Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 4.49

Zuiveringtechnisch werk

Artikel 4.596

Deze paragraaf is van toepassing op het in een zuiveringtechnisch werk:

  1. in de waterlijn ontvangen en behandelen van stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van ten minste 2.000 inwonerequivalenten; en

  2. indikken en mechanisch ontwateren van het vrijkomende slib.

Artikel 4.597

  1. Het is verboden het afvalwater afkomstig van een activiteit als bedoeld in artikel 4.596 te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de locaties van de lozingspunten;

    2. de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk in inwonerequivalenten;

    3. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meters per dag;

    4. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meters per uur; en

    5. de resultaten van de immissietoets voor fosforverbindingen en stikstofverbindingen, verricht volgens het Handboek Immissietoets.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.598

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.596 wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.599

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem bevindt het bovengrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Het ondergrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, en het gedeelte van de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of beluchtingstank zijn lekdicht uitgevoerd.

Artikel 4.600

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en tolueen voldoen het ontwerpproces en het aanlegproces van bassins, tanks en leidingen in de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of de beluchtingstank aan:

  1. CUR/PBV-Aanbeveling 51, met uitzondering van de paragrafen 4.1, 5.1, 6.1.1 en 6.1.2; en

  2. CUR/PBV-Aanbeveling 65, met uitzondering van paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.601

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en tolueen wordt de lekdichtheid van de bedrijfsonderdelen van een zuiveringtechnisch werk gecontroleerd met geo-elektrische metingen met een meetfrequentie van eenmaal per zes jaar volgens AS SIKB 6700 door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.

  2. In plaats van door geo-elektrische metingen kan ook op lekdichtheid worden gecontroleerd met een grondwatermonitoringssysteem dat bestaat uit:

    1. een horizontaal monitoringssysteem, bij een zuiveringtechnisch werk aangelegd op of na 1 januari 2012; of

    2. verticale peilbuizen, bij een zuiveringtechnisch werk aangelegd voor 1 januari 2012.

Artikel 4.602

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem liggen de horizontale en verticale peilbuizen van een grondwatersysteem niet meer dan 30 m van elkaar.

  2. Als binnen een afstand van 60 m, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn geplaatst, wordt een extra horizontale of verticale peilbuis geplaatst.

  3. Als bassins of tanks zijn geplaatst op meer dan 60 m van elkaar, gemeten van hart tot hart, wordt om de 30 m een horizontale of een verticale peilbuis geplaatst.

  4. Een verticale peilbuis en de plaatsing van een verticale peilbuis voldoen aan NEN 5766.

  5. Horizontale peilbuizen en verticale peilbuizen worden benedenstrooms ten opzichte van de stroming van het grondwater geplaatst.

Artikel 4.603

  1. De achtergrondwaarden aan chemische zuurstofverbruik en ammoniumstikstof worden vastgesteld in het grondwater van een peilbuis die bovenstrooms is geplaatst.

  2. Eenmaal per kalenderjaar wordt een gefiltreerd monster, dat is genomen uit het horizontaal monitoringssysteem of uit de peilbuizen, geanalyseerd op CZV en N-NH4. Tussen opeenvolgende monsternames ligt ten minste elf maanden.

  3. Als de gemeten waarden meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt na uiterlijk twee maanden een nieuw grondwatermonster uit het monitoringssysteem en een grondwatermonster uit een bovenstrooms geplaatste peilbuis geanalyseerd.

  4. Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt de meetfrequentie verhoogd naar twee monsters per jaar voor de peilbuis. Tussen opeenvolgende monsternames liggen ten minste vijf maanden.

  5. Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden:

    1. worden de monsters die daarna worden genomen geanalyseerd op de stoffen, bedoeld in NEN 5740; en

    2. wordt een herstelplan opgesteld.

  6. Er worden peilbuizen geplaatst en grondwatermonsters genomen door:

    1. een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000; of

    2. een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  7. De grondwatermonsters worden geanalyseerd door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.

Artikel 4.604

Ten minste eenmaal per twee kalenderjaren worden uiterlijk twee maanden na de laatste bemonsteringen de resultaten van de analyse, bedoeld in artikel 4.603, tweede lid, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.605

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over meetwaarden die meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarde, bedoeld in artikel 4.603, vijfde lid.

Artikel 4.606

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt een zuiveringtechnisch werk zo geëxploiteerd en onderhouden dat onder normale weersomstandigheden de doelmatige werking ervan is gewaarborgd.

  2. Het lozingspunt is zo gekozen dat de nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd zo klein mogelijk zijn.

Artikel 4.607

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen gezuiverde afvalwater afkomstig van de behandeling van stedelijk afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.608

  1. Voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden:

    1. de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster; en

    2. afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk de waarden, bedoeld in tabel 4.608b, gemeten in een voortschrijdend jaargemiddelde.

  2. Afhankelijk van het aantal monsters dat per jaar wordt genomen, zijn voor het aantal monsters, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608c, de emissiegrenswaarden niet de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, maar de waarden, bedoeld in de derde kolom van die tabel, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster.

  3. Monsters met extreme concentraties die het gevolg zijn van ongebruikelijke situaties zoals zware regenval worden buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4.609

  1. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.608, worden verhoogd, wordt alleen gesteld als:

    1. als gevolg van dat maatwerk in totaal ten minste 75% van totaal fosfor en totaal stikstof wordt verwijderd in de zuiveringtechnische werken onder de zorg van degene die de activiteit verricht; en

    2. het zuiveringtechnisch werk:

      1. voor 1 september 1992 in gebruik is genomen en de ontwerpcapaciteit sinds de datum dat het in gebruik werd genomen met niet meer dan 25% is uitgebreid; of

      2. een ontwerpcapaciteit heeft van minder dan 20.000 inwonerequivalenten.

  2. De emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.608a, worden niet versoepeld, en van de aantallen monsters, bedoeld in tabel 4.608c, wordt niet afgeweken.

Artikel 4.610

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en etmaalmonsters worden individueel geanalyseerd.

  4. Op het analyseren is van toepassing:

    1. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    2. voor het biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2;

    3. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;

    4. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;

    5. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    6. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en

    7. voor de som van fosforverbindingen: NEN-ISO 15681-1, NEN-ISO 15681-2 NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 4.611

  1. Het inkomende stedelijk afvalwater en het afvalwater dat wordt geloosd wordt tijdproportioneel of volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd en geanalyseerd op de stoffen en parameters, bedoeld in artikel 4.608.

  2. Het aantal monsters per jaar is ten minste het aantal, bedoeld in tabel 4.611, afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk.

  3. Als de ontwerpcapaciteit minder is dan 10.000 inwonerequivalenten en in het voorafgaande jaar werd voldaan aan de waarden, bedoeld in artikel 4.608, is het aantal monsters voor het biochemisch zuurstofverbruik en chemisch zuurstofverbruik ten minste 4.

  4. Als uit de resultaten van een analyse blijkt dat in het inkomende stedelijk afvalwater het gehalte aan nitrietstikstof en nitraatstikstof in het voorafgaande jaar voortdurend lager is dan 1% ten opzichte van het gehalte aan organisch stikstof, kan ook alleen het gehalte aan organisch stikstof in dat afvalwater worden geanalyseerd.

Artikel 4.612

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt artikel 4.611 niet versoepeld.

Artikel 4.613

  1. Het totale zuiveringsrendement van een zuiveringtechnisch werk wordt berekend volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    η: zuiveringsrendement;

    Vi: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat wordt gezuiverd, in kilogram per joule; en

    Ve: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen, en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering wordt geloosd, in kilogram per joule.

  2. Vi en Ve worden berekend volgens de formules:

    waarbij wordt verstaan onder:

    r: het zuiveringtechnisch werk;

    n: het aantal zuiveringtechnische werken;

    d: de bemonsteringsdag;

    Mr: het aantal bemonsteringsdagen per jaar voor het zuiveringtechnisch werk;

    ird: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat door het zuiveringtechnisch werk wordt gezuiverd, in gram per kubieke meter;

    Erd: de na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk op de bemonsteringsdag geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater, in kubieke meters; en

    erd: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk wordt geloosd, in gram per kubieke meter.

  3. Met een debietmeting wordt continu de hoeveelheid geloosd afvalwater in kubieke meters per dag bepaald, met een methode waarvan de onnauwkeurigheid kleiner is dan 5%.

Artikel 4.614

Ten minste binnen vier maanden na afloop van elk kalenderjaar worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

  1. een overzicht van de zuiveringtechnische werken onder de zorg van degene die de activiteit verricht;

  2. een overzicht van de resultaten van de bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 4.611; en

  3. het totale zuiveringsrendement, bedoeld in artikel 4.613.

Artikel 4.615

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.616

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.617

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving