten als wordt aangetoond dat:

    1. de emissies in de lucht onder alle omstandigheden minder zijn dan 50% van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn; of

    2. de afvalstoffen die worden verbrand of meeverbrand alleen bestaan uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijke afvalstoffen die niet recyclebaar zijn, en daarbij aan de hand van informatie over de kwaliteit van die afvalstoffen en over monitoring van de emissies wordt aangetoond dat de emissies in de lucht van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving