Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 4

Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: inhoudelijke regels

Artikel 4.1

Een paragraaf in dit hoofdstuk is alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3 is bepaald.

Artikel 4.2

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een Seveso-inrichting.

  2. In deze paragraaf wordt onder gevaarlijke stof verstaan: gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn.

Artikel 4.3

  1. In aanvulling op artikel 23.2 van de wet geldt een wijziging van de bijlagen I tot en met IV bij de Seveso-richtlijn voor de toepassing van deze paragraaf met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

  2. Als in deze paragraaf wordt verwezen naar een bijlage bij de Seveso-richtlijn, zijn voor de toepassing van die bijlage de definities, bedoeld in artikel 3 van die richtlijn, van toepassing.

Artikel 4.4

  1. De regels in deze paragraaf die zijn gesteld met het oog op de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de in de Seveso-inrichting werkzame werknemers, zijn van overeenkomstige toepassing op:

    1. de werkgever;

    2. de werkgever die zelf arbeid verricht in de Seveso-inrichting en de zelfstandige; en

    3. degene die de controle heeft over de Seveso-inrichting.

  2. Om naleving van die regels te waarborgen, werken de in het eerste lid genoemde personen samen met degene die de activiteit verricht.

Artikel 4.5

  1. Binnen een jaar nadat deze paragraaf van toepassing is geworden op een Seveso-inrichting, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

    1. de naam en functie van de met de leiding van de Seveso-inrichting belaste persoon, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht;

    2. de gegevens die nodig zijn om de gevaarlijke stoffen en de categorie van gevaarlijke stoffen te identificeren die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn;

    3. een lijst met de hoeveelheden, aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn in de Seveso-inrichting;

    4. de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht;

    5. informatie over de directe omgeving van de Seveso-inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met gegevens over inrichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, milieubelastende activiteiten waarop deze paragraaf niet van toepassing is en gebieden en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van of het risico of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten; en

    6. de gegevens, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onder a en b, als de Seveso-inrichting een hogedrempelinrichting is.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.

  3. De lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan door een ieder worden geraadpleegd.

  4. Voor de aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen op de lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan de gevaarscategorie respectievelijk de chemische naam en het CAS-nummer worden vermeld als:

    1. uit die gegevens de fysisch-chemische eigenschappen en gevaareigenschappen kenbaar zijn; en

    2. kan worden bepaald om welke gevaarlijke stof of categorie, bedoeld in bijlage I bij de Seveso-richtlijn, het gaat.

Artikel 4.6

  1. Ruim voor een wijziging als bedoeld onder a tot en met f worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    1. een significante wijziging van de hoeveelheid, aard of fysische vorm van een gevaarlijke stof die in de Seveso-inrichting aanwezig is of kan zijn;

    2. een significante wijziging van een proces waarbij een gevaarlijke stof wordt gebruikt;

    3. de sluiting of de ontmanteling van de Seveso-inrichting;

    4. een wijziging die significante gevolgen kan hebben voor de gevaren van zware ongevallen;

    5. een wijziging van de naam, de handelsnaam of het adres van degene die de activiteit verricht; of

    6. een wijziging van de naam of functie van de met de leiding van de Seveso-inrichting belaste persoon, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.

Artikel 4.7

  1. Als een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden, worden zo spoedig mogelijk aan de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    1. datum, tijd, plaats en omstandigheden van het zware ongeval;

    2. de gevaarlijke stoffen die het betreft en de hoeveelheid;

    3. de gevolgen voor de werknemers, die zich op korte en lange termijn kunnen voordoen;

    4. het aantal gewonde werknemers, dat voor ten minste 24 uur in een ziekenhuis is opgenomen, en het aantal overleden werknemers;

    5. de maatregelen ter bescherming van de werknemers, die zijn getroffen of worden getroffen om herhaling te voorkomen; en

    6. de materiële schade in de Seveso-inrichting.

  2. Gegevens en bescheiden uit nader onderzoek die afwijken van eerder verstrekte gegevens en bescheiden, worden verstrekt aan de toezichthouder, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.8

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen aanvullende maatregelen bevatten.

Artikel 4.9

  1. Alle maatregelen worden getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken.

  2. Op elk moment kan worden aangetoond dat aan het eerste lid wordt voldaan.

  3. Het is verboden een Seveso-inrichting of een gedeelte daarvan te exploiteren of in werking te hebben als de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet zijn getroffen of duidelijk onvoldoende zijn uitgevoerd.

Artikel 4.10

  1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan is preventiebeleid opgesteld dat borg staat voor een hoog beschermingsniveau van de gezondheid en het milieu en evenredig is aan de gevaren van zware ongevallen.

  2. Het preventiebeleid bevat:

    1. de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van degene die de activiteit verricht;

    2. de rol en de verantwoordelijkheid van het management van de Seveso-inrichting; en

    3. de plicht om de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en hoge beschermingsniveaus te waarborgen.

  3. Het tweede lid, onder a, houdt in ieder geval in dat zijn beschreven:

    1. in hoofdlijnen de aard en de omvang van de risico’s van zware ongevallen;

    2. de beginselen die ten grondslag liggen aan het veiligheidsbeheerssysteem en de samenhang met dat systeem;

    3. de criteria die worden toegepast bij de vaststelling van de risico’s van zware ongevallen; en

    4. de beginselen die ten grondslag liggen aan de maatregelen die zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken en de samenhang tussen die maatregelen en de risico’s van zware ongevallen.

Artikel 4.11

  1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan wordt het preventiebeleid uitgevoerd met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheerssysteem dat voldoet aan alle punten van bijlage III bij de Seveso-richtlijn.

  2. De passende middelen, structuren en het veiligheidsbeheerssysteem zijn evenredig aan de gevaren van zware ongevallen, de complexiteit van de organisatie en de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht.

  3. De procedures voor de systematische identificatie van de gevaren van zware ongevallen, bedoeld in bijlage III, onder b, onder ii, bij de Seveso-richtlijn, gaan in ieder geval over:

    1. het verrichten van systematisch onderzoek naar de risico’s van zware ongevallen van een Seveso-installatie tijdens het ontwerpen, het bouwen, het gebruiken, het onderhouden en het wijzigen van die installatie;

    2. de criteria voor het bepalen van de methode van het systematisch onderzoek die is afgestemd op de fases, bedoeld onder a; en

    3. de methode voor de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen die geschikt is om de maatregelen te bepalen die worden getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken.

Artikel 4.12

  1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan worden het preventiebeleid en het veiligheidsbeheerssysteem in ieder geval bijgewerkt bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c of d.

  2. Het preventiebeleid wordt ten minste elke vijf jaar beoordeeld en zo nodig bijgewerkt.

Artikel 4.13

  1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan worden voor Seveso-inrichtingen die op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de omgevingsvergunning of door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn aangewezen als inrichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, gegevens uitgewisseld die nodig zijn om in het preventiebeleid, veiligheidsbeheerssysteem, veiligheidsrapport en intern noodplan rekening te houden met de aard en omvang van het risico van een zwaar ongeval.

  2. Degenen die de Seveso-inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, exploiteren, werken samen bij het geven van:

    1. voorlichting aan het publiek en de nabijgelegen bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf vallen; en

    2. gegevens en bescheiden voor het opstellen van het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s.

Artikel 4.14

  1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan is voor een hogedrempelinrichting een veiligheidsrapport opgesteld met actuele gegevens over de veiligheid.

  2. Het veiligheidsrapport bevat de namen van de organisaties die betrokken zijn geweest bij het opstellen van het veiligheidsrapport en bevat in ieder geval de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage II bij de Seveso-richtlijn, waarmee wordt aangetoond dat:

    1. preventiebeleid als bedoeld in artikel 4.10 en een veiligheidsbeheersysteem als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, zijn ingevoerd;

    2. de gevaren van zware ongevallen en scenario’s voor mogelijke zware ongevallen zijn geïdentificeerd en de maatregelen zijn getroffen die nodig zijn om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken; en

    3. het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van de Seveso-installaties die in verband staan met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de Seveso-inrichting, voldoende veilig en betrouwbaar zijn.

  3. Het veiligheidsrapport bevat ook:

    1. een schatting van de kans op en de omvang van de gevolgen van een zwaar ongeval dat door een Seveso-inrichting als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, wordt veroorzaakt;

    2. een schatting van de kans op en de omvang van de gevolgen van een aardbeving, overstroming of andere natuurlijke oorzaak als bedoeld in bijlage II, onder 4, onder iii, bij de Seveso-richtlijn; en

    3. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de gevolgen, bedoeld onder a en b, te beperken.

  4. Bij de beschrijving van de installatie, bedoeld in bijlage II, onder 3, bij de Seveso-richtlijn, wordt een beschrijving gegeven van de processen die in de Seveso-inrichting plaatsvinden, het verloop daarvan en de hoeveelheden, eigenschappen en gedragingen van de gevaarlijke stoffen die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn onder de omstandigheden die in de Seveso-inrichting gelden en bij een voorzienbaar ongeval.

Artikel 4.15

  1. De beschrijving van de scenario’s voor mogelijke zware ongevallen, bedoeld in bijlage II, onder 4, onder a, bij de Seveso-richtlijn, gaat ten minste over de onderdelen van de Seveso-installaties die de grootste risico’s op een zwaar ongeval opleveren. De selectie van deze Seveso-installaties vindt plaats volgens een methode die in het veiligheidsrapport is beschreven.

  2. Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, komen de voorvallen terug die deze scenario’s op gang kunnen brengen, waaronder corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk of onderdruk, lage of hoge temperatuur, trillingen en menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud.

  3. Voor elk scenario wordt kwalitatief of met risicoberekeningen aangegeven wat de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat het scenario zich voordoet en voor elk scenario wordt een samenhangend inzicht geboden in:

    1. de resterende kans dat een zwaar ongeval plaatsvindt;

    2. de ernst van de gevolgen van een zwaar ongeval; en

    3. de maatregelen die technisch mogelijk zijn om de kans op en de gevolgen van een zwaar ongeval te verkleinen tot een daarbij aangegeven niveau.

  4. Uit de scenario’s blijkt dat de risico’s van zware ongevallen worden beheerst met de technische en organisatorische maatregelen die zijn getroffen.

Artikel 4.16

  1. Het veiligheidsrapport bevat:

    1. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is;

    2. de berekende afstand in meters voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    3. een schatting van de kans dat een zwaar ongeval belangrijke ongewenste gevolgen heeft voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam of vuilwaterriool en een schatting van de omvang van die gevolgen;

    4. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de gevolgen, bedoeld onder c, te beperken;

    5. een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de veiligheid voor de omgeving; en

    6. het aantal personen buiten de Seveso-inrichting dat ten hoogste wordt blootgesteld aan het risico van een zwaar ongeval.

  2. Op het berekenen van de afstanden voor het plaatsgebonden risico, het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.17

Het veiligheidsrapport bevat een beschrijving van:

  1. de scenario’s voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor:

    1. het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s; en

    2. de omvang en de uitrusting van de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder d, van het Besluit veiligheidsregio’s;

  2. de organisatie van de bedrijfsbrandweer die nodig is, waaronder de omvang van het personeel en materieel;

  3. de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de voorbereiding van de rampenbestrijding; en

  4. overige gegevens die nodig zijn met het oog op de voorbereiding van de rampenbestrijding, het opstellen van een rampbestrijdingsplan als bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s en het aanwijzen van een locatie waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht als bedrijfsbrandweerplichtig, bedoeld in artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 4.18

Het veiligheidsrapport bevat een beschrijving van:

  1. het aantal personen dat ten hoogste in de Seveso-inrichting aanwezig is, het aantal personen dat binnen de Seveso-inrichting wordt blootgesteld aan het risico van een zwaar ongeval en een indicatie van de verdeling van het aantal personen over die Seveso-inrichting;

  2. zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers;

  3. de scenario’s per Seveso-installatie voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor het intern noodplan; en

  4. de gevolgen die de beschrijving van de beschermingsmiddelen en interventiemiddelen heeft voor het intern noodplan.

Artikel 4.19

Het veiligheidsrapport wordt bezien en zo nodig bijgewerkt:

  1. ten minste elke vijf jaar;

  2. na een zwaar ongeval in de Seveso-inrichting;

  3. om rekening te houden met nieuwe feiten of nieuwe technische kennis over veiligheid; of

  4. bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c of d.

Artikel 4.20

Een opgesteld of bijgewerkt veiligheidsrapport of deel daarvan wordt onverwijld verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.21

Het preventiebeleid, het veiligheidsrapport en het veiligheidsdocument en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, kunnen worden samengevoegd in één document.

Artikel 4.22

  1. Met het oog op het beperken van de gevolgen van zware ongevallen is voor een hogedrempelinrichting een intern noodplan opgesteld en ingevoerd om:

    1. zware ongevallen in te dammen en te beheersen en de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken;

    2. de maatregelen die nodig zijn uit te voeren tegen de gevolgen van zware ongevallen; en

    3. aan een ieder relevante gegevens en bescheiden te verstrekken.

  2. Het intern noodplan bevat de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV bij de Seveso-richtlijn.

  3. Het intern noodplan wordt ten minste elke drie jaar beoordeeld en beproefd en zo nodig bijgewerkt.

  4. Als het intern noodplan wordt bijgewerkt, wordt rekening gehouden met de werkmethoden en productiemethoden die in de Seveso-inrichting worden toegepast, de veranderingen van technische en organisatorische aard bij de hulpverleningsorganisaties van de overheid en veranderingen in het veiligheidsinzicht die voor de risico’s van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kunnen hebben.

Artikel 4.23

  1. Als een ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging ontbreekt, worden belanghebbende werknemers die werkzaam zijn in de Seveso-inrichting geraadpleegd:

    1. voordat het veiligheidsrapport of een gewijzigd deel daarvan aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt verstrekt; en

    2. bij het opstellen van het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan.

  2. Over het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan worden ook geraadpleegd de werknemers van andere werkgevers die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk in de Seveso-inrichting werkzaam zijn.

  3. Op verzoek wordt inzage gegeven in het veiligheidsrapport en het intern noodplan aan:

    1. de werknemers;

    2. de bedrijfshulpverleners, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    3. de externe hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    4. de deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    5. de deskundige personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet of een arbodienst als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van die wet; en

    6. de zelfstandige en de werkgever die zelf arbeid verricht in de Seveso-inrichting.

  4. Het eerste lid, aanhef en onder a, en het derde lid, zijn alleen van toepassing voor de onderdelen 1, 2, onder b en d, 3, 4, en 5 van bijlage II bij de Seveso-richtlijn, die verband houden met de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de in de Seveso-inrichting werkzame werknemers.

Artikel 4.24

  1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan wordt voor een hogedrempelinrichting een actuele lijst bijgehouden van de aanwezige gevaarlijke stoffen en stoffen die op basis van aard of hoeveelheid een risico vormen.

  2. De lijst bevat gegevens over de aard, fysische vorm en hoeveelheid van de stoffen, bedoeld in het eerste lid.

  3. Voor de hulpverleningsdiensten van de overheid zijn per stof, bedoeld in het eerste lid, onverwijld toegankelijk de volgende gegevens:

    1. de chemische stofnaam of handelsnaam;

    2. de hoeveelheid die ten hoogste aanwezig is;

    3. het CAS-nummer of het veiligheidsinformatieblad;

    4. het UN-nummer; en

    5. het gevaarsidentificatienummer, bedoeld in hoofdstuk 3.2 van bijlage A bij de ADR.

  4. Als de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder c, d of e, niet bestaan, zijn, naast de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder a en b, gegevens beschikbaar over het gevaar voor een explosie, een brand en een toxische wolk.

Artikel 4.25

  1. Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste zin, van de Wet milieubeheer worden aangewezen:

    1. de lijst, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder c;

    2. de lijst, bedoeld in artikel 4.24, eerste lid; en

    3. het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid.

  2. Als ten aanzien van het veiligheidsrapport toepassing is gegeven aan artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast veiligheidsrapport verstrekt, dat ten minste algemene gegevens en bescheiden over risico’s van zware ongevallen en de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu bij een zwaar ongeval bevat.

  3. Wanneer een aangepast veiligheidsrapport is verstrekt waaruit de beschrijving van bepaalde stoffen is weggelaten, worden die stoffen niet vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder c.

Artikel 4.26

Het preventiebeleid, bedoeld in artikel 4.10, is opgesteld binnen een jaar nadat artikel 4.10 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  1. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of

  2. de Seveso-inrichting voor inwerkingtreding van dit besluit een inrichting als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 was.

Artikel 4.27

Het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, is opgesteld binnen twee jaar nadat artikel 4.14 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  1. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of

  2. de Seveso-inrichting voor inwerkingtreding van dit besluit een hogedrempelinrichting als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 was.

Artikel 4.28

Het intern noodplan, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, is opgesteld en ingevoerd binnen twee jaar nadat artikel 4.22 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  1. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of

  2. de Seveso-inrichting voor inwerkingtreding van dit besluit een hogedrempelinrichting als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 was.

Artikel 4.29

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, met uitzondering van:

    1. een stookinstallatie voor het drogen of behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas;

    2. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;

    3. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;

    4. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;

    5. reactoren die in de chemische industrie worden gebruikt;

    6. cokesovens;

    7. windverhitters van hoogovens;

    8. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;

    9. gasturbines en gasmotoren die op offshoreplatforms worden gebruikt; en

    10. afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties als bedoeld in paragraaf 4.4.

  2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 15 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

    1. de afgassen van die stookinstallaties via een schoorsteen worden afgevoerd; of

    2. de afgassen op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een schoorsteen kunnen worden afgevoerd.

  3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. grote stookinstallatie: stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, ongeacht het type brandstof dat wordt toegepast; en

    2. bestaande grote stookinstallatie: grote stookinstallatie die op 30 oktober 1999, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was of waarvoor een vergunning was verleend en die uiterlijk op 30 oktober 2000 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.30

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.29, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.31

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van de artikelen 4.34, 4.36, 4.45, 4.55 en 4.57.

Artikel 4.32

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn de emissiegrenswaarden in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38, 4.39 en 4.39a van toepassing op de emissies in de lucht afkomstig van alle gemeenschappelijke schoorstenen in relatie tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

  2. Bij een uitbreiding van een bestaande grote stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het uitgebreide gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie waarop de wijziging betrekking heeft. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld op grond van het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

  3. Bij een wijziging van een bestaande grote stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een gedeelte van een bestaande grote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie dat is gewijzigd in verhouding tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

  4. Alle emissiegrenswaarden zijn betrokken op een volumegehalte aan zuurstof van:

    1. 6% in afgas, als het gaat om een grote stookinstallatie voor vaste brandstoffen;

    2. 15% in afgas, als het gaat om een gasturbine of een gasmotor; en

    3. 3% in afgas, als het gaat om een andere grote stookinstallatie.

Artikel 4.33

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze afgevoerd door een schoorsteen waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.

Artikel 4.34

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide de waarden, bedoeld in tabel 4.34, gemeten in een continue of periodieke meting.

Tabel 4.34 Emissiegrenswaarden zwaveldioxide

Type brandstof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Vaste of vloeibare brandstoffen: vaste biomassa

60

Vloeibare brandstoffen: gasturbine of dieselmotor

60

Vaste of vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie, anders dan gasturbine of dieselmotor

150

Vaste of vloeibare brandstoffen: overig

80

Gasvormige brandstoffen: vloeibaar gemaakt gas

5

Gasvormige brandstoffen: cokesovengas of hoogovengas in gasmotor of gasturbine

60

Gasvormige brandstoffen: cokesovengas in andere stookinstallatie

220

Gasvormige brandstoffen: hoogovengas in andere stookinstallatie

150

Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen

35

Artikel 4.35

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.34, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:

  1. voor de stookinstallatie voor 27 november 2002 een vergunning was verleend of een volledige aanvraag om een vergunning was ingediend;

  2. de stookinstallatie uiterlijk op 27 november 2003, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was; en

  3. de stookinstallatie wordt gestookt met gassen met lage calorische waarde, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen.

Artikel 4.36

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden de waarden, bedoeld in tabel 4.36, gemeten in een continue of periodieke meting.

Tabel 4.36 Emissiegrenswaarden stikstofoxiden

Type brandstof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Vaste brandstoffen

100

Vloeibare brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG

50

Vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie

150

Vloeibare brandstoffen: andere grote stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50-100 MW

120

Vloeibare brandstoffen: overige grote stookinstallatie

85

Gasvormige brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG

35

Gasvormige brandstoffen: gasmotor

33

Gasvormige brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als het gaat om een gasturbine, met inbegrip van een STEG

60

Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie, als wordt gestookt met aardgas

70

Gasvormige brandstoffen: andere bestaande grote stookinstallatie

100

Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie

80

Artikel 4.37

  1. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 35 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, zesde rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie waarvoor een vergunning is verleend voor 17 augustus 2017 en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 50 mg/Nm3.

  2. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 60 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, achtste rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie met een bedrijfstijd van minder dan 1.500 uur per jaar en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 75 mg/Nm3.

  3. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, negende rij, wordt verhoogd voor een bestaande grote stookinstallatie die wordt gestookt met aardgas en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 100 mg/Nm3, tenzij het gaat om een gasturbine of gasmotor.

  4. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, tiende rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie op grond van technische kenmerken en passend binnen de grenzen van Uitvoeringsbesluit grote stookinstallaties, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 150 mg/Nm3.

Artikel 4.38

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor koolmonoxide de waarden, bedoeld in tabel 4.38, gemeten in een continue of periodieke meting.

Tabel 4.38 Emissiegrenswaarden koolmonoxide

Type brandstof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Gasvormige brandstoffen

100

Vloeibare brandstoffen: gasturbine, met inbegrip van een STEG

100

Artikel 4.39

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.39, gemeten in een continue of periodieke meting.

Tabel 4.39 Emissiegrenswaarden totaal stof

Type brandstof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Vaste of vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie

20

Vaste of vloeibare brandstoffen: andere grote stookinstallatie

5

Gasvormige brandstoffen: hoogovengas

5

Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen

5

Artikel 4.39a

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zoutzuur, waterstoffluoride, kwik, de som van dioxinen en furanen, formaldehyde, gasvormige en vluchtige organische stoffen en ammoniak, de waarden, bedoeld in tabel 4.39a, gemeten in een periodieke meting.

Tabel 4.39a Emissiegrenswaarden

Stof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 , µg/Nm3 of ng TEQ/Nm3

Zoutzuur: procesbrandstof uit chemische industrie

5 mg/Nm3

Zoutzuur: bestaande grote stookinstallatie, procesbrandstof uit chemische industrie

9 mg/Nm3

Zoutzuur: biomassa <100 MWth, voor een stookinstallatie met een vergunning verleend voor 14 juni 2019

15 mg/Nm3

Zoutzuur: overige biomassa

8 mg/Nm3

Zoutzuur: overige vaste brandstof

3 mg/Nm3

Waterstoffluoride: biomassa

1 mg/Nm3

Waterstoffluoride: overige vaste en vloeibare brandstof

2 mg/Nm3

Kwik: biomassa

5 µg/Nm3

Kwik: bestaande grote stookinstallatie, overige vaste brandstof

4 µg/Nm3

Kwik: overige vaste brandstof

2 µg/Nm3

Som van dioxinen en furanen: procesbrandstof uit chemische industrie

0,036 ng TEQ/Nm3

Formaldehyde: gasmotor op aardgas

15 mg/Nm3

Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof: procesbrandstof uit chemische industrie, gestookt in een ketel

12 mg/Nm3

Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof: gasmotor op aardgas

500 mg/Nm3

Ammoniak: bij toepassing van selectieve katalytische reductie (SCR) of selectieve niet-katalytische reductie (SNCR)

5 mg/Nm3

Artikel 4.39b

  1. Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen van een stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.39b.

  2. De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden uitgedrukt in massaconcentratie, voor niet-gefiltreerde monsters.

  3. Afvalwater wordt niet verdund om aan de in tabel 4.39b bedoelde emissiegrenswaarden te voldoen.

  4. Voor de lozing van totaal organische koolstof geldt dat voor de beoordeling of aan de emissiegrenswaarde wordt voldaan, de concentratie in het influent in mindering mag worden gebracht.

Artikel 4.40

  1. Op het verrichten van emissiemetingen is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een periodieke meting of een parallelmeting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;

    3. voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;

    4. voor kwik: NEN-EN 13211;

    5. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    6. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    7. voor waterdamp: NEN-EN 14790;

    8. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1;

    9. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    10. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;

    11. voor formaldehyde: NPR-CEN/TS 13649;

    12. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 12619;

    13. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877; en

    14. voor de som van dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3.

  3. Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;

    2. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-2; en

    3. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.

Artikel 4.40a

  1. Op het bemonsteren van afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    2. voor kwik: NEN-EN-ISO 12846;

    3. voor cadmium, lood, chroom, koper, nikkel, zink: NEN-EN-ISO 17294-2;

    4. voor arseen: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11969;

    5. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 1484;

    6. voor fluoride: NEN-EN-ISO 10304-1;

    7. voor sulfaat: NEN-EN-ISO 10304-1;

    8. voor sulfide: ISO 13358 of NEN 6608; en

    9. voor sulfiet: NEN-EN-ISO 10304-3.

Artikel 4.41

  1. De emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een grote stookinstallatie wordt continu gemeten.

  2. In afwijking van het eerste lid wordt de emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 100 MW periodiek gemeten, ten minste om de zes maanden, als uit de geregistreerde emissierelevante parameters met voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.

  3. Als een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt, wordt de emissieconcentratie van totaal stof ten minste eenmaal per zes maanden gemeten.

  4. De meting van zwaveldioxide is niet verplicht en de emissieconcentratie daarvan wordt bepaald aan de hand van de gehalten in de brandstoffen die worden ingezet, als:

    1. een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt;

    2. een grote stookinstallatie met olie wordt gestookt en er geen uitrusting voor de ontzwaveling van afgas is; of

    3. een grote stookinstallatie met rie-biomassa wordt gestookt en kan worden aangetoond dat de emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.

Artikel 4.41a

  1. De emissieconcentratie van:

    1. kwik wordt periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; en

    2. ammoniak, zoutzuur, waterstoffluoride, formaldehyde en totaal organische koolstof wordt ten minste eenmaal per jaar gemeten.

  2. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt de emissieconcentratie van zoutzuur periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, als met biomassa wordt gestookt.

  3. Als procesbrandstoffen gechloreerde componenten bevatten, wordt de emissieconcentratie van dioxinen en furanen om de zes maanden gemeten.

Artikel 4.41b

  1. De emissieconcentraties in afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden:

    1. ten minste maandelijks gemeten;

    2. voor onopgeloste stoffen gemeten in een steekmonster en voor andere stoffen in een etmaalmonster.

  2. Het debiet, de zuurgraad en de temperatuur van afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden continu gemeten.

Artikel 4.42

Een continue meting als bedoeld in artikel 4.41 omvat ook de meting van:

  1. het zuurstofgehalte;

  2. de temperatuur;

  3. de druk; en

  4. het waterdampgehalte van het afgas, met uitzondering van het afgas dat als monster wordt gebruikt, als dat wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd.

Artikel 4.43

De resultaten van de metingen die zijn verricht, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte als bedoeld in 4.32, vierde lid, volgens de formule:

Bijlage 260575

waarbij wordt verstaan onder:

Es: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Em: de gemeten emissieconcentratie;

Os: het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Om: het gemeten zuurstofgehalte.

Artikel 4.44

  1. Als continu wordt gemeten, wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als in een kalenderjaar:

    1. geen gevalideerd maandgemiddelde hoger is dan de emissiegrenswaarde;

    2. geen gevalideerd daggemiddelde 110% hoger is dan de emissiegrenswaarde; en

    3. 95% van alle gevalideerde uurgemiddelden over een jaar niet hoger is dan 200% van de emissiegrenswaarde.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid worden niet meegerekend:

    1. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes waarin een grote stookinstallatie op grond van de artikelen 4.57 en 4.60 in werking kan zijn;

    2. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens storingen in de apparatuur die een emissiereductie bewerkstelligt; en

    3. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen.

  3. De periodes van opstarten en stilleggen worden bepaald in overeenstemming met het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van de richtlijn industriële emissies (PbEU 2012, L 123).

  4. Als periodiek wordt gemeten wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst hoger is dan de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.44a

Aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.39b, wordt voldaan, als alle gemeten daggemiddelden in een jaar niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.45

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt de grote stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in gebruik gehouden als:

    1. de afgasreinigingsapparatuur is uitgevallen; en

    2. deze apparatuur niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneert.

  2. Een grote stookinstallatie kan als gevolg van storingen als bedoeld in het eerste lid nog uiterlijk 120 uur in een jaar in bedrijf zijn zonder dat de afgasreinigingsapparatuur functioneert.

Artikel 4.46

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.45 wordt versoepeld, bevat een verlenging van de periode, bedoeld in artikel 4.45, als:

  1. het absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden; of

  2. de grote stookinstallatie anders voor die periode zou worden vervangen door een stookinstallatie die over het geheel genomen hogere emissies zou veroorzaken.

Artikel 4.47

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk 48 uur na het uitvallen van de afgasreinigingsapparatuur en het niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneren van deze apparatuur daarover geïnformeerd, waarbij de stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in bedrijf wordt gehouden als bedoeld in artikel 4.45.

Artikel 4.48

  1. Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

  2. Het resultaat van de continue meting of periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.48.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.49

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  2. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.50

  1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

  2. Een parallelmeting die wordt verricht voor de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen duurt ten minste een half uur.

  3. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.51

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.50, eerste lid.

  2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  3. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.52

  1. De metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

  2. Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.53

  1. Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.

  2. Op richtlijnen voor Predictive Emission Monitoring Systems is NVN-CEN TS 17198 van toepassing.

  3. De Regeling brandstoffen luchtverontreiniging is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het zwavelgehalte van een brandstof.

Artikel 4.54

  1. De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38, 4.39 en 4.39a, gelden niet voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die:

    1. zijn bedoeld voor noodgevallen volgens de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die daarvoor geldt; en

    2. minder dan 500 uur per jaar geheel of gedeeltelijk in werking zijn en emissies in de lucht veroorzaken, met uitzondering van de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging.

  2. Het aantal uur dat de installaties in werking zijn, wordt geregistreerd.

Artikel 4.55

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een grote stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden die voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing zijn.

  2. Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.56

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee voor een bestaande grote stookinstallatie de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:

  1. de stookinstallatie deel uitmaakt van een raffinaderij; en

  2. de stookinstallatie zelf destillatieresiduen of omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, verbruikt.

Artikel 4.57

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een grote stookinstallatie waar normaal laagzwavelige brandstof wordt verstookt, 240 uur in werking blijven, als door een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als gevolg van een ernstig tekort aan die brandstoffen niet kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34.

Artikel 4.58

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als bedoeld in artikel 4.57, waardoor niet kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34.

Artikel 4.59

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.57 wordt versoepeld, bevat een verlenging van niet meer dan zes maanden als de omstandigheid, bedoeld in artikel 4.57, voortduurt en emissiegrenswaarden daardoor niet in acht kunnen worden genomen.

Artikel 4.60

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht bij onvoorziene omstandigheden zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38 en 4.39, ten hoogste 240 uur per incident niet van toepassing, als een grote stookinstallatie die normaal met gasvormige brandstof wordt gestookt, met een andere brandstof wordt gestookt wanneer door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.

Artikel 4.61

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het stoken met een andere brandstof dan een gasvormige brandstof, bedoeld in artikel 4.60, als door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.

Artikel 4.62

  1. Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen is het netto elektrisch rendement van een grote stookinstallatie die met steenkool of een combinatie van steenkool en een andere brandstof wordt gestookt ten minste 40%.

  2. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de stookinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de stookinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan een transmissiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, waarbij deze periode ten minste een jaar is.

  3. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.

  4. Bij levering aan een warmtenet wordt:

    1. de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die aanvullend worden gebruikt in verband met de warmtelevering; en

    2. de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit geleverde elektriciteit verhoogd met de elektriciteitsderving door de warmtelevering.

Artikel 4.62a

  1. Een grote stookinstallatie en de terreinen die daarbij horen worden zodanig geëxploiteerd dat het vrijkomen van verontreinigende stoffen van rookgasreiniging op of in de bodem, het oppervlaktewater of het grondwater wordt voorkomen.

  2. Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:

    1. wegvloeiend hemelwater dat is verontreinigd met afvalwater van rookgasreiniging;

    2. afvalwater van rookgasreiniging als gevolg van overlopen; en

    3. water afkomstig van brandbestrijding dat is verontreinigd met afvalwater van rookgasreiniging.

  3. De opvangcapaciteit is zodanig dat het afvalwater van rookgasreiniging, voordat het wordt geloosd, kan worden behandeld.

Artikel 4.63

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand.

  2. Een afvalverbrandingsinstallatie en een afvalmeeverbrandingsinstallatie omvatten:

    1. verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling van de afvalstoffen op de locatie;

    2. systemen voor de toevoer van afvalstoffen, brandstof en lucht;

    3. ketels;

    4. voorzieningen voor de behandeling van afgassen;

    5. voorzieningen voor de behandeling of opslag van afvalverbrandingsresiduen en afvalwater;

    6. schoorstenen; en

    7. apparatuur en systemen voor de regeling van het verbrandingsproces of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de omstandigheden van verbranding of meeverbranding.

  3. Als voor de thermische behandeling van afvalstoffen andere processen dan oxidatie worden gebruikt, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie het proces voor thermische behandeling en ook het daaropvolgende verbrandingsproces.

  4. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    1. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin alleen de volgende afvalstoffen thermisch worden behandeld of producten van thermische behandeling van alleen de volgende afvalstoffen worden verbrand:

      1. rie-biomassa;

      2. radioactieve afvalstoffen; of

      3. afvalstoffen die zijn ontstaan bij de exploratie en exploitatie van oliebronnen en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;

    2. een experimentele afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie voor onderzoek, ontwikkeling en tests om het thermisch behandelingsproces te verbeteren, waarin per kalenderjaar minder dan 50 ton afvalstoffen wordt verwerkt;

    3. een vaste technische eenheid voor vergassing of pyrolyse, als de gassen die het resultaat zijn van deze thermische behandeling van afvalstoffen voordat ze worden verbrand zo worden gereinigd dat bij de verbranding ervan niet meer emissies ontstaan dan bij de verbranding van aardgas; en

    4. stookinstallaties bij een veehouderij met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 5 MW, die als brandstof alleen onverwerkte mest van gevogelte als bedoeld in artikel 9, onder a, van de verordening dierlijke bijproducten gebruiken.

Artikel 4.64

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.63, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.65

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van de artikelen 4.73 en 4.96.

Artikel 4.66

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht wordt bij het vervoer van de verbrandingsoven naar het opslagterrein en de tussentijdse opslag op dat terrein voorkomen dat verbrandingsresiduen in de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht terechtkomen.

Artikel 4.67

  1. Een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie en de terreinen die daarbij horen worden zo geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en per ongeluk vrijkomen van verontreinigende stoffen op of in de bodem en op een oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen.

  2. Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:

    1. wegvloeiend verontreinigd hemelwater;

    2. verontreinigd water dat is overgelopen; en

    3. verontreinigd water afkomstig van brandbestrijding.

  3. Het afvalwater kan worden behandeld voordat het wordt geloosd.

Artikel 4.68

  1. Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden:

    1. de waarden, bedoeld in tabel 4.68, gemeten in een steekmonster;

    2. voor onopgeloste stoffen 30 mg/l, gemeten in een steekmonster; en

    3. voor totaal organisch koolstof 40 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  2. De zuurgraad van het afvalwater is ten minste pH 6,5 en ten hoogste pH 11, gemeten in een steekmonster.

  3. Als meer dan twintig steekmonsters per jaar worden genomen, gelden de emissiegrenswaarden voor 95% van die steekmonsters, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor dioxinen en furanen.

Artikel 4.69

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2 van toepassing.

  4. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    2. voor kwik: NEN-EN-ISO 12846, NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 17852;

    3. voor cadmium, thallium, lood, chroom, koper, nikkel, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885;

    4. voor arseen: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11969;

    5. voor de zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523; en

    6. voor dioxinen en furanen: NEN-ISO 18073.

  5. Voor de som van dioxinen en furanen worden:

    1. de waterfase en de zwevende stof op dioxinen en furanen geanalyseerd;

    2. voordat ze worden opgeteld, de massaconcentraties van de dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen, bedoeld in tabel 4.69, vermenigvuldigd met de toxische equivalentiefactor, bedoeld in die tabel.

Artikel 4.70

  1. Het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen wordt op de volgende manier bemonsterd:

    1. continu, om de zuurgraad, de temperatuur en het debiet te meten;

    2. door dagelijkse steekproeven of metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur, om de totale hoeveelheid onopgeloste stoffen te meten;

    3. door maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur, om totaal organisch koolstof, kwik, cadmium, thallium, arseen, lood, chroom, koper, nikkel, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin te meten; en

    4. door driemaandelijkse metingen tijdens de eerste twaalf maanden dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in bedrijf is, en daarna door zesmaandelijkse metingen, om dioxinen en furanen te meten.

  2. Een monster wordt genomen op het punt waar het afvalwater wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  3. Als het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen samen met ander afvalwater wordt gezuiverd, wordt bepaald welk aandeel van de stoffen, de zuurgraad en de warmte in het uiteindelijk geloosde afvalwater afkomstig is van het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, door ook te bemonsteren op de verschillende afvalwaterstromen voordat ze uitmonden op de afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Artikel 4.71

Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.

Artikel 4.72

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze afgevoerd door een schoorsteen waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.

Artikel 4.73

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden, afhankelijk van de periodegemiddelden in een periodieke meting of continue meting de waarden, bedoeld in tabel 4.73, voor een:

    1. afvalverbrandingsinstallatie; of

    2. afvalmeeverbrandingsinstallatie als daarin:

      1. meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen; of

      2. onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen worden verbrand.

  2. Als een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van minder dan 20 MW, is de emissiegrenswaarde in een maandgemiddelde voor stikstofoxiden niet van toepassing.

  3. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.73, wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 11% in afgas, met uitzondering van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie.

  4. Voor het berekenen van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 3% in afgas.

Artikel 4.73a

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.73 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld over de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, ammoniak, koolmonoxide, waterstoffluoride, zoutzuur en de som van dioxinen en furanen, bedoeld in tabel 4.73.

Artikel 4.74

  1. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide van niet meer dan:

    1. 50 mg/Nm3 in een daggemiddelde, naast het tienminutengemiddelde; of

    2. 100 mg/Nm3 in een uurgemiddelde als de wervelbedtechnologie wordt gebruikt.

  2. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een halfuur- en daggemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van niet meer dan 150 mg/Nm3.

  3. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een halfuur- en daggemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak van niet meer dan 10 mg/Nm3.

  4. Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie die voor 12 november 2019 in gebruik is genomen, kan met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift de emissiegrenswaarde voor de som van dioxinen en furanen, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, worden verhoogd tot ten hoogste 0,06 ng/Nm3.

  5. Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie die voor 12 november 2019 in gebruik is genomen en waar injectie van droog adsorbent wordt toegepast voor de verwijdering van waterstoffluoride en zoutzuur, kunnen met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift de halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, worden verhoogd, tot ten hoogste 1 mg/Nm3 voor waterstoffluoride en 8 mg/Nm3 voor zoutzuur.

Artikel 4.75

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden bij een andere afvalmeeverbrandingsinstallatie dan die, bedoeld in artikel 4.73, de waarden, bedoeld in tabel 4.75, gemeten in een continue of periodieke meting.

  2. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.75, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 6% in afgas, met uitzondering van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen.

  3. Voor het berekenen van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 3% in afgas.

Artikel 4.76

  1. De emissiegrenswaarden voor totaal stof, gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof, zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide, zoutzuur en waterstoffluoride bij een afvalmeeverbrandingsinstallatie worden berekend volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    Vafval: volume van het afgas als gevolg van de verbranding van alleen afvalstoffen, bepaald op basis van de afvalstof of categorie van afvalstoffen die is gespecificeerd in de omgevingsvergunning met de laagste gemiddelde netto calorische waarde en omgerekend naar de emissieconcentratie bij een genormaliseerd zuurstofgehalte volgens de formule, bedoeld in artikel 4.75. Als de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% is van de totale warmte die in de afvalmeeverbrandingsinstallatie vrijkomt, wordt Vafval berekend op basis van een hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij de totale hoeveelheid vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.

    Cafval: emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.73, voor een stof in milligram per normaal kubieke meter. Als in de tabel voor een stof meerdere emissiegrenswaarden zijn opgenomen, heeft Cafval betrekking op de daggemiddelde waarde. De Cafval-waarde wordt omgerekend naar het zuurstofgehalte van de afvalmeeverbrandingsinstallatie.

    Vproces: volume van het afgas als gevolg van het proces dat gebeurt in de afvalverbrandingsinstallatie van de verbranding van brandstoffen die niet zijn aan te merken als afvalstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte als bedoeld in artikel 4.75. Als geen regels gelden voor het volume van het afgas van de afvalmeeverbrandingsinstallatie, wordt het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas gebruikt, zonder verdunning door toevoeging van lucht die voor het verbrandingsproces niet nodig is.

    Cproces: emissiegrenswaarde die voor deze stof zou gelden op grond van paragraaf 4.3, 4.126 of 4.127 als in deze stookinstallaties andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Als in genoemde paragrafen geen emissiegrenswaarde is gesteld voor zoutzuur of waterstoffluoride, wordt hiervoor 30 respectievelijk 10 mg/Nm3 gebruikt.

    C: totale emissiegrenswaarde, bepaald bij een zuurstofgehalte dat is vastgesteld volgens artikel 4.75.

  2. Onder gemiddelde netto calorische waarde wordt verstaan: de hoeveelheid energie die op de onderste verbrandingswaarde is betrokken die bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid brandstof vrijkomt.

Artikel 4.77

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden bij een cementoven, die een afvalmeeverbrandingsinstallatie is, de waarden, bedoeld in tabel 4.77, gemeten in een continue of periodieke meting.

  2. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, genoemd in tabel 4.77, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 10% in afgas.

Artikel 4.78

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabellen 4.73, 4.75 en 4.77, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een periodieke en parallelmeting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    3. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    4. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;

    5. voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;

    6. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;

    7. voor kwik: NEN-EN 13211;

    8. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 12619;

    9. voor de som van cadmium en thallium: NEN-EN 14385;

    10. voor de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium: NEN-EN 14385;

    11. voor de som van dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, 1948-2 en 1948-3;

    12. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    13. voor waterdamp: NEN-EN 14790;

    14. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1;

    15. voor benzo(a)pyreen: NEN-ISO 11338-1 en NEN-ISO 11338-2; en

    16. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.

  3. Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;

    2. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.

Artikel 4.79

  1. Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht continu gemeten:

    1. zwaveldioxide, totaal organische koolstof, zoutzuur, koolmonoxide, totaal stof, ammoniak en stikstofoxiden;

    2. waterstoffluoride, tenzij voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden; en

    3. kwik, tenzij het een afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 4.75 of 4.77 betreft of op basis van emissiemetingen of meting van de samenstelling van de te verbranden afvalstoffen kan worden aangetoond dat de emissie in de lucht onder alle omstandigheden minder is dan 50% van de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 4.73, in welke gevallen kwik periodiek ten minste tweemaal per jaar wordt gemeten.

  2. Als voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden, wordt waterstoffluoride:

    1. periodiek ten minste tweemaal per jaar gemeten; of

    2. in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.

  3. Continue metingen worden onder alle bedrijfscondities verricht.

Artikel 4.80

  1. Een continue meting als bedoeld in artikel 4.79 omvat ook de meting van:

    1. het zuurstofgehalte;

    2. de temperatuur van de verbrandingskamer;

    3. de druk;

    4. het waterdampgehalte van het afgas, tenzij het afgas dat als monster wordt gebruikt, wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd;

    5. de temperatuur van het afgas; en

    6. het debiet van het afgas.

  2. De temperatuur van de verbrandingskamer wordt dicht bij de binnenwand gemeten of op een ander punt, dat is aangetoond als representatief. De overige parameters worden gemeten dicht bij de plaats waar de emissiemetingen worden verricht.

Artikel 4.81

  1. Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:

    1. antimoon;

    2. arseen;

    3. cadmium;

    4. chroom;

    5. dioxinen en furanen;

    6. kobalt;

    7. koper;

    8. lood;

    9. mangaan;

    10. nikkel;

    11. thallium; en

    12. vanadium.

  2. In het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, wordt de emissie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.

  3. De emissie van stikstofoxide van een afvalverbrandingsinstallatie wordt, in afwijking van artikel 4.79, periodiek ten minste om de zes maanden gemeten of in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is periodiek ten minste om de drie maanden gemeten, als:

    1. de afvalverbrandingsinstallatie een totale verbrandingscapaciteit heeft van minder dan 6 ton afvalstoffen per uur, waarbij:

      1. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen; en

      2. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;

    2. een vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen; en

    3. wordt aangetoond dat emissies van stikstofoxiden niet meer zijn dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.75, aan de hand van informatie over de kwaliteit van de afvalstoffen, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies.

  4. Als wordt aangetoond dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide:

    1. periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; of

    2. niet gemeten.

  5. Het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium wordt periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en het gehalte dioxinen en furanen wordt jaarlijks gemeten als wordt aangetoond dat:

    1. de emissies in de lucht onder alle omstandigheden minder zijn dan 50% van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn; of

    2. de afvalstoffen die worden verbrand of meeverbrand alleen bestaan uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijke afvalstoffen die niet recyclebaar zijn, en daarbij aan de hand van informatie over de kwaliteit van die afvalstoffen en over monitoring van de emissies wordt aangetoond dat de emissies in de lucht van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn.

Artikel 4.81a

Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:

  1. benzo(a)pyreen; en

  2. PBDD/F voor zover er afvalstoffen met gebromeerde vlamvertragers worden verbrand of gebromeerde verbindingen worden toegevoegd in de rookgasreinigingsinstallatie.

Artikel 4.82

De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen worden vastgesteld:

  1. op het moment dat de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld; en

  2. op het moment dat de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie onder de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden in werking wordt gesteld.

Artikel 4.83

  1. De resultaten van de metingen, bedoeld in de artikelen 4.79 en 4.81, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte, volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    Es: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;

    Em: de gemeten emissieconcentratie;

    Os: het genormaliseerde zuurstofgehalte; en

    Om: het gemeten zuurstofgehalte.

  2. Als afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand in een atmosfeer die met zuurstof is verrijkt, kunnen de meetresultaten worden omgerekend tot een zuurstofgehalte als wordt aangetoond dat dit de bijzondere omstandigheden van het geval weergeeft.

  3. Als de emissies in de lucht van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden verminderd door behandeling van het afgas in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden behandeld, wordt alleen omgerekend naar de zuurstofgehaltes als het gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante genormaliseerde zuurstofgehalte.

Artikel 4.84

  1. Een periodieke meting van zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide of stikstofoxiden bestaat uit een serie van ten minste drie deelmetingen.

  2. Een deelmeting duurt een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

  3. Periodieke metingen van kwik, de som van cadmium en thallium en de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium bestaan uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste een half uur en ten hoogste acht uur.

  4. Een periodieke meting van dioxinen en furanen bestaat uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste zes uur en ten hoogste acht uur.

  5. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.78 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.85

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  2. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk op de datum dat een periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.86

  1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met parallelmetingen gecontroleerd.

  2. Een parallelmeting die wordt verricht om de meetapparatuur voor continue metingen te verifiëren duurt ten minste een half uur.

  3. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.87

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.86, eerste lid.

  2. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voor een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  3. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk op de datum dat een parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.88

  1. Het resultaat van de continue meting en periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de halfuurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde of niet meer is dan het aantal milligram per normaal kubieke meter, bedoeld in tabel 4.88.

  2. De gevalideerde halfuurgemiddelden en daggemiddelden worden bij continue metingen en periodieke metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, verminderd met de waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

Artikel 4.89

Bij het bepalen van de totale concentratie van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de dioxinen en dibenzofuranen, bedoeld in tabel 4.89, vermenigvuldigd met de toxische equivalentiefactoren, bedoeld in die tabel, voordat ze worden opgeteld.

Tabel 4.89 Toxische equivalentiefactoren

Stof

Afkorting

Toxische equivalentie-factor

2,3,7,8 -tetrachloordibenzodioxine

tcdd

1

1,2,3,7,8-pentachloordibenzodioxine

pecdd

0,5

1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzodioxine

hxcdd

0,1

1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzodioxine

hxcdd

0,1

1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzodioxine

hxcdd

0,1

1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzodioxine

hpcdd

0,01

Octachloordibenzodioxine

ocdd

0,001

2,3,7,8-tetrachloordibenzofuraan

tcdf

0,1

2,3,4,7,8-pentachloordibenzofuraan

pecdf

0,5

1,2,3,7,8- pentachloordibenzofuraan

pecdf

0,05

1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzofuraan

hxcdf

0,1

1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzofuraan

hxcdf

0,1

1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzofuraan

hxcdf

0,1

2,3,4,6,7,8-hexachloordibenzofuraan

hxcdf

0,1

1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzofuraan

hpcdf

0,01

1,2,3,4,7,8,9-heptachloordibenzofuraan

hpcdf

0,01

Octachloordibenzofuraan

ocdf

0,001

Artikel 4.90

  1. Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride, ammoniak en zwaveldioxide wordt in ieder geval voldaan, als:

    1. geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde; en

    2. 97% van de halfuurgemiddelden in een kalenderjaar niet hoger is dan de emissiegrenswaarde.

  2. Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor stikstofoxiden wordt voldaan, als:

    1. geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde;

    2. geen van de maandgemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde; en

    3. 97% van de halfuurgemiddelden in een kalenderjaar lager is dan de emissiegrenswaarde.

  3. Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan, als:

    1. 97% van de daggemiddelden in een kalenderjaar lager is dan de emissiegrenswaarde; en

    2. 95% van alle 10-minutengemiddelden in een periode van 24 uur lager is dan die emissiegrenswaarde.

  4. Aan de emissiegrenswaarden voor afvalmeeverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak en koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan als geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde.

  5. Als continue metingen niet zijn vereist, wordt aan de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, waterstoffluoride en zoutzuur in ieder geval voldaan, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst voor die stof hoger is dan de emissiegrenswaarde.

  6. Aan de emissiegrenswaarden voor de som van cadmium en thallium, de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium en dioxinen en furanen wordt in ieder geval voldaan, als het gevalideerde resultaat van de periodieke metingen lager is dan de emissiegrenswaarde die daarbij hoort.

  7. Aan de emissiegrenswaarde voor afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties voor kwik wordt voldaan als:

    1. bij periodieke metingen het gevalideerde resultaat lager is dan de emissiegrenswaarde; of

    2. bij continue metingen geen van de daggemiddelden hoger is dan 150% van de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.91

  1. Halfuurgemiddelden en 10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de verbrandingsinstallatie in werking is, met uitzondering van de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie als in die tijd geen afvalstoffen worden verbrand.

  2. Bij de bepaling van het daggemiddelde worden ten hoogste vijf halfuurgemiddelden door defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.

  3. Per kalenderjaar worden ten hoogste tien daggemiddelden door defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4.92

  1. Het is toegestaan dat voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75 en 4.77, of de emissiegrenswaarden, berekend volgens artikel 4.76, worden overschreden, als de overschrijding het rechtstreeks gevolg is van technisch onvermijdelijke:

    1. stilleggingen van de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur;

    2. storingen; of

    3. defecten aan de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur.

  2. Als voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77 worden overschreden, kan de thermische behandeling van afvalstoffen niet langer dan 4 uur ononderbroken worden gecontinueerd.

  3. Als voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77, worden overschreden, de ovens verbonden zijn met dezelfde afgasreinigingsinstallatie en:

    1. afvalstoffen thermisch worden behandeld, zijn de ovens niet meer dan 60 uur per kalenderjaar in werking; en

    2. afvalstoffen niet thermisch worden behandeld, zijn de ovens niet meer dan 120 uur per kalenderjaar in werking, verminderd met het aantal uur in het kalenderjaar dat de verbrandingsstraten onder de omstandigheid, bedoeld onder a, in werking zijn.

  4. Bij een omstandigheid als bedoeld in het tweede of derde lid:

    1. zijn de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77, met uitzondering van de in die artikelen opgenomen emissiegrenswaarden voor koolmonoxide en gasvormige en vluchtige organische stoffen, in de periode dat die omstandigheid zich voordoet, niet van toepassing; en

    2. is de halfuurgemiddelde emissiegrenswaarde van totaal stof 150 mg/Nm3.

  5. Bij een defect van de afgasreinigingsapparatuur wordt de activiteit zo spoedig mogelijk verminderd of stilgelegd totdat normale werking opnieuw mogelijk is.

Artikel 4.93

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt bij het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie en een afvalmeeverbrandingsinstallatie een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt als uit continue metingen blijkt dat een emissie in de lucht als gevolg van storingen of defecten aan de afgasreinigingsapparatuur hoger is dan een emissiegrenswaarde.

Artikel 4.94

Als dit technisch mogelijk is, wordt de warmte die door het proces van thermische behandeling in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt opgewekt, teruggewonnen.

Artikel 4.95

  1. Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen is het netto elektrisch rendement van een afvalmeeverbrandingsinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 MW of meer die met steenkool of een combinatie van steenkool en een andere brandstof wordt gestookt en die niet is bedoeld voor het drogen of het behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas ten minste 40%.

  2. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de afvalmeeverbrandingsinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de afvalmeeverbrandingsinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan een transmissiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, waarbij deze periode ten minste een jaar is.

  3. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit, geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.

  4. Bij levering aan een warmtenet wordt:

    1. de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die worden gebruikt in verband met de warmteproductie; en

    2. de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit geleverde elektriciteit verhoogd met de elektriciteitsderving door de warmtelevering.

Artikel 4.96

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen alleen in ontvangst genomen als:

    1. de massa van de afvalstoffen is vastgesteld en geregistreerd, zo mogelijk per categorie als bedoeld in de bijlage bij de afvalbeschikking;

    2. van de gevaarlijke afvalstoffen representatieve monsters zijn genomen, zo mogelijk voordat de lading wordt gelost en die monsters zijn geanalyseerd;

    3. degene waarvan de gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst worden genomen de volgende gegevens heeft verstrekt en daarvan de gegevens, bedoeld onder 1° en 2°, zijn gecontroleerd:

      1. de begeleidingsbrieven, bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, en, voor zover van toepassing, het vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen, bedoeld in bijlage IB bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);

      2. de gegevens die bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn vereist;

      3. de gegevens over de gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen;

      4. de gegevens over de stoffen waarmee de gevaarlijke afvalstoffen niet mogen worden gemengd;

      5. de gegevens over de bij de behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen;

      6. de fysische, en als dat mogelijk is, chemische samenstelling van de afvalstoffen; en

      7. alle overige gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces.

  2. De monsters, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden ten minste een maand na het thermisch behandelen van de partij waaruit de monsters zijn genomen bewaard. De fysische en chemische samenstelling blijft ongewijzigd.

  3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden ten minste vijf jaar na het thermisch behandelen van de partij waarop de gegevens betrekking hebben bewaard.

Artikel 4.96a

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.96 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld voor een ippc-installatie waarin alleen afvalstoffen thermisch worden behandeld die afkomstig zijn van die installatie.

Artikel 4.97

Voordat de methoden van verwijdering of recycling van de residuen worden vastgesteld, worden passende tests uitgevoerd om na te gaan wat de fysische en chemische eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de residuen zijn. Die tests hebben betrekking op de totale oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.

Artikel 4.98

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen bij een afvalverbrandingsinstallatie worden afvalverbrandingsresiduen gerecycled als dat mogelijk is en dat de voorkeur heeft.

  2. Een afvalverbrandingsinstallatie wordt zo geëxploiteerd dat een niveau van thermische behandeling wordt bereikt waardoor:

    1. de totale hoeveelheid organische koolstof in de slakken en de bodemas minder is dan 3% van het droge gewicht van het materiaal; of

    2. het gloeiverlies van de slakken en de bodemas minder is dan 5% van het droge gewicht van het materiaal.

  3. Voor de toepassing van het tweede lid worden de slakken en de bodemas viermaal per jaar bemonsterd en geanalyseerd. De bemonstering wordt verricht volgens NEN-EN 14899 en de analyse wordt voor onderdeel a verricht volgens NEN-EN 15619 of NEN-EN 15935 en voor onderdeel b volgens NEN-EN 13137 of NEN-EN 15936.

  4. Een afvalverbrandingsinstallatie is zo uitgerust en gebouwd en wordt zo geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur, gemeten dichtbij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, van:

    1. ten minste 850 °C; of

    2. ten minste 1.100 °C als gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte dat hoger is dan 1% gehalogeneerde organische verbindingen, uitgedrukt in chloor, thermisch worden behandeld.

  5. Bij het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie wordt een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt:

    1. totdat bij het in werking stellen de temperatuur die op grond van het vierde lid is vereist, is bereikt; en

    2. als de vereiste temperatuur niet blijft gehandhaafd.

Artikel 4.99

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt elke verbrandingskamer van de afvalverbrandingsinstallatie uitgerust met ten minste een hulpbrander die automatisch wordt ingeschakeld als de temperatuur van de verbrandingsgassen, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, tot onder de temperatuur zakt die op grond van artikel 4.98, derde lid, is vereist.

  2. De hulpbrander wordt ook tijdens de inwerkingstelling en de stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie gebruikt om ervoor te zorgen dat de temperatuur die op grond van artikel 4.98, derde lid, is vereist tijdens deze inwerkingstelling en stillegging steeds wordt gehandhaafd zolang de verbrandingskamer onverbrande afvalstoffen bevat.

  3. Naar de hulpbrander worden geen brandstoffen toegevoerd die hogere emissies kunnen veroorzaken dan de emissies bij het stoken van gasolie voor de scheepvaart, bedoeld in Richtlijn 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PbEU 2016, L 132).

Artikel 4.100

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen bij een afvalmeeverbrandingsinstallatie worden afvalverbrandingsresiduen gerecycled als dat mogelijk is en dat de voorkeur heeft.

  2. Een afvalmeeverbrandingsinstallatie is zo ontworpen, uitgerust en gebouwd en wordt zo geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afvalstoffen ontstane gas, twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur, van:

    1. ten minste 850 °C; of

    2. ten minste 1.100 °C als gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte dat hoger is dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, worden meeverbrand.

  3. Er wordt een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt totdat bij het in werking stellen de temperatuur is bereikt die op grond van het tweede lid is vereist of als de vereiste temperatuur niet blijft gehandhaafd.

Artikel 4.101

Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in de artikelen 4.98, 4.99 en 4.100, is toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist.

Artikel 4.102

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen is het beheer van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie in handen van een natuurlijk persoon die bekwaam is deze te beheren en wordt de installatie doelmatig geëxploiteerd.

  2. Een doelmatige exploitatie omvat ten minste operationele procedures, managementsystemen en technische voorzieningen die:

    1. waarborgen dat de procescondities zijn afgestemd op de afvalstoffen die worden verbrand;

    2. voor zover mogelijk de opstart- en afstookperiodes tot een minimum beperken;

    3. bedrijfsvoering buiten de ontwerpwaarden voorkomen;

    4. de emissies tijdens storingen en andere periodes met verhoogde emissies tot een minimum beperken;

    5. het nuttig gebruik van hulpstoffen en reagentia in de rookgasreiniging waarborgen;

    6. de hoeveelheden residuen en afvalstoffen en afvalwater uit de rookgasreiniging tot een minimum beperken;

    7. waarborgen dat vervuilde afvalwaterstromen voor reiniging niet worden verdund;

    8. waarborgen dat slakken, bodemassen en rookgasreinigingsresiduen, voor zover haalbaar, nuttig hergebruikt kunnen worden; en

    9. diffuse emissies van geur, stof en vluchtige organische stoffen ten gevolge van transport, opslag en behandeling van afvalstoffen tot een minimum beperken.

Artikel 4.103

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt infectieus ziekenhuisafval rechtstreeks en in gesloten verpakking in de oven van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie geplaatst, zonder voorafgaande vermenging met andere categorieën van afvalstoffen volgens de bijlage bij de afvalbeschikking.

Artikel 4.103a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103b

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103c

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103d

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103e

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103f

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.103g

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.104

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van titaandioxide.

Artikel 4.105

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt jaarlijks voor 1 maart geïnformeerd over de omvang van de productie van titaandioxide over het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 4.106

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld.

Artikel 4.107

De volgende afvalstoffen worden niet geloosd:

  1. vaste afvalstoffen;

  2. moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van titanylsulfaat van een installatie die het sulfaatproces toepast, waaronder in ieder geval:

    1. zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten; en

    2. de moederlogen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;

  3. afvalstoffen afkomstig van een ippc-installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast en die meer dan 0,5% vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waaronder in ieder geval de afvalstoffen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zoutzuur bevatten; en

  4. filterzouten, slibvormige afvalstoffen en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling door concentratie of neutralisatie van de afvalstoffen, bedoeld onder b en c, en die verschillende zware metalen bevatten, met uitzondering van geneutraliseerde en gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die alleen sporen van zware metalen bevatten en die een zuurgraad van meer dan pH 5,5 hebben, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.108

Voor het afvalwater afkomstig van een installatie waarin het sulfaatproces wordt toegepast dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.108.

Tabel 4.108 Emissiegrenswaarden

Stof

Emissiegrenswaarde kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide

Sulfaat

100

Onopgeloste stoffen

2,5

IJzerverbindingen

0,6

Artikel 4.109

  1. Voor het afvalwater afkomstig van een installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.109.

  2. Als natuurlijk rutiel, synthetisch rutiel of slakken worden gebruikt, gelden de voor die grondstoffen bedoelde emissiegrenswaarden naar evenredigheid van de hoeveelheden waarin deze stoffen worden gebruikt.

Artikel 4.110

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het ontsluiten van een monster is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.

  4. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor de zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523;

    2. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    3. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2;

    4. voor sulfaat: NEN-ISO 22743; en

    5. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682.

Artikel 4.111

Het afvalwater wordt ten minste elke zes maanden bemonsterd door een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur, en geanalyseerd op:

  1. de zuurgraad;

  2. sulfaat, bij het sulfaatproces; en

  3. chloride, bij het chlorideproces.

Artikel 4.112

Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht wordt de emissie van zuurdruppels in de lucht voorkomen.

Artikel 4.113

Voor de emissie in de lucht bij het maken van titaandioxide via het chlorideproces en sulfaatproces zijn de emissiegrenswaarden voor titaandioxide de waarden, bedoeld in tabel 4.113, gemeten in een continue, periodieke of eenmalige meting.

Tabel 4.113 Emissiegrenswaarden titaandioxide

Stof

Emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide

Emissiegrenswaarde in uurgemiddelde in mg/Nm3

Totaal stof, waarbij massastroom ten minste 200 g/uur

0,2

5

Totaal stof, waarbij massastroom minder dan 200 g/uur

0,2

20

Gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide

1,7

50

Artikel 4.114

Voor de emissie in de lucht bij het maken van titaandioxide via het chlorideproces zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.114, gemeten in een continue, periodieke of eenmalige meting.

Tabel 4.114 Emissiegrenswaarden titaandioxide bij chlorideproces

Stof

Emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide

Emissiegrenswaarde in daggemiddelde in mg/Nm3

Emissiegrenswaarde in momentane waarde in mg/Nm3

Zoutzuur

0,1

10

Chloor

3

40

Artikel 4.115

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabellen 4.113 en 4.114, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een periodieke meting en parallelmeting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor zoutzuur en chloor: NEN-EN 1911;

    3. voor zwaveldioxide en zwaveltrioxide: NEN-EN 14791;

    4. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    5. voor waterdamp: NEN-EN 14790; en

    6. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

  3. Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en

    2. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.

Artikel 4.116

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.113 en 4.114, wordt voldaan.

  2. De meting van de emissies omvat:

    1. een continue meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van ten minste 200 g/u;

    2. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van minder dan 200 g/u;

    3. als het sulfaatproces wordt gebruikt: een continue meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van de ontsluiting en roosting uit installaties voor de concentratie van afvalzuren; en

    4. als het chlorideproces wordt gebruikt:

      1. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide;

      2. een continue meting van de emissieconcentratie van chloor afkomstig uit de voornaamste bronnen; en

      3. om het jaar een periodieke meting van de emissieconcentratie van zoutzuur.

Artikel 4.117

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

  3. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.

  4. Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.

  5. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  6. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.115 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.118

  1. Geautomatiseerde meetsystemen worden jaarlijks met parallelmetingen gecontroleerd.

  2. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.119

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste vier weken na de controle, bedoeld in artikel 4.118, eerste lid, geïnformeerd over de resultaten daarvan.

Artikel 4.120

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van zwavel in een olieraffinaderij volgens het Clausproces of modificaties van het Clausproces.

Artikel 4.121

  1. De omzettingsgraad van geconcentreerd waterstofsulfide van een installatie die zwavel produceert is per maand gemiddeld ten minste 99,8%.

  2. Voor een bestaande installatie die zwavel produceert waarvoor op 1 januari 2016 een omgevingsvergunning voor het oprichten, het veranderen of het veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting op grond van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking was en onherroepelijk was waarin een lagere omzettingsgraad is vastgelegd, geldt de in die omgevingsvergunning opgenomen lagere omzettingsgraad.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op een bestaande installatie die zwavel produceert waarvan de verwerkingscapaciteit van de totale installatie met meer dan 50% wordt verhoogd.

Artikel 4.122

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van asfalt of asfaltproducten.

Artikel 4.123

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.122, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.124

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bitumen worden asfalt en asfaltproducten gemaakt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.125

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het maken van asfalt of asfaltproducten geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.126

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.127

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.127.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.127, niet overschrijdt.

Artikel 4.128

Aan artikel 4.127, eerste lid, wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als de emissies van de droogtrommel en de installatie voor de productie van asfalt:

  1. worden afgezogen; en

  2. door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.129

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in artikel 4.127, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een meting zijn ook van toepassing:

    1. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-ISO 11338-1 en NEN-ISO 11338-2;

    2. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    3. voor stikstofoxiden, berekend als stikstofdioxide: NEN-EN 14792;

    4. voor zwaveloxiden, berekend als zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    5. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619; en

    6. voor benzeen: NPR-CEN/TS 13649.

  3. De toetsing aan de emissiegrenswaarde voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen vindt plaats op basis van de som van de gemeten concentraties van naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, anthraceen, fluorantheen, pyreen, benz(a)anthraceen, chryseen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3,c,d)pyreen, dibenzo(a,h)anthraceen en benzo(g,h,i)peryleen.

  4. Emissies worden omgerekend tot een volumegehalte aan zuurstof van 17%.

Artikel 4.130

  1. Er wordt ten minste eenmalig gemeten of aan de emissiegrenswaarden voor totaal stof, stikstofoxiden, zwaveloxiden en vluchtige organische stoffen, bedoeld in tabel 4.127, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is voor totaal stof niet van toepassing als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.128, worden getroffen.

  3. Er wordt ten minste één keer per jaar gemeten of aan de emissiegrenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen en benzeen, bedoeld in tabel 4.127, wordt voldaan.

  4. Wanneer een emissiereductietechniek wordt toegepast vindt ook monitoring plaats door middel van een emissierelevante parameter.

  5. Bij een emissierelevante parameter wordt aangetoond:

    1. welke emissierelevante parameters de emissies van een specifieke component controleren; en

    2. binnen welke grenzen de emissierelevante parameters voldoen aan de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.131

  1. Een meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting van polycyclische aromatische koolwaterstoffen en benzeen in die tijd te verrichten, kan de meting van deze stoffen ook bestaan uit een eenmalige meting van 2 uur.

  2. Het resultaat van een meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen of de eenmalige meting, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.131.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.129 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.132

  1. Aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.127, wordt voldaan als in geen van de metingen de emissies hoger zijn dan de emissiegrenswaarden in die tabel.

  2. Als een emissie in een van de deelmetingen hoger is dan de emissiegrenswaarde, wordt de eenmalige meting uiterlijk drie maanden na de laatste deelmeting van de eenmalige meting herhaald.

  3. Als de hogere emissie die aanleiding was voor de herhaalde eenmalige meting opnieuw hoger is dan de emissiegrenswaarde, worden maatregelen getroffen om verdere overschrijding te voorkomen.

Artikel 4.132a

  1. De resultaten van emissiemetingen of controles van emissierelevante parameters worden vastgelegd in een rapport.

  2. De resultaten van emissiemetingen worden:

    1. gerapporteerd bij condities van de lucht bij een temperatuur van 273 K, 101,3 kPa en betrokken op droge lucht voor temperatuur en druk, en bij droog afgas; en

    2. gecorrigeerd voor de meetonzekerheid.

Artikel 4.133

  1. Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt een asfaltmenginstallatie ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op optimale verbranding.

  2. De keuring wordt voor de eerste keer uitgevoerd uiterlijk zes weken nadat de asfaltmenginstallatie in gebruik is genomen.

  3. De keuring omvat:

    1. de afstelling voor de verbranding;

    2. het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht; en

    3. de afvoer van verbrandingsgassen.

  4. De keuring wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.

  5. Als uit de keuring blijkt dat de stookinstallatie onderhoud nodig heeft, wordt dat onderhoud uiterlijk twee weken na de keuring verricht.

Artikel 4.134

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van betonmortel.

Artikel 4.135

  1. Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.134, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de locaties van de lozingspunten; en

    2. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.136

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.134, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.137

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met betonmortel worden verontreinigde onderdelen en voorzieningen gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.138

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vliegas, poederkoolvliegas en gegranuleerde hoogovenslakken worden goederen gedoseerd en gemengd tot betonmortel boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.139

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt spoelwater opnieuw gebruikt.

Artikel 4.140

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.141

  1. Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater en het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam geleid door een bezinkvoorziening.

  2. Voor dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster, en is de zuurgraad ten hoogste pH 10, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.142

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.143

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het analyseren van een monster is voor onopgeloste stoffen NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.144

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.145

Bijlage IV bevat een indeling van goederen in de stuifklassen S1 tot en met S5.

Artikel 4.146

Met het oog op het voorkomen of het beperken van diffuse emissies in de lucht worden goederen ingedeeld in stuifklasse S1, in een gesloten ruimte gedoseerd en gemengd.

Artikel 4.147

  1. Voor de emissie in de lucht bij het doseren en mengen van goederen is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de lucht afkomstig van ontluchtingsopeningen door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.

Artikel 4.148

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.149

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.147, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.150

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.148 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.151

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het doseren en mengen van goederen tot betonmortel emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.152

Deze paragraaf is van toepassing op het maken van producten met betonmortel.

Artikel 4.153

  1. Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.152, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de locaties van de lozingspunten; en

    2. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.154

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.152, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.155

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met betonmortel wordt beton uitgewassen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.156

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met ontkistingsmiddelen wordt ontkistingsmiddel op bekisting aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening, tenzij het aanbrengen plaatsvindt bij een bouwplaats.

  2. Betonproducten in bekisting, waaruit ontkistingsmiddelen kunnen lekken, worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening, tenzij het opslaan plaatsvindt bij een bouwplaats.

Artikel 4.157

Er worden alleen plantaardige of oplosmiddelvrije ontkistingsmiddelen gebruikt, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.158

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.159

Voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l en voor chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.160

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.161

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het analyseren van een monster is van toepassing:

    1. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en

    2. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Artikel 4.162

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.163

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van de volgende grafische processen:

  1. heatsetrotatieoffset;

  2. illustratiediepdruk;

  3. rotatiediepdruk;

  4. rotatiezeefdruk;

  5. flexodruk;

  6. zeefdruk;

  7. vellenoffset;

  8. het mengen van inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegingsmiddelen;

  9. het destilleren van oplosmiddelresten; en

  10. het spoelen van verpakkingen van inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegingsmiddelen.

Artikel 4.164

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.163, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.165

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.163, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.166

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu worden:

  1. geen hulpstoffen met chroom gebruikt; en

  2. bij zeefdruk alleen reinigingsmiddelen met een vlampunt van hoger dan 55 °C gebruikt.

Artikel 4.167

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden oplosmiddelresten gedestilleerd in een brandcompartiment.

Artikel 4.168

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegingsmiddelen worden grafische processen boven een aaneengesloten bodemvoorziening uitgevoerd.

Artikel 4.169

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater:

    1. is er een werkinstructie over het voorkomen van verontreiniging van afvalwater opgesteld; en

    2. zijn voorzieningen aanwezig die zijn afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht.

  2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:

    1. welke werkwijze wordt gevolgd bij het reinigen van de installaties voor grafische processen; en

    2. welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te beperken.

Artikel 4.170

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van het afvalwater geldt bij zeefdrukken:

    1. dat bij het reinigen van zeefdrukramen inkt in stappen wordt verwijderd; en

    2. dat het verwijderen van inkt en het strippen van het sjabloon procesmatig worden gescheiden.

  2. Aan het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval voldaan als inkt aan de zeefdrukmachine wordt verwijderd en een automatische drukvormwasinstallatie of een drukvormspoelmeubel wordt gebruikt.

Artikel 4.171

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt alleen het naspoelwater afkomstig van het polijsten, ontvetten of ontwikkelen van zeefdrukgaas of het strippen van een sjabloon geloosd.

Artikel 4.172

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen naspoelwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.173

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.174

  1. Voor de emissie in de lucht bij het bedrukken met vellenoffset is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

    1. de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd; of

    2. het gebruik van anti-smetpoeder niet meer is dan 500 kg/jaar.

Artikel 4.175

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.176

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.174, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.177

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste 15 minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.175 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.178

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.179

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van anorganische deklagen, metaallagen of conversielagen op metalen.

Artikel 4.180

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.179, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.181

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.179, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.182

Met het oog op het beschermen van het milieu worden geen perfluoroctaansulfonaten en kwik gebruikt.

Artikel 4.183

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met emaille worden anorganische deklagen op metalen aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.184

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met chroomzuur en zwavelzuur worden conversielagen op metalen aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.185

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met zwavelzuur en chroom worden metaallagen op metalen aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.186

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden metaallagen thermisch op metalen aangebracht boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.187

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater:

    1. is er een werkinstructie over het voorkomen van verontreiniging van afvalwater opgesteld; en

    2. zijn voorzieningen aanwezig die zijn afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht.

  2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te beperken, waaronder de manier waarop de oversleep wordt beperkt.

Artikel 4.188

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het aanbrengen van lagen op metalen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.189

  1. Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.189, gemeten in een steekmonster of in een etmaalmonster.

  2. De som van de vrachten, bedoeld in tabel 4.189, is de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver in het afvalwater, gemeten na het aanbrengen van lagen op metalen, maar voordat het afvalwater een zuiveringsstap heeft doorlopen.

Artikel 4.190

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor chroom VI: NEN-ISO 11083;

    2. voor chroom, koper, lood, nikkel, tin, zilver en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965, waarbij elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en

    3. voor vrij cyanide: NEN-EN-ISO 14403.

Artikel 4.191

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.192

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.193

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht worden anorganische deklagen op metalen in een gesloten ruimte aangebracht.

  2. Bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen wordt geschoopeerd in een gesloten ruimte waar onderdruk heerst en afzuiging is.

Artikel 4.194

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt bij het aanbrengen van metaallagen op metalen de lucht afgezogen.

Artikel 4.195

  1. Voor de emissie in de lucht bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.195, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.195, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.196

  1. Voor de emissie in de lucht bij het aanbrengen van conversielagen op metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.196, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.196, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

  4. Aan het eerste lid wordt voor zwavelzuur in ieder geval voldaan als:

    1. de temperatuur van de zwavelzuurbaden voor het zwavelzuuranodiseren minder is dan 60 °C; en

    2. de afgezogen emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

Artikel 4.197

  1. Voor de emissie in de lucht bij het aanbrengen van metaallagen op metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.197, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.197, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, cadmium en cadmiumverbindingen in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

Artikel 4.198

  1. Voor de emissie in de lucht bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.198, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.198, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof en zinkchloride in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

  4. Aan het eerste lid wordt voor chloorverbindingen, berekend als waterstofchloride, anders dan zinkchloride, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser worden gevoerd.

Artikel 4.199

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen en de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in de tabellen 4.195, 4.196, 4.197 en 4.198, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting zijn van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom: NEN-ISO 16740;

    3. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    4. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;

    5. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    6. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    7. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    8. voor dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, 1948-2 en 1948-3;

    9. voor kwik: NEN-EN 13211;

    10. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    11. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.200

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabellen 4.195, 4.196, 4.197, en 4.198, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van anorganische deklagen als een maatregel als bedoeld in artikel 4.195, derde lid, wordt getroffen.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van conversielagen op metalen als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.196, derde en vierde lid, worden getroffen.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van metaallagen op metalen als een maatregel als bedoeld in artikel 4.197, derde lid, wordt getroffen.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.198, derde en vierde lid, worden getroffen.

Artikel 4.201

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.201.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.199 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.202

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden afgezogen emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.202a

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.195, niet van toepassing op het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

Artikel 4.203

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van het smeltproces of gietproces van metalen, dat bestaat uit:

    1. het smelten en gieten van metalen;

    2. het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch gebonden zand voor het gieten van metalen;

    3. het maken van croningkernen en coldboxkernen voor het gieten van metalen;

    4. het uitbreken en ontzanden van gietstukken;

    5. de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen; en

    6. het maken van een vorm met behulp van was, met inbegrip van het verwijderen van de was.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het minder dan 500 kg/jaar smelten en gieten van:

    1. goud;

    2. zilver;

    3. platina; of

    4. legeringen met ten minste 30% goud, zilver of platina.

Artikel 4.204

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.203, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.205

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.203, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.206

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met aluminium, lood, zink, tin, koper, nikkel, oplosmiddelen en harsen gebeurt het smeltproces en gietproces boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.207

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.208

  1. Voor de emissie in de lucht bij het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch zand voor het gieten van metalen, bij de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen en bij het uitbreken en ontzanden van gietstukken is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt bij het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch zand voor het gieten van metalen en bij de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

  4. Aan het eerste lid wordt bij het uitbreken en ontzanden van gietstukken in ieder geval voldaan als:

    1. de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd; en

    2. gietstukken worden uitgebroken en ontzand in een gesloten ruimte met gesloten deuren en ramen.

Artikel 4.209

Met het oog op het voorkomen of het beperken van de emissie van dioxinen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht worden bij het smelten van metalen alleen de volgende metalen gesmolten:

  1. metaal dat voldoet aan de technische standaarden voor reguliere toepassing van het metaal;

  2. metaal waarvan de soort legering en de verhouding van metalen in de legering bekend is en kan worden aangetoond;

  3. metaal dat zichtbaar vrij is van olie, olie-emulsies, smeermiddelen of vet, met uitzondering van hoeveelheden die geen druppelvorming tot gevolg hebben; en

  4. metaal dat geen eigenschappen bezit van bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen, waarbij de eigenschappen van het metaal zelf of metalen in de legering zelf niet relevant zijn.

Artikel 4.210

  1. Voor de emissie in de lucht bij het smelten van metalen is de emissiegrenswaarde van lood en loodverbindingen, berekend als lood, 0,5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van lood en loodverbindingen, berekend als lood, niet meer is dan 1,25 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

    1. bij het smelten van koper en koperlegeringen, aluminium en aluminiumlegeringen, zink en zinklegeringen en tin en tinlegeringen, de legering minder dan 2% lood bevat;

    2. bij het smelten van koper en koperlegeringen, aluminium en aluminiumlegeringen, zink en zinklegeringen en tin en tinlegeringen, de legering minder dan 5% lood bevat en de smeltoven minder dan 200 uur per jaar in bedrijf is;

    3. bij het smelten van koper en koperlegeringen, aluminium en aluminiumlegeringen, zink en zinklegeringen en tin en tinlegeringen, de legering minder dan 10% lood bevat en de smeltoven minder dan 100 uur per jaar in bedrijf is; of

    4. de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.211

  1. Voor de emissie in de lucht bij het maken van croningkernen en coldboxkernen voor het gieten van metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.211, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.211, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser worden gevoerd.

Artikel 4.212

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in de artikelen 4.208 en 4.210 en tabel 4.211, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: is NEN-EN 13284-1;

    2. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    3. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    4. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    5. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.213

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof, bedoeld in artikel 4.208, eerste lid, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als bij het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch gebonden zand voor het gieten van metalen de maatregel, bedoeld in artikel 4.208, derde lid, wordt getroffen.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als bij het uitbreken en ontzanden van gietstukken de maatregelen, bedoeld in artikel 4.208, vierde lid, worden getroffen.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als bij de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen de maatregel, bedoeld in artikel 4.208, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.214

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor lood en loodverbindingen, bedoeld in artikel 4.210, eerste lid, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.210, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.215

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.211, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.211, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.216

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.216.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.212 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.217

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden afgezogen emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.218

Deze paragraaf is van toepassing op het stralen van metalen.

Artikel 4.219

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.218, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.220

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.218, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.221

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met straalmiddelen en gebruikt straalwater worden metalen gestraald boven een vloeistofdichte bodemvoorziening als vloeibare straalmiddelen worden gebruikt.

  2. Bij een gesloten proces worden metalen gestraald boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.222

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vaste straalmiddelen, verfdeeltjes of metaaldeeltjes worden metalen gestraald boven een aaneengesloten bodemvoorziening als vaste straalmiddelen worden gebruikt.

Artikel 4.223

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte bodemvoorziening niet geloosd.

Artikel 4.224

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van stralen van metalen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.225

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.226

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.227

Met het oog op het beperken van diffuse emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden metalen in een gesloten ruimte gestraald.

Artikel 4.228

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.228, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.228, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.

Artikel 4.229

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen en de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.228, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;

    2. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    3. voor chroom VI-verbindingen: NEN-ISO 16740;

    4. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    5. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    6. voor dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3;

    7. voor kwik: NEN-EN 13211;

    8. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    9. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.230

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.228, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.228, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.231

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste 15 minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.231.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.229 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.232

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden de emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.232a

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.228, niet van toepassing op het stralen van metalen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

Artikel 4.233

Deze paragraaf is van toepassing op het schoonbranden van metalen.

Artikel 4.234

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.233, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.235

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het nabehandelen van de emissie die vrijkomt bij het schoonbranden van metalen in een gaswasser niet geloosd.

Artikel 4.236

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.237

Met het oog op het voorkomen van emissies in de lucht worden lood, geïsoleerde kabels, oliegekoelde transformatoren en metaaloppervlakken die zijn verontreinigd met halogeenverbindingen niet schoongebrand.

Artikel 4.238

Met het oog op het voorkomen van emissies in de lucht worden metalen voorafgaand aan het schoonbranden vrijgemaakt van materialen die op andere wijze dan door schoonbranden kunnen worden verwijderd.

Artikel 4.239

  1. Voor de emissie in de lucht bij het schoonbranden van metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.239, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.239, niet overschrijdt.

Artikel 4.240

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een elektrische oven wordt gebruikt en de hieruit afgezogen dampen via condensatie of absorptie worden behandeld en teruggeleid naar de oven zonder dat een emissie in de lucht optreedt.

Artikel 4.241

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een gasgestookte oven wordt gebruikt met een capaciteit voor het reinigen van producten van minder dan 5 ton, en:

  1. de rookgassen uit de gasgestookte oven worden geleid door een geschikte naverbrander, die zo is ingeregeld dat:

    1. de temperatuur tot het einde van de cyclus ten minste 850 °C is;

    2. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;

    3. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en

    4. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;

  2. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de gasgestookte oven kunnen worden afgevoerd; en

  3. het temperatuurverloop van de gasgestookte oven en de naverbrander continu wordt geregistreerd.

Artikel 4.242

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een gasgestookte oven wordt gebruikt met een capaciteit voor het reinigen van producten van ten minste 5 ton en:

  1. de rookgassen uit de gasgestookte oven worden geleid door een geschikte naverbrander, die zo is ingeregeld dat:

    1. tot het einde van de cyclus de temperatuur ten minste 850 °C is;

    2. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;

    3. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en

    4. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;

  2. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de gasgestookte oven kunnen worden afgevoerd;

  3. het zuurstofpercentage in de rookgassen na de naverbrander ten minste 6% is;

  4. via beveiligingen is geborgd dat het schoonbranden niet kan starten als de naverbrander niet werkt en dat de naverbrander niet kan worden uitgeschakeld als de oven in bedrijf is;

  5. de maximale belading van de gasgestookte oven is vastgesteld en niet kan worden overschreden;

  6. de nabrandtijd van de naverbrander vast staat ingesteld op de waarde die in een controlemeting bij de maximale belading is vastgesteld en voldoende is om bij maximale belading alle dampen te verbranden;

  7. het temperatuurverloop van de gasgestookte oven en de naverbrander continu wordt geregistreerd; en

  8. het zuurstofgehalte en het koolmonoxidegehalte van de rookgassen continu worden gemeten en geregistreerd.

Artikel 4.243

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.239, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;

    2. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    3. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    4. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    5. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    6. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    7. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.244

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.239, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.240, 4.241 of 4.242 wordt getroffen.

Artikel 4.245

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.245.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.243 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.246

Deze paragraaf is van toepassing op het etsen en beitsen van metalen.

Artikel 4.247

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.246, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.248

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.246, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.249

Met het oog op het beschermen van het milieu worden geen perfluoroctaansulfonaten gebruikt.

Artikel 4.250

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden metalen geëtst en gebeitst boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.251

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van etsen en beitsen van metalen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.252

  1. Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.252, gemeten in een steekmonster of in een etmaalmonster.

  2. De som van de vrachten, bedoeld in tabel 4.252, is de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver in het afvalwater, gemeten na het etsen of beitsen van metalen, maar voordat het afvalwater een zuiveringsstap heeft doorlopen.

Artikel 4.253

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor chroom, koper, lood, nikkel, tin, zilver en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    2. voor chroom VI: NEN-ISO 11083; en

    3. voor vrij cyanide: NEN-EN-ISO 14403.

Artikel 4.254

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.255

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.256

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.257

  1. Voor de emissie in de lucht, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.257, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.257, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

    1. de totale oppervlakte van de aanwezige etsbaden en beitsbaden met eenzelfde werkzame badvloeistof minder is dan 3 m2, de temperatuur van de baden niet hoger is dan 50 °C en er geen agitatie van de vloeistof in de baden is; of

    2. de emissies die vrijkomen bij het etsen en beitsen van metalen door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

Artikel 4.258

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabel 4.257, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    2. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    3. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;

    4. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    5. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    6. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.259

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.257, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.257, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.260

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.260.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.258 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.261

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden de afgezogen emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.262

Deze paragraaf is van toepassing op het lassen van metalen.

Artikel 4.263

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.262, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.264

  1. In deze paragraaf wordt onder klasse III verstaan:

    1. lassen met beklede elektroden van alle materialen met uitzondering van roestvast staal, berylliumlegeringen en vanadiumlegeringen en met uitzondering van geverfde materialen;

    2. MAG-lassen met gevulde draad van alle materialen met uitzondering van roestvast staal en geverfde materialen; en

    3. MIG/MAG-lassen met massieve draad van alle materialen met uitzondering van koperlegeringen, berylliumlegeringen en vanadiumlegeringen en met uitzondering van geverfde materialen.

  2. In deze paragraaf wordt onder klasse IV verstaan: het lassen van geverfde materialen, met uitzondering van loodmenie, met behulp van een van de volgende technieken:

    1. TIG-lassen, met uitzondering van het lassen van aluminium, plasmalassen, druklassen, autogeenlassen, en onder poeder lassen; en

    2. het lassen met beklede elektroden, MAG-lassen met gevulde draad en MIG/MAG-lassen met massieve draad.

  3. In deze paragraaf wordt onder klasse V, VI en VII verstaan:

    1. het lassen met beklede elektroden, van de materialen: roestvast staal, vanadiumlegeringen en berylliumlegeringen;

    2. MAG-lassen met gevulde draad van het materiaal: roestvast staal;

    3. het lassen met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad;

    4. MIG-lassen met gevulde draad of massieve draad van de materialen: koperlegeringen, berylliumlegeringen en vanadiumlegeringen;

    5. het lassen met gevulde draad van de materialen: ongelegeerd en gelegeerd staal; en

    6. het lassen van het materiaal: geverfd staal met loodmenie.

Artikel 4.265

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden metalen in een gesloten ruimte gelast.

Artikel 4.266

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.267

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.267, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.267, niet overschrijdt.

Artikel 4.268

Aan artikel 4.267, eerste lid, wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als:

  1. per jaar niet meer dan:

    1. 6.500 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse III; en

    2. 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII, waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of andere materialen worden gelast met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad; of

  2. bij laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII:

    1. de afgezogen lucht wordt gerecirculeerd; of

    2. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.

Artikel 4.269

Aan artikel 4.267, eerste lid, wordt voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, en beryllium en berylliumverbindingen, berekend als beryllium, in ieder geval voldaan als:

  1. de afgezogen lucht afkomstig van laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII wordt gerecirculeerd;

  2. bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of als andere materialen gelast worden met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad, per jaar niet meer dan 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt; of

  3. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.

Artikel 4.270

Aan artikel 4.267, eerste lid, wordt voor lood en loodverbindingen, berekend als lood, in ieder geval voldaan als:

  1. de afgezogen lucht afkomstig van laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII wordt gerecirculeerd; of

  2. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII waarbij met loodmenie geverfd staal wordt gelast.

Artikel 4.271

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen en de stoffen ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.267, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor chroom VI-verbindingen: NEN-ISO 16740;

    3. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    4. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    5. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.272

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.267, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. voor totaal stof de maatregelen, bedoeld in artikel 4.268, worden getroffen;

    2. voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, en beryllium en berylliumverbindingen, berekend als beryllium, de maatregelen, bedoeld in artikel 4.269, worden getroffen; en

    3. voor lood en loodverbindingen, berekend als lood, de maatregelen, bedoeld in artikel 4.270, worden getroffen.

Artikel 4.273

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.273.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.271 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.274

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.275

Deze paragraaf is van toepassing op het solderen van metalen.

Artikel 4.276

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.275, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.277

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.278

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht worden metalen in een gesloten ruimte gesoldeerd.

Artikel 4.279

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.280

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.280, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.280, niet overschrijdt.

Artikel 4.281

Aan artikel 4.280, eerste lid, wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als:

  1. bij zachtsolderen per jaar ten hoogste 250 ton soldeermiddel wordt gebruikt; of

  2. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.282

Aan artikel 4.280, eerste lid, wordt voor cadmium en cadmiumverbindingen, berekend als cadmium, in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies afkomstig van hardsolderen met cadmiumhoudend soldeermiddel door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.283

Aan artikel 4.280, eerste lid, wordt voor zwaveldioxide, stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en de stofklassen gA en gO bij het solderen met vloeimiddelen die leiden tot gasvormige emissies in de lucht in ieder geval voldaan als:

  1. per jaar ten hoogste 100 kg vloeimiddelen wordt gebruikt;

  2. de afgezogen emissies bij het solderen met vloeimiddelen die vluchtige organische stoffen bevatten door een geschikt adsorptiefilter worden gevoerd; en

  3. de afgezogen emissies bij het solderen met zure vloeimiddelen door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

Artikel 4.284

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen en de stoffen ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.280, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    2. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;

    3. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    4. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    5. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    6. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;

    7. voor ammoniak: NEN 2826;

    8. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    9. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    10. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.285

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.280, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. voor totaal stof de maatregelen, bedoeld in artikel 4.281, worden getroffen;

    2. voor cadmium en cadmiumverbindingen, berekend als cadmium, de maatregel, bedoeld in artikel 4.282, wordt getroffen; en

    3. voor gA en gO de maatregelen, bedoeld in artikel 4.283, worden getroffen.

Artikel 4.286

  1. De eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.286.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.284 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.287

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.287a

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 4.280, niet van toepassing op emissie door het solderen van metalen van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval voor deze stofklassen een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

Artikel 4.288

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het spaanloos bewerken, verspanend bewerken, thermisch bewerken en mechanisch afwerken van metalen.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het smelten en gieten van metalen, bedoeld in paragraaf 4.12.

Artikel 4.289

  1. Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.288 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.290

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.288 wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.291

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie, smeermiddel en koelvloeistof wordt metaal spaanloos of verspanend bewerkt, thermisch bewerkt, of afgewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als daarbij olie, smeermiddel of koelvloeistof wordt gebruikt.

  2. Het scheiden van afvalstoffen door ze te laten uitlekken, bedoeld in artikel 4.303a, vindt plaats boven een lekbak.

Artikel 4.292

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt bij het mechanisch bewerken van metalen:

  1. droog gereinigd, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is; en

  2. water dat als koelmiddel, spoelmiddel of smeermiddel wordt toegepast, zo veel mogelijk opnieuw gebruikt.

Artikel 4.293

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van mechanisch bewerken van metalen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.294

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.295

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.296

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.297

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden metalen in een gesloten ruimte mechanisch of thermisch bewerkt.

Artikel 4.298

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.299

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.299, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.299, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

  4. Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, in ieder geval voldaan als de emissies afkomstig van droogverspanende bewerkingen, mechanische eindafwerking van roestvast staal en thermische bewerkingen door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

  5. Aan het eerste lid wordt voor koper en koperverbindingen, berekend als koper, in ieder geval voldaan als de emissies afkomstig van het snijden van koper door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.300

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabel 4.299, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom: NEN-ISO 16740;

    3. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    4. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    5. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.301

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.299, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. voor totaal stof de maatregel, bedoeld in artikel 4.299, derde lid, wordt getroffen;

    2. voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, de maatregel, bedoeld in artikel 4.299, vierde lid, wordt getroffen; en

    3. voor koper en koperverbindingen, berekend als koper, de maatregel, bedoeld in artikel 4.299, vijfde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.302

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.302.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.300 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.303

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.303a

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen van verspanende metaalbewerking waarbij olie, smeermiddel of koelvloeistof is gebruikt gescheiden in een metaalfractie en een vloeistoffractie door ze te centrifugeren of 48 uur te laten uitlekken.

Artikel 4.304

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het mechanisch bewerken van steen.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het mobiel breken van bouwafval en sloopafval, bedoeld in afdeling 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.305

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.304, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat een opsomming van de steensoorten die worden bewerkt.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.306

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.304, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.307

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof wordt steen mechanisch bewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening als een apparaat met een oliecircuit of koelvloeistofcircuit wordt gebruikt.

Artikel 4.308

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt:

  1. droog gereinigd, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is; en

  2. het water dat als koelmiddel, spoelmiddel of smeermiddel of tegen stuiven wordt gebruikt, opnieuw gebruikt.

Artikel 4.309

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het mechanisch bewerken van steen anders dan natuursteen of beton geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.310

  1. Het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, wordt door een bezinkvoorziening geleid.

  2. Voor dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.311

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het analyseren van een monster is voor onopgeloste stoffen NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.312

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.313

  1. Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder wordt steen in een gesloten ruimte mechanisch bewerkt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. het stralen van steen plaatsvindt met gereedschap dat is uitgerust met een geïntegreerde stofafzuiginstallatie; of

    2. het breken van puin plaatsvindt met een puinbreker met doelmatige stofbestrijdingstechnieken.

  3. Als doelmatige stofbestrijdingstechnieken in het tweede lid, onder b, worden aangemerkt:

    1. effectieve natte werkmethoden waarbij de waterstraal of het watergordijn zo is gedimensioneerd dat geen visueel waarneembare stofverspreiding optreedt op een afstand van 2 m van de stofbron; of

    2. effectieve mechanische stofafzuiging waarbij de emissies door een geschikte filterende afscheider worden geleid zodat geen visueel waarneembare stofverspreiding optreedt bij de uitgang van de filterinstallatie.

Artikel 4.314

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt bij het bewerken van steen in een gesloten ruimte de lucht afgezogen.

Artikel 4.315

  1. Voor de emissie in de lucht bij het bewerken van steen als bedoeld in artikel 4.313, eerste en tweede lid, onder a, en derde lid, onder b, is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.316

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.317

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.315, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.318

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.316 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.319

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.320

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het mechanisch bewerken van rubber, kunststof, papier, karton, textiel, bont, leer, kurk, hout of houtachtig materiaal.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het verkleinen van houtachtige resten van planten met een mobiel werktuig in de directe nabijheid van de locatie waar de te verkleinen resten zijn vrijgekomen.

Artikel 4.321

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.320, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.322

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.320, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.323

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater bij het mechanisch bewerken van de materialen, bedoeld in artikel 4.320, wordt:

  1. droog gereinigd, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is; en

  2. water dat als koelmiddel, spoelmiddel of smeermiddel wordt gebruikt, opnieuw gebruikt.

Artikel 4.324

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van mechanisch bewerken van de materialen, bedoeld in artikel 4.320, geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.325

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.326

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.327

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.328

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof worden de materialen, bedoeld in artikel 4.320, mechanisch bewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening als een apparaat met een oliecircuit of koelvloeistofcircuit wordt gebruikt.

Artikel 4.329

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden de materialen, bedoeld in artikel 4.320, in een gesloten ruimte mechanisch bewerkt.

Artikel 4.330

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.331

  1. Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.332

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.333

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.331, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.334

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.332 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.335

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.336

  1. Deze paragraaf is van toepassing op:

    1. het lijmen en coaten van rubber, kunststof, metalen, keramisch materiaal, steen, papier, karton, gips, kurk, hout of houtachtig materiaal, bont, leer, textiel, planten of delen van planten; en

    2. het reinigen van rubber, kunststof, metalen, keramisch materiaal, steen, papier, karton, gips, hout of houtachtig materiaal als dit plaatsvindt in combinatie met het lijmen of coaten of een andere manier van bewerken van het materiaal.

  2. Onder het lijmen en coaten van textiel wordt ook het veredelen van textiel verstaan.

  3. Onder het reinigen van steen wordt ook het chemisch behandelen van steen verstaan.

  4. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    2. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14; en

    3. het etsen en beitsen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.15.

Artikel 4.337

  1. Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.336 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.338

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.336 wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.339

Met het oog op het beschermen van het milieu worden geen perfluoroctaansulfonaten gebruikt.

Artikel 4.340

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden bodembedreigende stoffen verwerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.

Artikel 4.341

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen, lijmen of coaten, bedoeld in artikel 4.336, geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.342

Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van metalen, dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.343

Voor het afvalwater afkomstig van het verwijderen van verflagen van hout dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.343, gemeten in een steekmonster of in een etmaalmonster.

Tabel 4.343 Emissiegrenswaarden

Stof

Emissiegrenswaarden in mg/l, gemeten in een steekmonster

Emissiegrenswaarden in mg/l, gemeten in een etmaalmonster

Lood

6

2

Zink

6

2

Adsorbeerbare organisch gebonden halogenen

3

1

Artikel 4.344

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor adsorbeerbare organisch gebonden halogenen: NEN-EN-ISO 9562;

    2. voor lood en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en

    3. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2.

Artikel 4.345

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.346

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.347

  1. Met het oog op het beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden dampen en gassen die vrijkomen aan de bron afgezogen bij:

    1. het reinigen, lijmen of coaten van voorwerpen door het vernevelen van vluchtige organische stoffen met een nevelspuit;

    2. het coaten van voorwerpen door het opbrengen van poeder;

    3. het reinigen, lijmen of coaten van voorwerpen met vluchtige organische stoffen door dompeling in open of halfgesloten baden;

    4. het lijmen of coaten van voorwerpen met producten die vluchtige organische stoffen bevatten; en

    5. het aansluitend aan het reinigen, lijmen of coaten, bedoeld onder a tot en met d, drogen of uitharden van oppervlakken met vluchtige organische stoffen behandelde materialen of het moffelen van materialen met een poedercoating.

  2. Het eerste lid, onder c, is niet van toepassing op hoogkokende stoffen.

  3. Emissies in de lucht worden bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.348

  1. Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.349

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.350

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.348, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.351

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste 15 minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.349 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.352

  1. Met het oog op het beperken van emissies in de lucht worden bij het reinigen, lijmen of coaten waarbij aan organische oplosmiddelen ten minste 1.000 kg/jaar wordt gebruikt, oplosmiddelarme producten en applicatiemethoden toegepast.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als producten, met uitzondering van planten of delen van planten:

    1. een gehalte vluchtige organische stof van ten hoogste 150 g/l voor gebruiksklare producten hebben;

    2. voldoen aan de eisen die in het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer aan het maximale gehalte vluchtige organische stof zijn gesteld; of

    3. een gehalte vluchtige organische stof van ten hoogste 30 volumeprocent in reinigingsmiddelen hebben.

  3. Aan het eerste lid wordt bij het coaten van planten of delen van planten in ieder geval voldaan als een dompelmethode wordt gebruikt met:

    1. een volledig watergedragen verfbad bij droogbloemen; of

    2. een watergedragen verfbad met ten hoogste 15 volumeprocent vluchtige organische stoffen die bestaan uit vloeibare kleurstoffen en, voor zover nodig, uitvloeimiddelen, bevochtigingsmiddelen of anti-schuimmiddelen bij snijbloemen.

Artikel 4.353

  1. Met het oog op het beperken van emissies in de lucht worden bij het reinigen waarbij aan organische oplosmiddelen ten minste 1.000 kg/jaar wordt gebruikt de volgende maatregelen getroffen:

    1. droog reinigen als dit mogelijk is;

    2. reiniging met waterige middelen als droog reinigen technisch niet mogelijk is;

    3. reiniging met organische oplosmiddelen in een procesbad dat is uitgevoerd in een gesloten systeem als reiniging met waterige middelen technisch niet mogelijk is; of

    4. reiniging met hoogkokende niet-gehalogeneerde oplosmiddelen als reiniging in een gesloten systeem technisch niet mogelijk is.

  2. In een gesloten systeem wordt de inneemzone en uitneemzone ten minste een minuut gesloten gehouden na beëindiging van het gebruik van de pompinstallatie of persluchtinstallatie.

Artikel 4.354

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden de afgezogen emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.355

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren of gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    1. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    2. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    3. het mechanisch en thermisch bewerken, bedoeld in paragraaf 4.18;

    4. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    5. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    6. het schoonmaken van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.24;

    7. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

    8. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

    9. het verwijderen van graffiti, bedoeld in paragraaf 4.45; en

    10. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90.

Artikel 4.356

  1. Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.355 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.357

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.359, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.358

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.355 wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.359

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.355, voldaan aan PGS 26, als voor de verbrandingsmotor of het voertuig, vaartuig of werktuig CNG of LNG wordt gebruikt als brandstof.

Artikel 4.360

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof worden onderdelen die deze stoffen bevatten onderhouden en gerepareerd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.361

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het onderhouden of repareren van onderdelen van voertuigen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.362

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.363

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.364

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.365

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen zijn op een locatie voor het onderhouden of repareren van gemotoriseerde voertuigen niet meer dan vier wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen en vier autowrakken of andere voertuigwrakken aanwezig.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als het onderhouden of repareren van gemotoriseerde voertuigen plaatsvindt op een locatie waarop ook:

    1. ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen worden gedemonteerd als bedoeld in paragraaf 3.5.1;

    2. autowrakken, wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen en andere voertuigwrakken worden opgeslagen bij het verlenen van hulp voor gemotoriseerde voertuigen als bedoeld in paragraaf 3.8.1; of

    3. autowrakken, wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen en andere voertuigwrakken worden opgeslagen in het kader van onderzoek door politie of justitie.

Artikel 4.366

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken en wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen met de daarin aanwezige materialen of onderdelen niet verwijderd of nuttig toegepast.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. het opslaan van autowrakken en wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen met de daarin aanwezige materialen of onderdelen;

    2. accessoires die worden gedemonteerd omdat de laatste eigenaar of houder van het autowrak of wrak van een tweewielig gemotoriseerd voertuig hierom anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires opnieuw te gebruiken voor een ander gemotoriseerd voertuig waarvan hij eigenaar of houder is; en

    3. het onderhouden of repareren van gemotoriseerde voertuigen dat plaatsvindt op een locatie waarop ook ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen worden gedemonteerd als bedoeld in paragraaf 3.5.1.

Artikel 4.367

Deze paragraaf is van toepassing op het proefdraaien van verbrandingsmotoren.

Artikel 4.368

Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder vindt het proefdraaien van verbrandingsmotoren plaats in een gesloten ruimte.

Artikel 4.369

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig reinigen van pleziervaartuigen.

Artikel 4.370

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.369, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.371

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.369, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.372

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden pleziervaartuigen gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.373

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het uitwendig reinigen van pleziervaartuigen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.374

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.375

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.376

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.377

Deze paragraaf is van toepassing op het verwerken van rubbercompounds.

Artikel 4.378

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.377, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.379

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.377, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.380

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olievloeistof en koelvloeistof worden rubbercompounds verwerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als een apparaat met een oliecircuit en koelvloeistofcircuit wordt gebruikt.

Artikel 4.381

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.382

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.382, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.382, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt bij het wegen en mengen van rubbercompounds in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.383

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabel 4.382, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;

    3. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    4. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    5. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.384

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.382, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als bij het wegen en mengen van rubbercompounds de maatregel, bedoeld in artikel 4.382, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.385

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.385.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.383 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.386

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het wegen of mengen van rubbercompounds emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.387

Deze paragraaf is van toepassing op het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof waarbij geen ander blaasmiddel wordt gebruikt dan lucht, kooldioxide of stikstof.

Artikel 4.388

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.387, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.389

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.387, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.390

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie en koelvloeistof wordt het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel, gedaan boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als een apparaat met een oliecircuit of koelvloeistofcircuit wordt gebruikt.

Artikel 4.391

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel, de lucht afgezogen.

Artikel 4.392

  1. Voor de emissie in de lucht van de stoffen waarvoor een minimalisatieverplichting geldt die vrijkomen bij het verhitten en vormgeven van thermoplastisch kunststof, met uitzondering van het lassen van textiel, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.392, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.392, niet overschrijdt.

Artikel 4.393

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabel 4.392, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    2. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;

    3. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    4. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    5. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.394

Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.392, wordt voldaan.

Artikel 4.395

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste 15 minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.395.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.393 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.396

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het lassen van textiel emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.397

Deze paragraaf is van toepassing op het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR-klasse 5.2 aanwezig is.

Artikel 4.398

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.397, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de maximale verwerkingscapaciteit en de ligging van de geuremissiepunten.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.399

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.397, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.400

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oplosmiddelen wordt polyesterhars verwerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Apparatuur die wordt gebruikt bij het verwerken van polyesterhars wordt gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.401

  1. Met het oog op het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder wordt de emissie van styreen beperkt.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

    1. harsen worden toegepast met additieven die verdamping van styreen bij het uitdampen beperken;

    2. harsen worden toegepast met een verlaagd styreengehalte;

    3. harsen worden toegepast waarin styreen deels is vervangen door dicyclopentadieen;

    4. spuittechnieken worden toegepast zonder persluchtondersteuning;

    5. een lagedruk polyesterharssysteem wordt toegepast;

    6. naar een gesloten malsysteem wordt overgeschakeld;

    7. naar een vacuümfoliesysteem wordt overgeschakeld;

    8. emmers en vaten worden afgedekt;

    9. een gesloten leidingsysteem voor oplosmiddelen en hars wordt toegepast; en

    10. cryocondensatie, thermische of katalytische naverbranding, een bioreactor of een zuurstofradicaalgenerator wordt toegepast.

Artikel 4.402

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing als de activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht:

    1. in een ippc-installatie;

    2. tijdens het slachten van dieren en het uitsnijden van vlees of vis;

    3. tijdens de extractie van plantaardige oliën of veredeling van vetten; of

    4. bij de productie van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren of dieren die worden gehouden voor hun pels.

Artikel 4.403

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.402, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de maximale verwerkingscapaciteit en de ligging van de geuremissiepunten; en

    2. als in een vuilwaterriool zuurstofbindende stoffen met een jaargemiddelde vervuilingswaarde van 5.000 inwonerequivalenten of meer worden geloosd: een overzicht van de spreiding van de lozing over het jaar.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.404

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.402, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.405

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met alcohol en zuren worden levensmiddelen of wordt voeder gemaakt of bewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.406

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het maken of bewerken van levensmiddelen of voeder geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.407

  1. Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt vethoudend afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    1. een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    2. een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd; of

    3. een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  2. Dit afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

Artikel 4.408

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.409

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.410

Bijlage IV bevat een indeling van goederen in de stuifklassen S1 tot en met S5.

Artikel 4.411

  1. Voor de emissie in de lucht bij het drogen, malen, branden of roosteren van voedingsmiddelen, dranken of grondstoffen of goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1, S2, S3 of S4, is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.412

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.413

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.411, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.414

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.412 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.415

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.416

Artikel 4.406 is niet van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van het maken of bewerken van levensmiddelen of voeder dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.417

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.418

Deze paragraaf is van toepassing op het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas.

Artikel 4.419

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.418, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de coördinaten van de installatie voor het regelen van aardgasdruk en de installatie voor het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas;

    2. de ontwerpcapaciteit in normaal kubieke meters per uur en de werkdruk in kilopascal aan de inlaatzijde van de installaties; en

    3. de opstelling van de installaties.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.420

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een bedrijfsnoodplan of een veiligheidsbeheerssysteem ingevoerd met gegevens en bescheiden over:

  1. het gebouw, de technische installaties, de locaties van gevaarlijke stoffen en de beschikbare hulpmiddelen;

  2. de interne organisatie en taken en verantwoordelijkheden;

  3. de actieplannen en maatregelen gebaseerd op mogelijke calamiteiten en incidenten;

  4. de interne en externe meldingsstructuur bij calamiteiten en incidenten; en

  5. het beheer van het bedrijfsnoodplan.

Artikel 4.421

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand van de installatie voor het regelen van aardgasdruk en de installatie voor het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste de afstand, bedoeld in de vijfde kolom van tabel 4.421; of

    2. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties of tot beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld in de zesde en zevende kolom van tabel 4.421, als inachtneming van de afstand, bedoeld onder a:

      1. niet mogelijk is door:

        1. i

          de geringe omvang van de locatie;

        2. ii

          de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

        3. iii

          andere fysieke belemmeringen;

      2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of

      3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.

  2. De afstand is ten minste de helft van de afstand, bedoeld in het eerste lid, als het gaat om een ondergronds of semi-ondergronds opgestelde installatie en het gasvoerende deel geheel ondergronds ligt.

  3. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Artikel 4.422

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.421, eerste lid, onder b, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.423

  1. Een installatie voor het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas is zo ontworpen en geïnstalleerd dat:

    1. de installatie op een veilige wijze kan functioneren;

    2. alle relevante onderdelen overzichtelijk zijn en onder alle omstandigheden bereikbaar zijn voor bediening, controle en onderhoud;

    3. de installatie geheel of gedeeltelijk op eenvoudige wijze uit bedrijf kan worden genomen;

    4. er een afsluiter is aan de uitlaatzijde van de installatie;

    5. er geen bodemverzakking of corrosie kan ontstaan;

    6. er geen ontoelaatbare spanningen ontstaan op componenten van de installatie; en

    7. ongeautoriseerde of onbedoelde bediening wordt voorkomen.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de installatie voldoet aan de voorschriften 8.1.1 tot en met 8.3.3 en 10.1 tot en met 10.4 van NEN 1059.

Artikel 4.424

  1. Met een drukbeheerssysteem wordt ervoor zorg gedragen dat de druk in het systeem stroomafwaarts onder normale bedrijfsomstandigheden binnen de operationele grenzen blijft en onder abnormale bedrijfsomstandigheden onder de toegelaten grens blijft.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het drukbeheerssysteem voldoet aan de voorschriften 9.1 tot en met 9.7.2 van NEN 1059.

Artikel 4.425

  1. Een installatie voor het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas wordt zo onderhouden dat:

    1. de installatie op een veilige wijze kan functioneren;

    2. alle apparatuur in een goede mechanische toestand verkeert en niet lekt, op de juiste druk is afgesteld en is beschermd tegen vuil, vloeistoffen, bevriezing en andere nadelige invloeden; en

    3. alle relevante onderdelen onder alle omstandigheden goed bereikbaar zijn.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het onderhoud wordt verricht volgens voorschrift 12.3 van NEN 1059.

Artikel 4.425a

  1. De artikelen 4.421, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.422 zijn niet van toepassing op het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

  2. Artikel 4.421 is niet van toepassing als op grond van een omgevingsvergunning een afwijkende afstand geldt voor een installatie:

    1. waarop tot 1 januari 2008 het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing was en waarvoor de vergunning is verleend voor 1 december 2001; of

    2. waarvoor de vergunning is verleend voor 1 januari 2008.

  3. Voor een installatie als bedoeld in het tweede lid gelden de afstanden in de vergunning.

Artikel 4.426

Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine.

Artikel 4.427

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.426, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. het vermogen van de windturbine in kilowatt;

    2. de diameter van de rotor in centimeters;

    3. de hoogte van de mast in meters; en

    4. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

  5. Op het berekenen van de afstanden zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.428

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een windturbine ten minste eenmaal per jaar beoordeeld door een deskundige op het gebied van windturbines op de beveiligingen, onderhoud en reparaties.

  2. Na constatering of vermoeden van een gebrek, waardoor de veiligheid in het geding is, wordt de windturbine onverwijld buiten gebruik gesteld.

  3. Een buiten gebruik gestelde windturbine wordt pas in gebruik genomen als alle geconstateerde gebreken zijn hersteld.

Artikel 4.429

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het buiten gebruik stellen van een windturbine.

Artikel 4.430

  1. Een windturbine is ontworpen volgens:

    1. NEN-EN-IEC 61400-1, als het gaat om een windturbine met een rotordiameter van meer dan 16 m; of

    2. NEN-EN-IEC 61400-2, als het gaat om een windturbine met een rotordiameter van ten hoogste 16 m.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als voor de windturbine een certificaat is verstrekt waaruit blijkt dat de windturbine is ontworpen volgens het eerste lid.

  3. Het certificaat is verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor NEN-EN-IEC 61400-22.

Artikel 4.430a

  1. Artikel 4.430, eerste lid, is niet van toepassing op een windturbine waarvoor voor 1 december 2001 een vergunning is verleend op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en die voldoet aan de voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden.

  2. Een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 of die een windturbine vervangt die is opgericht voor 1 januari 2017, kan in afwijking van artikel 4.430, eerste lid, ook zijn ontworpen volgens de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm NVN 11400-0.

Artikel 4.430b

Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13.

Artikel 4.430c

  1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

  2. Op de begrippen Lden en Lnight zijn de begripsbepalingen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van toepassing.

Artikel 4.430d

  1. De volgende gegevens worden geregistreerd:

    1. de emissieterm LE, zijnde het jaargemiddelde geluidvermogen per octaafband dat door de turbine wordt uitgestraald, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    2. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte.

  2. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

  3. De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.430e

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 4.430c, zijn de bij ministeriële regels gestelde regels van toepassing

Artikel 4.430f

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. slagschaduwgevoelig gebouw: slagschaduwgevoelig gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  2. verblijfsruimte: verblijfsruimte als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

  3. woonschip: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip;

  4. woonwagen: woonwagen als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.430g

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 en:

    1. slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    2. lichtschittering veroorzaakt.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 4.430h

  1. In afwijking van artikel 4.430g, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    1. in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of

    2. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet.

  2. In afwijking van artikel 4.430g, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    1. het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of

    2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet.

Artikel 4.430i

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

  2. De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

    1. tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    2. tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 4.430j

Artikel 4.430i is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 4.430k

Bij een agrarische activiteit is artikel 4.430i niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  1. op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, of een voor de inwerkingtreding van de wet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde mag worden bewoond; of

  2. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

Artikel 4.430l

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 4.431

Op het verrichten van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Artikel 4.431a

Deze paragraaf is van toepassing op het verwerken van autowrakken in een shredderinstallatie.

Artikel 4.431b

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een shredderinstallatie autowrakken gescheiden in direct te recyclen metaalschroot en shredderafvalstoffen.

  2. Shredderafvalstoffen worden zoveel mogelijk nuttig toegepast.

Artikel 4.431c

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van afvalstoffen.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van:

    1. verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52; en

    2. goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Artikel 4.431d

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen:

  1. voorafgaand aan nuttige toepassing niet langer dan drie jaar opgeslagen; en

  2. voorafgaand aan verwijdering niet langer dan een jaar opgeslagen.

Artikel 4.432

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak.

Artikel 4.433

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.432, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.434

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.436, eerste of tweede lid, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.435

  1. Een koelinstallatie met kooldioxide of koolwaterstoffen is zo ontworpen en geïnstalleerd en wordt zo beheerd en onderhouden dat:

    1. deze op een veilige wijze kan functioneren;

    2. deze snel en veilig uit bedrijf kan worden genomen; en

    3. onveilige situaties worden voorkomen.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

    1. bij een koelinstallatie met kooldioxide: deze is ontworpen en geïnstalleerd en wordt beheerd en onderhouden volgens NPR 7601, paragraaf 5.7 en de hoofdstukken 7 en 8, met uitzondering van de paragrafen 8.3 en 8.6; of

    2. bij een koelinstallatie met koolwaterstoffen: deze is ontworpen en geïnstalleerd en wordt beheerd en onderhouden volgens NPR 7600, hoofdstuk 7, met uitzondering van paragraaf 7.6, en hoofdstuk 8, met uitzondering van de paragrafen 8.3 en 8.6.

Artikel 4.436

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een koelinstallatie met ammoniak ontworpen en geïnstalleerd volgens PGS 13.

  2. De koelinstallatie wordt beheerd en onderhouden volgens PGS 13.

  3. Een koelinstallatie bij een sneeuwbaan of ijsbaan is een indirect koelsysteem als bedoeld in PGS 13.

Artikel 4.437

Artikel 4.436, derde lid, is niet van toepassing als de koelinstallatie voor 1 januari 2010 is geïnstalleerd.

Artikel 4.438

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een oplosmiddeleninstallatie waarin organische oplosmiddelen worden gebruikt, als het verbruik de ondergrens, bedoeld in de tabellen 4.438a of 4.438b, overschrijdt.

  2. In deze paragraaf wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: oplosmiddeleninstallatie die voor of op 1 april 2002 in gebruik is genomen.

Artikel 4.439

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.438, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.440

Als bij de coating van voertuigen het verbruik de ondergrens, bedoeld in tabel 4.438b, niet wordt overschreden, wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden en diffuse-emissiegrenswaarden voor de coating van voertuigen, bedoeld in tabel 4.438a.

Artikel 4.441

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.438, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.442

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van artikel 4.447.

Artikel 4.443

  1. Voor het berekenen van de oppervlakte van de andere toegevoegde delen of de totale oppervlakte dat in de oplosmiddeleninstallatie wordt gecoat, wordt gebruik gemaakt van computergesteund ontwerp of een andere gelijkwaardige methode.

  2. De oppervlakte van de producten, bedoeld in tabel 4.438b, is:

    1. de berekende oppervlakte van het totale elektroforetische coatingvlak en de oppervlakte van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed; of

    2. de totale oppervlakte van het product dat in de oplosmiddeleninstallatie is gecoat.

  3. Voor de coating van de producten, bedoeld in tabel 4.438b, hebben de totale emissiegrenswaarden betrekking op alle procesfasen in dezelfde oplosmiddeleninstallatie vanaf elektroforetische coating of een ander coatingproces tot en met het uiteindelijk in de was zetten en polijsten van de toplaag, en de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.

Artikel 4.444

  1. De oppervlakte van het elektroforetisch coatingvlak, bedoeld in artikel 4.443, wordt berekend volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    A: oppervlakte;

    mp: gewicht product zonder coating;

    hm: gemiddelde dikte metaalplaat;

    ρm: dichtheid metaalplaat.

  2. Deze formule wordt ook gebruikt voor onderdelen van metaalplaat die niet gecoat zijn met elektroforese.

Artikel 4.445

  1. Als een bestaande installatie een belangrijke wijziging ondergaat of na de wijziging voor het eerst onder het toepassingsbereik van deze paragraaf valt, wordt als nieuwe oplosmiddeleninstallatie aangemerkt:

    1. het deel dat verandert; of

    2. het deel waarvan de werking verandert.

  2. Onder belangrijke wijziging wordt verstaan: een wijziging in de massa organische oplosmiddelen die in een oplosmiddeleninstallatie gemiddeld op een dag ten hoogste als input wordt gebruikt en leidt tot een emissie van vluchtige organische stoffen:

    1. van meer dan 25%, voor een oplosmiddeleninstallatie waarin activiteiten worden verricht die vallen binnen de laagste drempelwaarde interval van de nummers 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16 of 17 van tabel 4.438a;

    2. van meer dan 25%, voor een oplosmiddeleninstallatie waarin activiteiten worden verricht die minder dan 10 ton/jaar verbruiken en vallen onder de nummers 2, 6, 7, 9, 11, 12, 14, 15, 18, 19 of 20 van tabel 4.438a; en

    3. van meer dan 10%, voor een oplosmiddeleninstallatie die niet onder a of b valt.

  3. De massa organische oplosmiddelen, bedoeld in het tweede lid, is de oplosmiddeleninput als de oplosmiddeleninstallatie bij de ontwerpoutput in andere omstandigheden dan opstarten, stilleggen en onderhoud functioneert.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als de totale emissies van de oplosmiddeleninstallatie niet hoger zijn dan het geval zou zijn als het deel dat de wijziging heeft ondergaan als een nieuwe oplosmiddeleninstallatie zou zijn aangemerkt.

Artikel 4.446

Bij het opstarten en stilleggen van de oplosmiddeleninstallatie worden voorzorgsmaatregelen getroffen om de emissies van vluchtige organische stoffen tot een minimum te beperken.

Artikel 4.447

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden, de diffuse emissiegrenswaarden en de totale emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b, gemeten in een continue of periodieke meting.

  2. De totale emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als voor een activiteit als bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b aan de emissiegrenswaarden en de diffuse emissiegrenswaarden wordt voldaan.

  3. De emissiegrenswaarden en de diffuse emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als voor een activiteit als bedoeld in de tabellen 4.438a en 4.438b aan de totale emissiegrenswaarden wordt voldaan.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als voor een activiteit wordt voldaan aan een reductieprogramma als bedoeld in artikel 4.462 waarmee de emissies in dezelfde mate worden beperkt als door toepassing van de emissiegrenswaarden.

Artikel 4.448

  1. In afwijking van tabel 4.438a is de emissiegrenswaarde bij het impregneren van hout niet van toepassing op het impregneren met creosoot.

  2. In afwijking van tabel 4.438a geldt de emissiegrenswaarde bij oppervlaktereiniging niet in milligram koolstof per kubieke meter, maar in massa van de verbindingen in milligram per kubieke meter.

Artikel 4.449

  1. In afwijking van tabel 4.438a is de emissiegrenswaarde 150 mg C/Nm3 bij het maken van geneesmiddelen, het bandlakken, het aanbrengen van een lijmlaag of de bewerking van rubber, als technieken worden gebruikt waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is.

  2. In afwijking van tabel 4.438a is de gecombineerde emissiegrenswaarde 150 mg C/Nm3 voor het coating- en droogproces bij andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a met een ondergrens van 15 ton/jaar, als genitrogeneerde oplosmiddelen worden gebruikt met technieken waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is.

Artikel 4.450

  1. De emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in die tabel zijn van toepassing op coatingprocessen en droogprocessen waarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen beheerst worden afgevangen en uitgestoten.

  2. Aan de emissiegrenswaarden voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a hoeft niet te worden voldaan als vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten omdat dit technisch en economisch niet mogelijk is.

Artikel 4.451

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarden of de diffuse emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 4.447, worden verhoogd, wordt alleen gesteld:

  1. als wordt aangetoond dat het voldoen aan de diffuse emissiegrenswaarde technisch niet mogelijk en niet kostenefficiënt is; en

  2. voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a, als daarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten.

Artikel 4.452

In afwijking van tabel 4.438a is de diffuse emissiegrenswaarde voor een bestaande oplosmiddeleninstallatie bij:

  1. illustratiediepdruk: 15%;

  2. bandlakken: 10%; en

  3. het maken van geneesmiddelen: 15%.

Artikel 4.453

De diffuse emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.438a, is niet van toepassing op oplosmiddelen die als bestanddeel van een mengsel in een gesloten container worden verkocht, bij:

  1. het maken van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen;

  2. de bewerking van rubber; en

  3. het maken van geneesmiddelen.

Artikel 4.454

  1. De resten van oplosmiddelen in het eindproduct bij heatsetrotatie-offdruk zijn geen onderdeel van de diffuse emissie.

  2. De diffuse emissiegrenswaarde bij overige oppervlaktereiniging is niet van toepassing als wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van het reinigingsmateriaal dat al in de oplosmiddeleninstallatie wordt gebruikt ten hoogste 30 gewichtsprocenten is.

  3. Aan de diffuse emissiegrenswaarde hoeft niet te worden voldaan bij andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a, als vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten omdat dit technisch niet mogelijk is of niet kostenefficiënt is.

Artikel 4.455

In afwijking van tabel 4.438a is de totale emissiegrenswaarde voor een bestaande oplosmiddeleninstallatie bij het maken van geneesmiddelen 15% van de oplosmiddeleninput.

Artikel 4.456

  1. Er wordt continu gemeten of een afgaskanaal waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur uitstoot, voldoet aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.447.

  2. In een oplosmiddeleninstallatie die voor totaal organische koolstof gemiddeld minder dan 10 kg/u uitwerpt, wordt om de drie jaar de hoeveelheid totaal organische koolstof gemeten. Tijdens elke meting worden ten minste drie meetresultaten geregistreerd.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als nabehandelingsapparatuur niet nodig is om te voldoen aan de emissiegrenswaarden of het reductieplan.

  4. Het voldoen aan de emissiegrenswaarde voor de coating van voertuigen en het overspuiten van voertuigen, bedoeld in punt 6 van tabel 4.438a, wordt aangetoond op basis van metingen die om de vijftien minuten worden verricht.

Artikel 4.457

Bij een continue meting wordt aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voldaan, als onder normale bedrijfsomstandigheden:

  1. het 24-uursgemiddelde voor een bepaalde stof niet hoger is dan de emissiegrenswaarde voor die stof, waarbij het 24-uursgemiddelde wordt berekend van alle geldige metingen tijdens een periode van 24 uur waarin een oplosmiddeleninstallatie onder normale omstandigheden in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten en stilleggen van de installatie en het onderhoud van de apparatuur; en

  2. geen van de uurgemiddelden hoger is dan anderhalf maal de emissiegrenswaarden.

Artikel 4.458

Bij een periodieke meting wordt aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.438a, voldaan als bij die meting:

  1. het gemiddelde van alle meetresultaten onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden; en

  2. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan anderhalf maal de emissiegrenswaarden.

Artikel 4.459

Op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten, wordt bepaald of aan de emissiegrenswaarden, met uitzondering van de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden wordt voldaan.

Artikel 4.460

  1. Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen als dit technisch gerechtvaardigd is.

  2. De toegevoegde gasvolumes worden niet betrokken bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.

Artikel 4.461

Het referentiepunt voor de emissiebeperking in een reductieprogramma komt zo goed mogelijk overeen met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden worden getroffen.

Artikel 4.462

  1. Aan eenzelfde mate van emissiebeperking als bedoeld in artikel 4.447, vierde lid, wordt, bij een oplosmiddeleninstallatie waar voor het product een constant gehalte aan vaste stof kan worden aangenomen, in ieder geval voldaan als de feitelijke emissie kleiner is dan of gelijk is aan de beoogde emissie.

  2. De feitelijke emissie wordt bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding.

  3. De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie voor een activiteit waarbij de ondergrens wordt overschreden, te vermenigvuldigen met het reductiepercentage, bedoeld in tabel 4.462.

  4. De jaarlijkse referentie-emissie voor een activiteit wordt berekend door de totale massa aan vaste stof in de hoeveelheid coating, inkt, lak of kleefstof die per jaar wordt gebruikt, te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in tabel 4.462.

  5. Onder vaste stof wordt in dit artikel verstaan: elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt als het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

Artikel 4.463

In afwijking van tabel 4.462 is het reductiepercentage voor bestaande oplosmiddeleninstallaties bij:

  1. illustratiediepdruk: 20%; en

  2. bandlakken: 15%.

Artikel 4.464

De vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in tabel 4.462, kan worden aangepast voor een individuele oplosmiddeleninstallatie bij een aangetoonde stijging van het rendement van een oplosmiddeleninstallatie.

Artikel 4.465

  1. Stoffen of mengsels die op grond van de CLP-verordening door hun gehalte aan vluchtige organische stoffen als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld en de gevarenaanduiding H340, H350, H350i, H360D of H360F moeten hebben, worden, voor zover mogelijk, binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door minder schadelijke stoffen of mengsels.

  2. De emissiegrenswaarden voor gevaarlijke stoffen zijn de waarden, bedoeld in tabel 4.465, voor:

    1. vluchtige organische stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld en de gevarenaanduiding H340, H350, H350i, H360D of H360F moeten hebben; en

    2. gehalogeneerde vluchtige organische stoffen die de gevarenaanduiding H341 of H351 moeten hebben.

  3. Onder gevaarlijke stoffen als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, onder 18, van de richtlijn industriële emissies.

  4. Een oplosmiddeleninstallatie waarin meerdere activiteiten als bedoeld in tabel 4.438a of 4.438b worden verricht die elk de ondergrenzen, vermeld in die tabellen, overschrijdt, voldoet:

    1. voor stoffen of mengsels als bedoeld in het eerste of tweede lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan die leden; en

    2. voor andere stoffen of mengsels dan bedoeld onder a:

      1. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 4.447; of

      2. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde.

  5. Voor de vergelijking, bedoeld in het vierde lid, wordt de totale emissie van deze activiteiten bepaald en vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als artikel 4.447 voor elke activiteit afzonderlijk zou gelden.

Artikel 4.466

Op basis van de som van de massaconcentratie van de vluchtige organische stoffen die worden gebruikt, wordt bepaald of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.465.

Artikel 4.467

  1. Er wordt een oplosmiddelenboekhouding bijgehouden waarmee:

    1. wordt aangetoond dat wordt voldaan aan:

      1. de emissiegrenswaarden, de diffuse emissiegrenswaarden of de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.447, eerste tot en met derde lid; en

      2. als een reductieprogramma als bedoeld in artikel 4.462 wordt toegepast: dat programma;

    2. de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst worden gespecificeerd; en

    3. informatie kan worden verstrekt over het verbruik en de emissie van oplosmiddelen.

  2. Een oplosmiddelenboekhouding omvat een periode van twaalf maanden en wordt uiterlijk dertien weken na afloop van die periode afgesloten, en voldoet aan de artikelen 4.468 tot en met 4.471.

Artikel 4.468

  1. Om vast te stellen of aan een reductieprogramma wordt voldaan, wordt de totale input van organische oplosmiddelen per twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele vluchtige organische stoffen die voor hergebruik worden teruggewonnen, berekend volgens de formule:

    V = I1 – 08.

  2. Voor het berekenen van de jaarlijkse referentie-emissie, bedoeld in tabel 4.462, wordt de hoeveelheid vaste stof die in coatings wordt gebruikt bepaald volgens de formule, bedoeld in het eerste lid.

  3. Onder vaste stof wordt in dit artikel verstaan: elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt als het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

Artikel 4.469

Om vast te stellen of aan een totale emissiegrenswaarde wordt voldaan, wordt de totale emissie berekend volgens de formule:

E = F + 01.

Artikel 4.470

  1. Om vast te stellen of aan een diffuse emissiegrenswaarde wordt voldaan, wordt de diffuse emissie berekend volgens de formule:

    F = I1 – 01 – 05 –06 – 07 – 08;

    of

    F02 + 03 + 04 + 09.

  2. De diffuse emissie wordt bepaald met een korte serie metingen, die niet hoeft worden herhaald zolang de oplosmiddeleninstallatie niet wordt gewijzigd.

  3. De diffuse emissie wordt uitgedrukt als een percentage van de oplosmiddeleninput, berekend volgens de formule:

    I = I1 + I2.

Artikel 4.471

Onder de symbolen die worden gebruikt in de artikelen 4.468, 4.469 en 4.470 wordt verstaan:

E: totale emissie;

F: diffuse emissie;

V: verbruik;

I: input;

I1: hoeveelheid organische oplosmiddelen die is aangekocht al dan niet in mengsels, die in het proces worden ingevoerd tijdens de termijn waarover de massabalans wordt bepaald;

I2: hoeveelheid oplosmiddelen die worden hergebruikt, waarbij teruggewonnen oplosmiddelen worden meegerekend als ze worden gebruikt om de activiteit te verrichten;

O: output;

O1: hoeveelheid vluchtige organische stoffen in de emissies via de schoorsteen;

O2: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in water, rekening houdend met de afvalwaterzuivering bij het berekenen van O5;

O3: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in elk product, die achterblijft als verontreiniging of als residu in de producten die bij de activiteit zijn gemaakt;

O4: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in de lucht;

O5: organische oplosmiddelen en organische verbindingen die door chemische of fysische reacties verloren gaan, met inbegrip van hoeveelheden organische oplosmiddelen die door verbranding, een andere zuivering van afgassen of door afvalwaterzuivering worden vernietigd of door adsorptie worden opgevangen, als die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend;

O6: organische oplosmiddelen in ingezamelde afvalstoffen;

O7: organische oplosmiddelen al dan niet in mengsels als product met handelswaarde voor de verkoop, met uitzondering van oplosmiddelen die vallen onder O3;

O8: hoeveelheid organische oplosmiddelen, met inbegrip van organische oplosmiddelen in mengsels, die voor hergebruik is teruggewonnen maar niet opnieuw bij de activiteit wordt gebruikt en die niet onder O7 valt;

O9: hoeveelheid vluchtige organische stoffen, die op andere wijze dan bedoeld onder O1 tot en met O8 vrijkomt.

Artikel 4.472

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG.

  2. Als voertuigen of werktuigen met LPG worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van LPG.

Artikel 4.472a

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.472, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. het aantal opslagtanks voor LPG dat aanwezig is op de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht;

    2. de coördinaten van:

      1. het vulpunt;

      2. de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

      3. de aansluitpunten van die leiding en pomp;

      4. de bovengrondse opslagtank; en

      5. de tankzuil;

    3. het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    4. de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

    5. een inschatting van de doorzet van LPG in kubieke meters per jaar.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.472b

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.473, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.472c

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp, de bovengrondse opslagtank en de tankzuil tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste de afstand, bedoeld in tabel 4.472c.

  2. De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of

    4. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 16.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.472d

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.472c, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.473

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.472, voldaan aan PGS 16.

Artikel 4.474

  1. LPG wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van LPG.

  2. Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met LPG.

  3. LPG kan worden getankt in het reservoir van een LPG-tankwagen, als de opslagtank voor LPG leeg wordt gemaakt.

Artikel 4.475

De artikelen 4.472c, eerste lid, en 4.472d zijn niet van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.476

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.477

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met LNG.

  2. Als voertuigen, vaartuigen of werktuigen met LNG worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van LNG.

Artikel 4.478

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het tanken van voertuigen en werktuigen voldaan aan PGS 33-1.

  2. Bij het tanken van vaartuigen en drijvende werktuigen wordt voldaan aan PGS 33-2.

Artikel 4.479

  1. LNG wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig, vaartuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van LNG.

  2. Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met LNG.

  3. LNG kan worden getankt in het reservoir van een LNG-tankwagen, als de opslagtank voor LNG leeg wordt gemaakt.

Artikel 4.480

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt in een opslagtank voor LNG alleen LNG of vloeibare stikstof voor het inkoelen of inertiseren van de opslagtank opgeslagen.

  2. In een tijdelijk opgestelde opslagtank voor LNG wordt geen LNG opgeslagen.

Artikel 4.481

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met CNG met een installatie die een nominale druk heeft van ten minste 20.000 kPa.

Artikel 4.482

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.481, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de coördinaten van de tankzuil en de bufferopslag;

    2. de waterinhoud van de bufferopslag in kubieke meters;

    3. de aanduiding dat het aantal personenauto’s dat per etmaal wordt getankt ten hoogste 300 of meer dan 300 bedraagt;

    4. de aanduiding dat het aantal autobussen dat per etmaal wordt getankt ten hoogste 100 of meer dan 100 bedraagt; en

    5. voor zover van toepassing, de aanduiding dat vaartuigen, werktuigen of andere voertuigen dan personenauto’s of autobussen worden getankt.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.483

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.486, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.484

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de tankzuil en de bufferopslag tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste de afstand, bedoeld in tabel 4.484.

  2. De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of

    4. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 25.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.485

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.484, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.486

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.481, voldaan aan PGS 25.

Artikel 4.487

  1. CNG wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig, vaartuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van CNG.

  2. Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met CNG.

Artikel 4.487a

De artikelen 4.484, eerste lid, en 4.485 zijn niet van toepassing op het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met CNG dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.488

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met gasvormige waterstof.

  2. Als voertuigen of werktuigen met gasvormige waterstof worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van gasvormige waterstof.

  3. Deze paragraaf is niet van toepassing als de installatie een nominale druk heeft van meer dan 70.000 kPa.

Artikel 4.489

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.488, voldaan aan PGS 35.

Artikel 4.490

Gasvormige waterstof wordt getankt in een brandstofreservoir dat is bevestigd aan een voertuig of werktuig en dat is bedoeld voor de aandrijving daarvan en de berging van gasvormige waterstof.

Artikel 4.491

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het met een handpomp of een elektrische pomp tanken van voertuigen, vliegtuigen of werktuigen met vloeibare brandstoffen, als totaal niet meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

  2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken van ureum.

  3. Deze paragraaf is niet van toepassing op het tanken van drijvende werktuigen.

Artikel 4.492

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.491, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.493

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.491, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.494

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.495, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.495

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.491, met uitzondering van het tanken van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, voldaan aan:

  1. PGS 28 als vanuit een ondergrondse opslagtank wordt getankt; of

  2. PGS 30 als vanuit een bovengrondse opslagtank wordt getankt.

Artikel 4.496

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum wordt getankt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. De tankzuil en het vulpistool bevinden zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  3. Er wordt getankt door of onder direct toezicht van personeel.

Artikel 4.497

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool.

  2. Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

    1. de brandstoftank vol is; of

    2. het vulpistool valt.

Artikel 4.498

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van een aaneengesloten bodemvoorziening bij het tanken van vloeibare brandstoffen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.499

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.500

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.501

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.502

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen, vliegtuigen of werktuigen met vloeibare brandstoffen, als totaal meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

  2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.

  3. Deze paragraaf is niet van toepassing op het tanken van drijvende werktuigen.

  4. In deze paragraaf wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.

Artikel 4.503

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.502, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.504

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.502, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.505

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.507, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.506

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 4.518 tot en met 4.521 niet versoepeld.

Artikel 4.507

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.502, met uitzondering van het tanken van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, voldaan aan:

  1. PGS 28 als vanuit een ondergrondse opslagtank wordt getankt; of

  2. PGS 30 als vanuit een bovengrondse opslagtank wordt getankt.

Artikel 4.508

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt getankt boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  2. De tankzuil en het vulpistool bevinden zich ook boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  3. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

  4. In afwijking van het eerste lid kan ureum worden getankt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.509

Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7700.

Artikel 4.510

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen kan in afwijking van artikel 4.508 worden getankt boven een geomembraanbaksysteem, als:

  1. het tankstation binnen de bebouwde kom ligt;

  2. de tankzuilen in een rij parallel aan de naastgelegen weg staan; en

  3. alleen aan de wegzijde of aan de openbare weg wordt getankt.

Artikel 4.511

  1. Een geomembraanbaksysteem wordt voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.502, en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.

  2. Als een geomembraanbaksysteem wordt gerepareerd, wordt het gerepareerde deel opnieuw beoordeeld en goedgekeurd volgens het eerste lid.

Artikel 4.512

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen en ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool of een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting.

  2. Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

    1. de brandstoftank vol is; of

    2. het vulpistool valt.

  3. De slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.

Artikel 4.513

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen wordt door of onder direct toezicht van personeel getankt.

  2. Er kan in afwezigheid van personeel met een vulpistool worden getankt, als er een noodstopvoorziening aanwezig is die voor iedereen zichtbaar en bereikbaar is.

Artikel 4.514

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte bodemvoorziening bij het tanken van vloeibare brandstoffen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.515

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.516

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.517

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.518

  1. Met het oog op het verminderen van de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer wordt uitgestoten wordt via een fase II-benzinedampterugwinningssysteem getankt, als:

    1. de jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele benzinetanks aan een benzinestation wordt geleverd meer dan 500 m3/jaar is; of

    2. de jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele benzinetanks aan een benzinestation wordt geleverd meer dan 100 m3/jaar is en de tankzuil ligt onder gebouwen met een woonfunctie of een kantoorfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving die permanent in gebruik zijn.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op tankstations die alleen worden gebruikt in verband met het maken en afleveren van nieuwe gemotoriseerde voertuigen voor het wegverkeer.

  3. Bij het tankstation wordt duidelijk kenbaar gemaakt dat een fase II-benzinedampterugwinningssysteem is geïnstalleerd.

Artikel 4.519

  1. Met het oog op het verminderen van de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer wordt uitgestoten heeft een fase II-benzinedampterugwinningssysteem:

    1. een afvangrendement van benzinedamp van 85%;

    2. een damp/benzineverhouding van ten minste 0,95 en niet meer dan 1,05; en

    3. een keurmerk waaruit blijkt dat het is goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 voor NEN-EN 16321-1 en NEN-EN-16321-2.

  2. De damp/benzineverhouding is de verhouding tussen het volume van benzinedamp bij atmosferische druk die door een fase II-benzinedampterugwinningssysteem loopt en het volume van de geleverde benzine.

  3. Het fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt ten minste eenmaal per jaar door een onafhankelijke inspectie-instantie gecontroleerd volgens NEN-EN 16321-2.

  4. Als een automatisch bewakingssysteem is geïnstalleerd, wordt, in afwijking van het derde lid, ten minste eenmaal per drie jaar gecontroleerd.

  5. Een automatisch bewakingssysteem is in staat:

    1. storingen van het automatisch bewakingssysteem en in het functioneren van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem op te sporen;

    2. deze storingen te melden aan degene die de activiteit verricht; en

    3. de toevoer van benzine naar de tankzuil automatisch te stoppen als de storing niet binnen zeven dagen is verholpen.

  6. Onder het afvangrendement, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstaan: de hoeveelheid benzinedamp die door het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage.

Artikel 4.520

Artikel 4.518, eerste lid, is niet van toepassing tot het moment waarop de infrastructuur van een tankstation sterk wordt gewijzigd of vernieuwd, voor een tankstation:

  1. dat is opgericht voor 1 januari 2012;

  2. waar de jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele benzinetanks aan het benzinestation wordt geleverd ten hoogste 3.000 m3/jaar is; en

  3. waar gemotoriseerde voertuigen voor het wegverkeer met benzine worden getankt.

Artikel 4.521

Tot het moment waarop de infrastructuur van een tankstation sterk wordt gewijzigd of vernieuwd wordt eenmaal per drie jaar gecontroleerd volgens testprocedure NEN-EN 16321-2 voor een tankstation:

  1. dat is opgericht voor 1 januari 2012; en

  2. waar de jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele benzinetanks aan het benzinestation wordt geleverd ten hoogste 3.000 m3/jaar is.

Artikel 4.522

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare brandstoffen in een bunkerstation.

Artikel 4.523

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.522, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de coördinaten van het vulpunt van een bunkerstation en de zijden van een bunkerstation waarin brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.524

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt van een bunkerstation en de zijden van een bunkerstation waarin brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

  2. Als een bunkerstation waarin alleen gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger wordt opgeslagen, ligt aan een doorgaande vaarroute, is de afstand vanaf de zijde van dat bunkerstation, die aan die vaarroute grenst, tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

  3. De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.

  4. Het derde lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.525

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.524, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.526

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 20 m vanaf het vulpunt van een bunkerstation en de zijden van een bunkerstation, als in het bunkerstation brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden opgeslagen.

Artikel 4.527

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam zijn de artikelen 21, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling van overeenkomstige toepassing op een bunkerstation waarop artikel 6 van het Binnenvaartbesluit niet van toepassing is.

Artikel 4.528

  1. Artikel 4.524, eerste, tweede en derde lid, is niet van toepassing op bunkerstations die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

  2. De artikelen 4.524, eerste en tweede lid, en 4.525 zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare brandstoffen in een bunkerstation dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.529

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het met een handpomp of elektrische pomp tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen, als niet meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

  2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.

Artikel 4.530

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.529, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de coördinaten van de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.531

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.529, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.532

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

  2. De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.533

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.532, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.534

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 20 m vanaf de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.

Artikel 4.535

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam heeft een tankzuil met een elektrische pomp een aanschakelaar en uitschakelaar.

  2. De artikelen 21, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling zijn van overeenkomstige toepassing op het tanken met een tankzuil die zich op het land bevindt.

Artikel 4.536

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstoffen of ureum wordt op land getankt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. De aaneengesloten bodemvoorziening bevindt zich 1 m rondom de tankzuil en tussen de tankzuil en de kade.

  3. Er wordt door of onder direct toezicht van personeel getankt.

Artikel 4.537

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam met vloeibare brandstoffen of ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool of een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting.

  2. Een vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

    1. de brandstoftank vol is; of

    2. het vulpistool valt.

  3. Een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.

Artikel 4.538

  1. Artikel 4.532, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op bunkerstations en op land geplaatste vaste tankzuilen die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

  2. De artikelen 4.532, eerste lid, en 4.533 zijn niet van toepassing op het met een handpomp of elektrische pomp tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.539

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen, als meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt.

  2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.

Artikel 4.540

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.539, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de coördinaten van de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.541

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.539, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.542

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

  2. De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.543

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.542, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.544

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 20 m vanaf de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.

Artikel 4.545

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een tankzuil met een elektrische pomp een aanschakelaar en uitschakelaar.

  2. De artikelen 21, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling zijn van overeenkomstige toepassing op het tanken met een tankzuil die zich op het land bevindt.

Artikel 4.546

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een schip dat gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervoert en de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement of Rijnvaartpolitiereglement 1995, voert niet getankt met vloeibare brandstoffen.

  2. Een schip dat gasvormige gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervoert en de tekens, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement of het Rijnvaartpolitiereglement 1995 voert, wordt niet getankt met vloeibare brandstoffen.

  3. Een schip dat gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervoert en de tekens, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement of het Rijnvaartpolitiereglement 1995 voert, wordt vanaf een bunkerstation niet getankt met vloeibare brandstoffen, als vanaf dat bunkerstation benzine wordt getankt.

Artikel 4.547

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt een tankzuil op land zich boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  2. De vloeistofdichte bodemvoorziening bevindt zich 1 m rondom de tankzuil en tussen de tankzuil en de kade.

  3. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

  4. In afwijking van het eerste lid kan een tankzuil op land voor alleen ureum zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening bevinden.

  5. Het derde lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.550.

  6. Er wordt door of onder direct toezicht van personeel getankt.

Artikel 4.548

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam met vloeibare brandstoffen of ureum wordt bij het tanken met een elektrische pomp gebruik gemaakt van een vulpistool of een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting.

  2. Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:

    1. de brandstoftank vol is; en

    2. het vulpistool valt.

  3. De slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.

Artikel 4.549

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte bodemvoorziening geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.550

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of wordt dat afvalwater voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.551

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.552

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.553

  1. Artikel 4.542, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op tankzuilen die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

  2. De artikelen 4.542, eerste lid, en 4.543 zijn niet van toepassing op het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.554

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het wassen van gemotoriseerde voertuigen.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90.

Artikel 4.555

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.554, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.556

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.554, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.557

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.559.

Artikel 4.558

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het wassen van gemotoriseerde voertuigen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.559

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.560

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.561

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.562

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van graffiti.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21.

Artikel 4.563

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.462, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.563a

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.562, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.564

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt graffiti verwijderd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.565

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater wordt alleen het naspoelwater afkomstig van het verwijderen van graffiti geloosd.

Artikel 4.566

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater afkomstig van het verwijderen van graffiti geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.567

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.568

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een natte koeltoren.

Artikel 4.569

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.568, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.570

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt onderzoek verricht naar de risico’s van de natte koeltoren voor de omgeving door legionellabesmetting.

  2. Bij het onderzoek worden in ieder geval betrokken:

    1. het risico op vermeerdering van legionellabacteriën in de koeltoren door:

      1. de aard en de kwaliteit van het water dat wordt gebruikt;

      2. de temperatuur van het water;

      3. de verblijfstijd van het water;

      4. de stilstand van het water; en

      5. de aanwezigheid van biofilm en sediment;

    2. de bedrijfsvoering van de natte koeltoren;

    3. de effectiviteit van het waterbehandelingsprogramma voor legionellabacteriën en biofilmvorming; en

    4. de risico’s voor de omgeving, bepaald volgens de risicocategorie-indeling in tabel 4.570.

Artikel 4.571

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een legionella-beheersplan opgesteld dat het volgende bevat:

    1. een tekening of schema met de actuele indeling van de natte koeltoren;

    2. een beschrijving van de juiste en veilige werking van de natte koeltoren;

    3. een beschrijving van controles die worden verricht aan de natte koeltoren en controles op de aanwezigheid van legionella;

    4. een aanduiding van de waarden van de fysische, chemische en microbiologische parameters en de concentratie aan legionellabacteriën in de natte koeltoren bij het bereiken waarvan maatregelen ter verbetering worden getroffen en een beschrijving van die maatregelen;

    5. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen bij calamiteiten; en

    6. een beschrijving van de maatregelen die zijn gericht op:

      1. het zoveel mogelijk beperken van het ontstaan en verspreiden van waternevel;

      2. het zoveel mogelijk vermijden dat water in leidingen, reservoirs en appendages stil staat;

      3. het schoonhouden van de natte koeltoren en het water dat zich daarin bevindt;

      4. het zoveel mogelijk beperken van de vermeerdering van legionellabacteriën door toepassing van waterbehandelingstechnieken; en

      5. het waarborgen volgens de processpecificaties van een juiste en veilige werking van de natte koeltoren.

  2. Het legionella-beheersplan wordt uitgevoerd.

Artikel 4.572

Er wordt een logboek bijgehouden waarin gegevens worden vastgelegd over:

  1. de onderhoudswerkzaamheden;

  2. de wijzigingen in de natte koeltoren of het onderhoud;

  3. de uitkomsten van controles die zijn verricht; en

  4. bijzonderheden over de werking van de natte koeltoren.

Artikel 4.573

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen.

  2. Als autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen worden gedemonteerd, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van deze wrakken of gedemonteerde onderdelen.

Artikel 4.574

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.573, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.575

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.573, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.576

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met motorolie, remolie, koelvloeistof, remvloeistof en vloeibare brandstoffen worden:

    1. autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen voor demontage opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening en een lekbak;

    2. vloeistoffen afgetapt boven een aaneengesloten bodemvoorziening;

    3. onderdelen die vloeistof bevatten gedemonteerd boven een aaneengesloten bodemvoorziening; en

    4. gedemonteerde onderdelen die vloeistof bevatten opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening en een lekbak.

  2. Als wrakken bij ontvangst worden geïnspecteerd op lekkage en uit de inspectie blijkt dat er geen vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, kunnen deze worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  3. Als gedemonteerde onderdelen die vloeistof bevatten worden geïnspecteerd op lekkage en uit de inspectie blijkt dat er geen vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, kunnen deze worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  4. Als uit de gedemonteerde onderdelen bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen, is de aaneengesloten bodemvoorziening tegen inregenen beschermd.

Artikel 4.577

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.578

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.579

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.580

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.581

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt bij het ontsteken van airbags en gordelspanners de lucht afgezogen.

Artikel 4.582

  1. Voor de emissie in de lucht bij het ontsteken van airbags en gordelspanners is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar; of

    2. minder dan 5.000 autowrakken per jaar worden gedemonteerd.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.583

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.584

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.582, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.585

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.583 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.586

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het ontsteken van airbags en gordelspanners emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.587

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken en wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee weken na ontvangst van de wrakken, ontdaan van de volgende stoffen en materialen:

    1. motorolie;

    2. transmissieolie;

    3. versnellingsbakolie;

    4. olie uit het differentieel;

    5. hydraulische olie;

    6. remvloeistoffen;

    7. koelvloeistoffen;

    8. ruitensproeiervloeistoffen;

    9. airconditioningsvloeistoffen;

    10. vloeibare brandstoffen;

    11. tank voor tot vloeistof verdichte of gecomprimeerde gassen;

    12. bodembedreigende vloeistoffen;

    13. accu;

    14. oliefilter;

    15. condensatoren met PCB of PCT;

    16. batterijen; en

    17. ontplofbare onderdelen, als deze niet zijn geneutraliseerd, met uitzondering van elektrische airbags en gordelspanners.

  2. Als dat nodig is voor het opnieuw als product gebruiken van gedemonteerde onderdelen, kan worden afgezien van het aftappen van de oliën uit de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, en kan het oliefilter worden teruggeplaatst.

Artikel 4.588

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken ontdaan van de volgende stoffen en materialen:

    1. banden, glas en grote kunststofonderdelen, als deze materialen tijdens het shredderproces niet zo worden gescheiden dat ze kunnen worden gerecycled;

    2. metalen onderdelen die koper, aluminium of magnesium bevatten, als deze metalen niet tijdens het shredderproces worden gescheiden;

    3. katalysatoren;

    4. onderdelen waarvan is aangegeven dat deze lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten; en

    5. elektrische airbags en gordelspanners, als deze niet zijn geneutraliseerd.

  2. Een autowrak wordt niet zo geplet of mechanisch verkleind dat de identiteit of de inhoud daarvan niet meer herkenbaar is.

  3. Wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen worden ontdaan van onderdelen waarvan is aangegeven dat deze lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten en van elektrische airbags en gordelspanners, als deze niet zijn geneutraliseerd.

Artikel 4.589

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afgetapte of gedemonteerde stoffen en materialen als bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, afzonderlijk opgeslagen als dat nodig is voor het voorbereiden voor hergebruik, recycling of andere nuttige toepassing.

  2. Afgetapte of gedemonteerde stoffen en materialen als bedoeld in artikel 4.588, eerste lid, worden zo opgeslagen dat de mogelijkheden voor het voorbereiden voor hergebruik, recycling of andere nuttige toepassing niet worden geschaad.

  3. Stoffen en materialen die niet geschikt zijn voor het voorbereiden voor hergebruik, maar waarvoor wel een andere mogelijkheid van nuttige toepassing bestaat, worden gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd naar een locatie met een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige verwerkingsmogelijkheid.

Artikel 4.590

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen die nog niet zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, niet gestapeld.

  2. Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, maar nog niet van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.588, eerste lid, worden niet meer dan twee hoog, met een hoogte van niet meer dan 4,5 m, gestapeld of worden zo in stellingen gestapeld dat deze gemakkelijk kunnen worden geïnspecteerd en gedemonteerd.

Artikel 4.591

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in de artikelen 4.587, eerste lid, en 4.588, eerste lid, rechtstreeks afgevoerd naar een locatie met een shredderinstallatie die de autowrakken scheidt in metaalschroot dat direct te recyclen is en shredderafvalstoffen.

  2. Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in de artikelen 4.587, eerste lid, en 4.588, eerste lid, kunnen op een andere locatie worden opgeslagen, als:

    1. op die locatie geen demontageactiviteiten of activiteiten met de autowrakken worden verricht die ertoe leiden dat de identiteit of de inhoud van de autowrakken niet meer herkenbaar is; en

    2. de autowrakken na opslag op de opslaglocatie naar een locatie als bedoeld in het eerste lid worden gebracht.

  3. Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, kunnen, voordat ze worden afgevoerd volgens het eerste lid, ter beschikking worden gesteld aan een instelling voor oefendoeleinden en opleidingsdoeleinden.

Artikel 4.592

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij de ontvangst van een autowrak met een kenteken dat is verstrekt door een in een andere lidstaat van de Europese Unie daarvoor aangewezen instantie, op verzoek van degene die zich van dat autowrak ontdoet, een certificaat van vernietiging als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn autowrakken afgegeven. Hierin worden in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:

    1. de naam, het adres en de handtekening van degene die het certificaat van vernietiging afgeeft;

    2. de datum van afgifte van het certificaat van vernietiging;

    3. het kenteken van het autowrak, met inbegrip van de kenletters van het land;

    4. de categorie van voertuigen waartoe het autowrak behoort en het merk en het model van het autowrak;

    5. het voertuigidentificatienummer van het autowrak; en

    6. de naam, het adres, de nationaliteit en de handtekening van de eigenaar of houder van het afgegeven autowrak.

  2. Bij het certificaat van vernietiging wordt het kentekenbewijs dat bij het autowrak hoort gevoegd.

  3. Als het kentekenbewijs dat bij het autowrak hoort niet aanwezig is, wordt dat op het certificaat van vernietiging aangegeven.

Artikel 4.593

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van autowrakken na demontage op een andere locatie dan die waarop de wrakken zijn gedemonteerd.

Artikel 4.594

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.593, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.595

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden geen demontageactiviteiten of activiteiten met de autowrakken verricht die ertoe leiden dat de identiteit of de inhoud van de autowrakken niet meer herkenbaar is.

  2. Er worden niet meer dan 50 autowrakken opgeslagen.

  3. Als de activiteit plaatsvindt aan een kade en de autowrakken via de kade worden vervoerd, worden niet meer dan 400 autowrakken opgeslagen.

  4. De autowrakken worden na opslag op de opslaglocatie gebracht naar een locatie met een shredderinstallatie die de autowrakken scheidt in metaalschroot dat direct te recyclen is en shredderafvalstoffen.

Artikel 4.596

Deze paragraaf is van toepassing op het in een zuiveringtechnisch werk:

  1. in de waterlijn ontvangen en behandelen van stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van ten minste 2.000 inwonerequivalenten; en

  2. indikken en mechanisch ontwateren van het vrijkomende slib.

Artikel 4.597

  1. Het is verboden het afvalwater afkomstig van een activiteit als bedoeld in artikel 4.596 te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de locaties van de lozingspunten;

    2. de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk in inwonerequivalenten;

    3. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meters per dag;

    4. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meters per uur; en

    5. de resultaten van de immissietoets voor fosforverbindingen en stikstofverbindingen, verricht volgens het Handboek Immissietoets.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.598

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.596 wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.599

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem bevindt het bovengrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Het ondergrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, en het gedeelte van de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of beluchtingstank zijn lekdicht uitgevoerd.

Artikel 4.600

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en tolueen voldoen het ontwerpproces en het aanlegproces van bassins, tanks en leidingen in de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of de beluchtingstank aan:

  1. CUR/PBV-Aanbeveling 51, met uitzondering van de paragrafen 4.1, 5.1, 6.1.1 en 6.1.2; en

  2. CUR/PBV-Aanbeveling 65, met uitzondering van paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.601

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en tolueen wordt de lekdichtheid van de bedrijfsonderdelen van een zuiveringtechnisch werk gecontroleerd met geo-elektrische metingen met een meetfrequentie van eenmaal per zes jaar volgens AS SIKB 6700 door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.

  2. In plaats van door geo-elektrische metingen kan ook op lekdichtheid worden gecontroleerd met een grondwatermonitoringssysteem dat bestaat uit:

    1. een horizontaal monitoringssysteem, bij een zuiveringtechnisch werk aangelegd op of na 1 januari 2012; of

    2. verticale peilbuizen, bij een zuiveringtechnisch werk aangelegd voor 1 januari 2012.

Artikel 4.602

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem liggen de horizontale en verticale peilbuizen van een grondwatersysteem niet meer dan 30 m van elkaar.

  2. Als binnen een afstand van 60 m, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn geplaatst, wordt een extra horizontale of verticale peilbuis geplaatst.

  3. Als bassins of tanks zijn geplaatst op meer dan 60 m van elkaar, gemeten van hart tot hart, wordt om de 30 m een horizontale of een verticale peilbuis geplaatst.

  4. Een verticale peilbuis en de plaatsing van een verticale peilbuis voldoen aan NEN 5766.

  5. Horizontale peilbuizen en verticale peilbuizen worden benedenstrooms ten opzichte van de stroming van het grondwater geplaatst.

Artikel 4.603

  1. De achtergrondwaarden aan chemische zuurstofverbruik en ammoniumstikstof worden vastgesteld in het grondwater van een peilbuis die bovenstrooms is geplaatst.

  2. Eenmaal per kalenderjaar wordt een gefiltreerd monster, dat is genomen uit het horizontaal monitoringssysteem of uit de peilbuizen, geanalyseerd op CZV en N-NH4. Tussen opeenvolgende monsternames ligt ten minste elf maanden.

  3. Als de gemeten waarden meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt na uiterlijk twee maanden een nieuw grondwatermonster uit het monitoringssysteem en een grondwatermonster uit een bovenstrooms geplaatste peilbuis geanalyseerd.

  4. Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt de meetfrequentie verhoogd naar twee monsters per jaar voor de peilbuis. Tussen opeenvolgende monsternames liggen ten minste vijf maanden.

  5. Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden:

    1. worden de monsters die daarna worden genomen geanalyseerd op de stoffen, bedoeld in NEN 5740; en

    2. wordt een herstelplan opgesteld.

  6. Er worden peilbuizen geplaatst en grondwatermonsters genomen door:

    1. een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000; of

    2. een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  7. De grondwatermonsters worden geanalyseerd door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.

Artikel 4.604

Ten minste eenmaal per twee kalenderjaren worden uiterlijk twee maanden na de laatste bemonsteringen de resultaten van de analyse, bedoeld in artikel 4.603, tweede lid, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.605

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over meetwaarden die meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarde, bedoeld in artikel 4.603, vijfde lid.

Artikel 4.606

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt een zuiveringtechnisch werk zo geëxploiteerd en onderhouden dat onder normale weersomstandigheden de doelmatige werking ervan is gewaarborgd.

  2. Het lozingspunt is zo gekozen dat de nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd zo klein mogelijk zijn.

Artikel 4.607

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen gezuiverde afvalwater afkomstig van de behandeling van stedelijk afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.608

  1. Voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden:

    1. de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster; en

    2. afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk de waarden, bedoeld in tabel 4.608b, gemeten in een voortschrijdend jaargemiddelde.

  2. Afhankelijk van het aantal monsters dat per jaar wordt genomen, zijn voor het aantal monsters, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608c, de emissiegrenswaarden niet de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, maar de waarden, bedoeld in de derde kolom van die tabel, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster.

  3. Monsters met extreme concentraties die het gevolg zijn van ongebruikelijke situaties zoals zware regenval worden buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4.609

  1. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.608, worden verhoogd, wordt alleen gesteld als:

    1. als gevolg van dat maatwerk in totaal ten minste 75% van totaal fosfor en totaal stikstof wordt verwijderd in de zuiveringtechnische werken onder de zorg van degene die de activiteit verricht; en

    2. het zuiveringtechnisch werk:

      1. voor 1 september 1992 in gebruik is genomen en de ontwerpcapaciteit sinds de datum dat het in gebruik werd genomen met niet meer dan 25% is uitgebreid; of

      2. een ontwerpcapaciteit heeft van minder dan 20.000 inwonerequivalenten.

  2. De emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.608a, worden niet versoepeld, en van de aantallen monsters, bedoeld in tabel 4.608c, wordt niet afgeweken.

Artikel 4.610

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en etmaalmonsters worden individueel geanalyseerd.

  4. Op het analyseren is van toepassing:

    1. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    2. voor het biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2;

    3. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;

    4. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;

    5. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    6. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en

    7. voor de som van fosforverbindingen: NEN-ISO 15681-1, NEN-ISO 15681-2 NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 4.611

  1. Het inkomende stedelijk afvalwater en het afvalwater dat wordt geloosd wordt tijdproportioneel of volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd en geanalyseerd op de stoffen en parameters, bedoeld in artikel 4.608.

  2. Het aantal monsters per jaar is ten minste het aantal, bedoeld in tabel 4.611, afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk.

  3. Als de ontwerpcapaciteit minder is dan 10.000 inwonerequivalenten en in het voorafgaande jaar werd voldaan aan de waarden, bedoeld in artikel 4.608, is het aantal monsters voor het biochemisch zuurstofverbruik en chemisch zuurstofverbruik ten minste 4.

  4. Als uit de resultaten van een analyse blijkt dat in het inkomende stedelijk afvalwater het gehalte aan nitrietstikstof en nitraatstikstof in het voorafgaande jaar voortdurend lager is dan 1% ten opzichte van het gehalte aan organisch stikstof, kan ook alleen het gehalte aan organisch stikstof in dat afvalwater worden geanalyseerd.

Artikel 4.612

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt artikel 4.611 niet versoepeld.

Artikel 4.613

  1. Het totale zuiveringsrendement van een zuiveringtechnisch werk wordt berekend volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    η: zuiveringsrendement;

    Vi: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat wordt gezuiverd, in kilogram per joule; en

    Ve: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen, en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering wordt geloosd, in kilogram per joule.

  2. Vi en Ve worden berekend volgens de formules:

    waarbij wordt verstaan onder:

    r: het zuiveringtechnisch werk;

    n: het aantal zuiveringtechnische werken;

    d: de bemonsteringsdag;

    Mr: het aantal bemonsteringsdagen per jaar voor het zuiveringtechnisch werk;

    ird: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat door het zuiveringtechnisch werk wordt gezuiverd, in gram per kubieke meter;

    Erd: de na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk op de bemonsteringsdag geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater, in kubieke meters; en

    erd: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk wordt geloosd, in gram per kubieke meter.

  3. Met een debietmeting wordt continu de hoeveelheid geloosd afvalwater in kubieke meters per dag bepaald, met een methode waarvan de onnauwkeurigheid kleiner is dan 5%.

Artikel 4.614

Ten minste binnen vier maanden na afloop van elk kalenderjaar worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

  1. een overzicht van de zuiveringtechnische werken onder de zorg van degene die de activiteit verricht;

  2. een overzicht van de resultaten van de bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 4.611; en

  3. het totale zuiveringsrendement, bedoeld in artikel 4.613.

Artikel 4.615

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.616

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.617

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.618

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het ontvangen van afvalstoffen bij inzameling of afgifte.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het ontvangen van afvalwater vanuit een vuilwaterriool.

Artikel 4.619

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.618, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een overzicht van de in te nemen afvalstoffen en de te verrichten activiteiten met afvalstoffen;

    2. per activiteit per afvalstof de opslagcapaciteit en de verwerkingscapaciteit per jaar; en

    3. een beschrijving van de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, bedoeld in artikel 4.620.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.620

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen is er een werkinstructie over de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, die nodig zijn voor een doelmatig beheer van deze afvalstoffen.

  2. In de werkinstructie is onderscheid gemaakt tussen groepen van afvalstoffen waarvoor met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen verschillende procedures voor de ontvangst worden gebruikt.

  3. In de werkinstructie is per onderscheiden groep van afvalstoffen in ieder geval beschreven:

    1. het type ontdoener waarvan afvalstoffen worden aangenomen, als dit gevolgen heeft voor de acceptatie en controle;

    2. de eisen die degene die de activiteit verricht, stelt aan de manier waarop de afvalstoffen worden aangeboden;

    3. de manier waarop de afvalstoffen worden gecontroleerd bij ontvangst; en

    4. de manier waarop de afvalstoffen die op een milieuhygiënisch relevante manier afwijken van wat gangbaar is voor de categorie, worden behandeld.

Artikel 4.621

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid om grove huishoudelijke afvalstoffen af te geven op een daarvoor ingerichte locatie.

Artikel 4.622

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.621, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.623

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen zijn op een locatie waarop gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen af te geven, als de volgende huishoudelijke afvalstoffen worden ingenomen, voorzieningen aanwezig voor het gescheiden achterlaten van die afvalstoffen:

    1. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;

    2. asbest;

    3. geïmpregneerd hout;

    4. gasflessen, brandblussers en overige drukhouders;

    5. grond;

    6. niet-geïmpregneerd hout;

    7. banden van voertuigen;

    8. dakafval;

    9. geëxpandeerd polystyreenschuim;

    10. gemengd steenachtig materiaal, met uitzondering van asfalt en gips;

    11. gips;

    12. grof tuinafval;

    13. harde kunststoffen;

    14. matrassen;

    15. metalen;

    16. papier en karton;

    17. textiel, met uitzondering van tapijt; en

    18. vlakglas.

  2. Op de locatie wordt duidelijk aangegeven waar de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, die niet op de locatie worden ingenomen, kunnen worden aangeboden.

  3. Er wordt zoveel mogelijk voorkomen dat afvalstoffen waarvoor specifieke voorzieningen aanwezig zijn in de voorziening voor het restafval worden achtergelaten.

  4. De voorziening voor matrassen is zo uitgevoerd dat de matrassen niet in contact komen met hemelwater.

Artikel 4.624

  1. Er is een werkinstructie als bedoeld in artikel 4.620 over de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen.

  2. In de werkinstructie wordt aangegeven:

    1. hoe wordt voorkomen dat afvalstoffen waarvoor specifieke voorzieningen aanwezig zijn in de voorziening voor het restafval worden achtergelaten;

    2. hoe wordt voorkomen dat op de locatie grove huishoudelijke afvalstoffen worden afgegeven die niet worden ingenomen; en

    3. hoe wordt bereikt dat zo veel mogelijk van de ingenomen afvalstoffen geschikt is en blijft voor en afgevoerd wordt ten behoeve van voorbereiding voor hergebruik en recycling.

Artikel 4.625

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van verwijderd asbest of een verwijderd asbesthoudend product.

Artikel 4.626

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.626, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.627

  1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of beperken van de verspreiding van asbest, geeft het opslaan van asbest geen stofverspreiding die met het blote oog waarneembaar is.

  2. Asbest is alleen aanwezig in een container en verpakt in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal van voldoende dikte en sterkte.

Artikel 4.628

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij het in containers samenvoegen van asbest van verschillende saneringen, per container vastgelegd van welke saneringen het asbest afkomstig is.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op asbest dat is ingenomen bij een milieustraat als bedoeld in paragraaf 3.5.6.

Artikel 4.628a

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt verwijderd asbest of een verwijderd asbesthoudend product niet langer dan een jaar opgeslagen.

Artikel 4.629

Deze paragraaf is van toepassing op het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen.

Artikel 4.630

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.629, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het maximale aantal werkruimten waarop inperkingsniveau I of II als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit van toepassing is;

    2. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het maximale aantal werkruimten waarop inperkingsniveau III als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit van toepassing is; en

    3. een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.631

  1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.629, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. de namen en bereikbaarheidsgegevens van degenen die aanspreekpunt zijn voor het toezicht op en de controle van de veiligheid van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen; en

    2. gegevens over het bestaan van biologische veiligheidscomités of subcomités.

  2. Ten minste vier weken voordat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.632

  1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.629, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens verstrekt over eventuele andere activiteiten die degene die de genetisch gemodificeerde organismen gebruikt, verricht binnen de begrenzing van de locatie, bedoeld in artikel 3.249, voor zover die activiteiten de integriteit van het ggo-gebied kunnen aantasten.

  2. Ten minste vier weken voordat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 of waarvoor een melding is gedaan op grond van hoofdstuk 4.

Artikel 4.633

Met het oog op het voorkomen van de verspreiding van genetisch gemodificeerde organismen:

  1. bevinden alle categorieën van fysische inperking zich in het ggo-gebied;

  2. is het ggo-gebied alleen toegankelijk voor bevoegde personen; en

  3. wordt de kans op het doorbreken van de integriteit van het ggo-gebied zo klein mogelijk gehouden.

Artikel 4.634

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een crematorium.

Artikel 4.635

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.634, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.636

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de lucht worden geen kisten verbrand die zijn bekleed met lood en zink.

  2. Metalen en kunststofonderdelen worden voor verbranding verwijderd.

Artikel 4.637

  1. Met het oog op het zo volledig mogelijk verbranden van rookgassen en het beperken van het ontstaan van stikstofoxiden heeft een crematieoven een naverbrandingsruimte met een naverbrander waarin de rookgassen uit de hoofdkamer worden naverbrand.

  2. Het ontwerp van de crematieoven is zo, dat onder normale bedrijfsomstandigheden de verblijftijd van de afgassen in de naverbrandingsruimte ten minste 1,5 seconde is bij een temperatuur van ten minste 800 °C.

  3. In de hoofdkamer van de oven en in de naverbrander van de verbrandingsruimte wordt een low-NOx brander toegepast.

  4. In de naverbrandingsruimte worden rookgassen zo gemengd dat ze zo volledig mogelijk worden verbrand.

  5. De temperatuur van de rookgassen in de naverbrandingsruimte wordt door een brander boven de 800 °C gehouden, waartoe de brander van een automatische regeling is voorzien.

  6. Het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte is ten minste 6%, waarbij kortdurende onderschrijdingen van dit gehalte zijn toegestaan als deze onderschrijdingen nooit langer dan een minuut duren en het zuurstofgehalte boven de 3% blijft.

Artikel 4.638

  1. Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde voor kwik en kwikverbindingen, berekend als Hg, 0,05 g/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van kwik en kwikverbindingen, berekend als Hg, niet meer is dan 0,075 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een adsorptiemedium en een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

  4. Bij het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud van het adsorptiemedium en de filtrerende afscheider is rekening gehouden met het voorkomen van dioxinevorming en furanenvorming in het filter en het afvangen van de in de afgassen aanwezige dioxinen en furanen.

Artikel 4.639

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van kwik en kwikverbindingen is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor kwik en kwikverbindingen NEN-EN 13211 van toepassing.

  3. Het berekenen van een emissieconcentratie wordt betrokken op een zuurstofgehalte van 11% onder normaalcondities en voor droog rookgas.

Artikel 4.640

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor kwik en kwikverbindingen wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregelen, bedoeld in 4.638, derde lid, worden getroffen.

Artikel 4.641

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden de temperatuur en het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte continu gemeten en geregistreerd.

  2. Uiterlijk zes maanden nadat de crematieoven voor het eerst wordt gebruikt en daarna jaarlijks wordt de oven gecontroleerd door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.

  3. In het crematorium is een logboek of systeem aanwezig waarin de volgende gegevens worden vastgelegd:

    1. de onderhoudsresultaten en controleresultaten en de meetwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid; en

    2. de opgetreden storingen of andere onregelmatigheden die van invloed kunnen zijn op de luchtemissie, onder vermelding van de datum, het tijdstip en de aard van de storing en de getroffen acties om de storing ongedaan te maken en voor de toekomst te voorkomen.

Artikel 4.642

  1. Voor de emissie in de lucht bij het exploiteren van een crematieoven voor dieren is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.643

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.644

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in 4.642, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.645

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.643 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.646

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het afgevangen stof uit de filtrerende afscheider afgegeven aan een daarvoor erkende inzamelaar.

Artikel 4.647

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van:

  1. een laboratorium; of

  2. een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs.

Artikel 4.648

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.647, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Als wordt gewerkt met een biologisch agens, bevat een melding:

    1. informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

    2. een aanduiding of het gaat om een biologisch agens dat als ziekteverwekker is aangewezen op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren; en

    3. de ligging van de ruimten waar wordt gewerkt met het biologisch agens.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.649

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.647, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.650

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met alcohol en zuren bevindt een laboratorium of een praktijkruimte zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.651

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.652

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater:

    1. is er een werkinstructie over het voorkomen van verontreiniging van afvalwater opgesteld; en

    2. zijn voorzieningen aanwezig die zijn afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht.

  2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:

    1. wat de afvalwaterstromen zijn en of ze wel of niet kunnen worden geloosd; en

    2. welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te beperken.

Artikel 4.653

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.654

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.655

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.656

  1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.656, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.656, niet overschrijdt.

  3. Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in totaal stof en in de klassen sA.1, sA.2 en sA.3, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

  4. Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en stoffen, ingedeeld in de klassen gA.1, gA.2 en gA.3, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.

  5. Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gO.1 en gO.2, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikt adsorptiefilter worden gevoerd.

Artikel 4.657

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.656, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;

    2. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    3. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    4. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    5. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;

    6. voor ammoniak: NEN 2826;

    7. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    8. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    9. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.658

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.656, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen S, sA.1, sA.2 en sA.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, derde lid, wordt getroffen;

    2. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gA.1, gA.2 en gA.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, vierde lid, wordt getroffen; en

    3. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gO.1, gO.2 en gO.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, vijfde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.659

  1. Een eenmalige meting als bedoeld in artikel 4.656 bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.659.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.657 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.660

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.661

Met het oog op het voorkomen van het verspreiden van ziektekiemen worden bij het gericht werken met biologische agentia:

  1. voorzieningen getroffen die zijn gericht op het voorkomen van het vrijkomen van het biologisch agens; en

  2. gedragsvoorschriften opgesteld en nageleefd.

Artikel 4.661a

Met het oog op het voorkomen van het verspreiden van ziektekiemen is bij het gericht werken met biologische agentia, ingedeeld in risicogroepen 2, 3 of 4 van de richtlijn biologische agentia, of met de ziekteverwekkers die zijn aangewezen op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren, een contactpersoon bereikbaar die kan worden benaderd door het bevoegd gezag bij een incident waarbij deze biologische agentia vrijkomen.

Artikel 4.661b

  1. Ten minste vier weken voor het begin van het werken met een biologisch agens, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de naam en het telefoonnummer verstrekt van de contactpersoon, bedoeld in artikel 4.661a.

  2. Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.661c

  1. Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op de emissie van het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

  2. Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.

Artikel 4.662

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van een voorziening voor het landen of opstijgen van helikopters bij ziekenhuizen.

Artikel 4.663

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.662, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.664

Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder is het geluidsvermogensniveau van helikopters die door een academisch ziekenhuis worden ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams niet hoger dan 140 dB(A).

Artikel 4.665

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder wordt een voorziening voor het landen en opstijgen van helikopters alleen door helikopters gebruikt als dit gebruik op medische gronden bijzonder is aangewezen.

  2. Bij een academisch ziekenhuis vinden naast het gebruik op medische gronden, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste 400 vliegbewegingen per kalenderjaar plaats als dit bijzonder is aangewezen voor:

    1. onderhoud of reparatie;

    2. tankvluchten; of

    3. opleiding en training van de piloot en van het mobiel medisch team.

  3. Bij een niet-academisch ziekenhuis vinden naast het gebruik op medische gronden, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste 20 vliegbewegingen per kalenderjaar plaats als dit bijzonder is aangewezen voor de opleiding en training van de piloot.

Artikel 4.666

  1. De volgende gegevens worden geregistreerd:

    1. de reden voor het gebruik van de voorziening;

    2. het tijdstip van vertrek; en

    3. het tijdstip van aankomst.

  2. De registratie wordt binnen twee dagen na gebruik van de voorziening bijgewerkt.

Artikel 4.666a

Het geluidsvermogensniveau van een helikopter die wordt ingezet door een academisch ziekenhuis dat op 1 februari 2003 een voorziening in werking had voor het landen en opstijgen van helikopters, is tot het moment van vervanging van de helikopter niet hoger dan 145 dB(A).

Artikel 4.667

Deze paragraaf is van toepassing op het chemisch reinigen van textiel.

Artikel 4.668

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.667, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.669

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.667, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.670

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oplosmiddelen wordt chemisch gereinigd met tetrachlooretheen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  2. Met andere oplosmiddelen dan tetrachlooretheen wordt chemisch gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  3. De vloeistofdichte bodemvoorziening heeft geen aansluiting op het vuilwaterriool.

Artikel 4.671

  1. Met het oog het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het chemisch reinigen van textiel geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.672

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor tetrachlooretheen 0,1 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.673

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het analyseren van tetrachlooretheen is NEN-EN-ISO 10301 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.

Artikel 4.674

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.675

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden alleen tetrachlooretheen of niet-gechloreerde alifatische koolwaterstoffen gebruikt.

Artikel 4.676

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een jachthaven waar pleziervaartuigen afmeren.

Artikel 4.677

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.676, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.678

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen ingenomen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.679

Voor het bilgewater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat bilgewater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.680

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.681

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.682

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.683

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.684

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een jachthaven van gebruikers van de jachthaven in ieder geval de volgende afvalstoffen ingenomen:

    1. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen;

    2. oliehoudende en vethoudende afvalstoffen van onderhoud aan pleziervaartuigen;

    3. afvalstoffen van reparatiewerkzaamheden en onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen;

    4. bilgewater;

    5. huishoudelijk afvalwater; en

    6. de inhoud van chemische toiletten.

  2. Voor de inzameling van de afvalstoffen wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers van de jachthaven.

Artikel 4.685

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, bij de inning van het havengeld kenbaar gemaakt welk aandeel daarvan is bedoeld voor het in stand houden van de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen.

  2. Voor een jachthaven waarin gewoonlijk zeegaande pleziervaartuigen afmeren, is een havenafvalplan voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen opgesteld.

  3. Het havenafvalplan bevat in ieder geval de elementen die in bijlage 1 bij Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG (PbEU 2019, L 151) verplicht worden gesteld.

  4. Het tweede lid is niet van toepassing als:

    1. de jachthaven alleen wordt aangedaan door pleziervaartuigen en wordt gekenmerkt door schaars of weinig verkeer;

    2. de havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van pleziervaartuigen zijn geïntegreerd in het afvalverwerkingssysteem dat ter uitvoering van titel 10.4 van de Wet milieubeheer wordt beheerd; en

    3. informatie over de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen beschikbaar wordt gesteld aan de gebruikers van de jachthaven.

Artikel 4.685a

  1. Eenmaal in de vijf jaar wordt het havenafvalplan, bedoeld in artikel 4.685, tweede lid, na overleg met betrokken partijen, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

  2. Bij aanzienlijke veranderingen in de exploitatie van de jachthaven wordt zo spoedig mogelijk een geactualiseerd havenafvalplan opgesteld. Binnen veertien dagen na het opstellen van het geactualiseerde havenafvalplan, wordt het verstrekt aan het bevoegd gezag.

  3. Als zich geen aanzienlijke veranderingen in de exploitatie van de jachthaven voordoen, kan, na evaluatie, de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste vijf jaar worden verlengd. Binnen veertien dagen na de verlenging van de geldigheidsduur van het havenafvalplan wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

Artikel 4.685b

Als artikel 4.685, vierde lid, van toepassing is, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover binnen vier weken geïnformeerd.

Artikel 4.686

De artikelen 4.684, 4.685 en 4.685a zijn niet van toepassing op een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen en die is aangewezen op grond van de artikelen 6 en 6a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.

Artikel 4.687

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking.

Artikel 4.688

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.687, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.689

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.687, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.690

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt voorkomen dat afgeschoten kogels buiten het gebouw kunnen komen.

  2. Het gebouw waarin de schietbaan ligt, voldoet aan tabel 4.690.

Artikel 4.691

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is in het gebouw een kogelvanger aanwezig.

  2. De kogelvanger voldoet aan tabel 4.691.

Artikel 4.692

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met kogelresten, kruit en patroonhulzen wordt geschoten boven een aaneengesloten bodemvoorziening als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  2. Een kogelvanger is opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.693

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.

Artikel 4.694

  1. Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.

Artikel 4.695

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.696

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.694, derde lid, wordt getroffen.

Artikel 4.697

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95% betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.695 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.698

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.699

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een schietbaan die ligt in de buitenlucht.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het exploiteren van een kleiduivenbaan.

Artikel 4.700

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.699, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.701

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.699, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.702

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt voorkomen dat kogels buiten de schietbaan kunnen komen.

  2. De schietbaan voldoet aan tabel 4.702.

Artikel 4.703

Een zandkogelvanger voldoet aan tabel 4.703.

Tabel 4.703 Constructie kogelvanger

Deel of kenmerk van de kogelvanger

Bij het schieten met:

– vuistvuurwapens met een kaliber tot en met .22,

– schoudervuurwapens met een kaliber tot en met .22, of

– randvuurmunitie tot en met .22 Long Rifle

Bij het schieten met:

– vuistvuurwapens met een kaliber tot .50,

– overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .50, of

– historische vuistvuurwapens

Bij het schieten met:

– schoudervuurwapens met een kaliber tot .50, of

– historische schoudervuurwapens

Zandkogelvanger

Helling ten minste 34 graden met horizontaal, nabij hoogst mogelijke inslag 0,75 m diepte

Helling ten minste 34 graden met horizontaal, nabij hoogst mogelijke inslag 1,0 m diepte

Helling ten minste 34 graden met horizontaal, nabij hoogst mogelijke inslag 1,2 m diepte

Artikel 4.704

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem met kogelresten, kruit en patroonhulzen wordt geschoten boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  2. Een kogelvanger heeft een overkapping tegen inregenen, en is, met uitzondering van een zandkogelvanger, opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.705

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een schietbaan die ligt in de buitenlucht waar met hagelgeweren op kleiduiven wordt geschoten.

Artikel 4.706

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.705, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat gegevens en bescheiden over de omvang en ligging van het gebied waarin hagel afkomstig uit vuurwapens tijdens het schieten kan neerkomen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.707

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.705, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.708

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft de schietbaan een gebied in de vorm van een cirkelsector die voldoet aan tabel 4.708, waarin hagel afkomstig uit vuurwapens kan neerkomen tijdens het schieten.

  2. In het gebied zijn tijdens het schieten geen personen aanwezig.

  3. Het gebied ligt binnen de afgebakende begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 4.709

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt geschoten boven een aaneengesloten bodemvoorziening als:

    1. op de kleiduivenbaan met loodhagelpatronen of zinkhagelpatronen wordt geschoten; of

    2. kleiduiven worden gebruikt of voorhanden zijn die stoffen bevatten in een hogere concentratie dan aangegeven in tabel 4.709.

  2. Langs deze aaneengesloten bodemvoorziening zijn vangnetten of schermen aangebracht als delen van patronen of kleiduiven hierbuiten kunnen komen.

  3. Het gehalte aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt berekend als de som van naftaleen, antraceen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen, benzo(k)fluoranteen en indeno(1,2,3-cd)pyreen.

Artikel 4.710

Deze paragraaf is van toepassing op het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen.

Artikel 4.711

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.710, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.712

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.710, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.713

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de fysieke leefomgeving wordt een gebruikte verpakking van gewasbeschermingsmiddelen of biociden na het legen onverwijld en grondig gereinigd, zodat niet meer dan 0,01% van het oorspronkelijk in de ongeopende verpakking aanwezige middel resteert.

Artikel 4.714

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen aangemaakt boven een aaneengesloten bodemvoorziening en zijn de vaste leidingen voor het transport ervan bovengronds gelegd.

Artikel 4.715

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen of het reinigen van verpakkingen opnieuw gebruikt.

Artikel 4.716

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen of het reinigen van verpakkingen niet geloosd.

Artikel 4.717

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen voldoende afstand gehouden tot een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.718

Deze paragraaf is van toepassing op het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op landbouwgronden.

Artikel 4.719

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.720

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de fysieke leefomgeving wordt een gebruikte verpakking van gewasbeschermingsmiddelen na het legen onverwijld en grondig gereinigd:

  1. zodat niet meer dan 0,01% van het oorspronkelijk in de ongeopende verpakking aanwezige middel resteert; en

  2. waarbij het afvalwater opnieuw wordt gebruikt voor het aanmaken van dezelfde gewasbeschermingsmiddelen.

Artikel 4.721

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen of het reinigen van verpakkingen opnieuw gebruikt.

Artikel 4.722

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen of het reinigen van verpakkingen niet geloosd.

Artikel 4.723

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen voldoende afstand gehouden tot een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.723a

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de openlucht.

  2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het lozen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.

  3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. windhaag: barrière van bomen of struiken bedoeld om het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen buiten de locatie waarop de activiteit wordt verricht te beperken;

    2. emissiescherm: aaneengesloten voorziening voor het beperken van de drift van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam die:

      1. aan de grond is verankerd;

      2. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;

      3. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en

      4. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en

    3. teeltvrije zone: strook tussen de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, met uitzondering van grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld.

Artikel 4.723b

  1. Het is verboden stoffen afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.723a, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.723c

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid wordt bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht een techniek toegepast die een driftreductie bereikt van ten minste 75% ten opzichte van een referentietechniek als bedoeld in tabel 4.723c.

  2. De driftreductie van de techniek wordt getest. Op het testen hiervan is het Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken van toepassing.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op een met de hand gedragen spuit.

Artikel 4.723d

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen langs een oppervlaktewaterlichaam een teeltvrije zone aangehouden waarbij wordt voldaan aan tabel 4.723d.

  2. De teeltvrije zone wordt gemeten vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en strekt zich uit tot het hart van de buitenste planten van de te telen gewassen, met uitzondering van de teelt van grasland.

  3. In afwijking van het eerste lid hoeft geen teeltvrije zone te worden aangehouden langs een oppervlaktewaterlichaam als wordt voldaan aan tabel 4.723da.

  4. In afwijking van het eerste lid wordt langs een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet een teeltvrije zone van ten minste 500 cm aangehouden.

Artikel 4.723e

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de windsnelheid meer is dan 5 m/s, gemeten op:

    1. 2 m boven de grond bij neerwaarts bespuiten; en

    2. 1 m boven boomhoogte bij op- en zijwaarts bespuiten.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    1. als kan worden aangetoond dat niet anders dan door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s een teeltbedreigende situatie kan worden voorkomen; of

    2. op een overkapte beddenspuit.

Artikel 4.723f

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam met gewasbeschermingsmiddelen worden binnen een teeltvrije zone gewasbeschermingsmiddelen niet druppelsgewijs gebruikt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    1. bij pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde dop; of

    2. bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op overhangend loof van niet meer dan een halve gewasrij in de teeltvrije zone als niet richting een oppervlaktewaterlichaam wordt gespoten.

Artikel 4.723g

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam met gewasbeschermingsmiddelen worden deze op een talud bij een oppervlaktewaterlichaam pleksgewijs en driftvrij gebruikt.

Artikel 4.723h

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden op braakliggende landbouwgronden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt binnen 50 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.723i

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam met meststoffen worden binnen een teeltvrije zone als bedoeld in artikel 4.723d geen meststoffen gebruikt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan tabel 4.723i of als bladmeststoffen worden gebruikt en een emissiescherm wordt gebruikt.

  3. Bij het gebruik van bladmeststoffen wordt bij:

    1. op- en zijwaarts bespuiten van gewassen bij het bespuiten van de buitenste gewasrij niet richting een oppervlaktewaterlichaam gespoten; en

    2. neerwaarts bespuiten van gewassen bij de eerste werkgang direct naast de teeltvrije zone een techniek gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 50% ten opzichte van een referentietechniek als bedoeld in tabel 4.723c.

Artikel 4.723j

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden op braakliggende landbouwgronden geen meststoffen gebruikt binnen 50 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.724

Deze paragraaf is van toepassing op het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen in dompelbaden of douche-installaties.

Artikel 4.725

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.724, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.726

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.724, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.727

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een dompelbad of douche-installatie opgesteld boven een lekbak of een aaneengesloten bodemvoorziening.

  2. Gedompelde of gedouchte gewassen of gebruikte verpakkingen waar gewasbeschermingsmiddelen uit kunnen lekken worden bewaard:

    1. in de douche-installatie;

    2. boven een lekbak; of

    3. boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  3. Een buitenopslag voor gedompelde of gedouchte gewassen of gebruikte verpakkingen is tegen inregenen beschermd.

Artikel 4.728

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.724, niet geloosd.

Artikel 4.729

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen van verpakkingen voor het opslaan van biologisch geteelde gewassen.

Artikel 4.730

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.729, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.729, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  3. Een melding bevat:

    1. de lozingsroutes; en

    2. als op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd: de locaties van de lozingspunten.

  4. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  5. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.731

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.729, geloosd op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een vuilwaterriool.

Artikel 4.732

Voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, is de emissiegrenswaarde 100 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.733

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde 300 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.734

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.735

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.736

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen van verpakkingen voor het opslaan van niet-biologisch geteelde gewassen.

Artikel 4.737

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.736, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de lozingsroutes.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.738

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.736, geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.739

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde 300 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.740

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.741

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.742

Deze paragraaf is van toepassing op het spoelen van gewassen, met uitzondering van bloembollen, bloemknollen of biologisch geteelde gewassen.

Artikel 4.743

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.742, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de lozingsroutes.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.744

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem kan het slib dat ontstaat bij het spoelen van gewassen gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden waar de gewassen zijn geteeld.

Artikel 4.745

  1. Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging hiervan wordt bij het spoelen:

    1. het spoelproces onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen;

    2. het spoelwater opnieuw gebruikt; en

    3. de hoeveelheid naspoelwater geminimaliseerd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het spoelen van drooggeschoonde prei of asperges.

Artikel 4.746

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt voorspoelwater niet geloosd.

Artikel 4.747

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen spoelwater afkomstig van het spoelen van drooggeschoonde prei of asperges of het naspoelwater afkomstig van het spoelen van andere gewassen gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Het afvalwater kan ook worden geloosd in een vuilwaterriool als het verspreiden over landbouwgronden redelijkerwijs niet mogelijk is.

  3. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.748

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.749

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.750

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.751

Deze paragraaf is van toepassing op het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen.

Artikel 4.752

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.751, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.753

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.754

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt bij het spoelen een bezinkbassin gebruikt dat voldoet aan de Handreiking aanleg, beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector.

Artikel 4.755

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging hiervan wordt bij het spoelen:

  1. het spoelproces onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen;

  2. het spoelwater opnieuw gebruikt; en

  3. de hoeveelheid naspoelwater geminimaliseerd.

Artikel 4.756

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt voorspoelwater niet geloosd.

Artikel 4.757

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen naspoelwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.758

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.759

Deze paragraaf is van toepassing op het spoelen van biologisch geteelde gewassen.

Artikel 4.760

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.759, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.761

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.759, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.762

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.763

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.764

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 4.765

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.766

Deze paragraaf is van toepassing op het met water sorteren van niet-biologisch geteeld fruit.

Artikel 4.767

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.766, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de lozingsroutes.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.768

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.766, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 4.769

  1. Afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool wordt geleid door een zuiveringsvoorziening die ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen vermindert.

  2. De zuiveringsvoorziening bestaat uit het voorzuiveren met een lamellenfilter en het nazuiveren met een ozoninstallatie en actief koolfilter.

  3. De zuiveringsvoorziening voldoet aan tabel 4.769.

Artikel 4.770

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.771

Deze paragraaf is van toepassing op het met water sorteren van biologisch geteeld fruit.

Artikel 4.772

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.771, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.773

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.771, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.774

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.775

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.776

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.777

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.778

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het op substraat telen van gewassen in de openlucht.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het op substraat telen van gewassen op stellingen of in een gotensysteem.

Artikel 4.779

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.778, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.780

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bij het bemesten bij de activiteit, bedoeld in artikel 4.778, eerste lid, op een doorlatende ondergrond:

  1. worden alleen kunstmeststoffen gebruikt die over een langere periode de werkzame bestanddelen afgeven; of

  2. wordt een druppelsysteem gebruikt waarbij de waterafgifte en de kunstmeststoffenafgifte zijn afgestemd op de behoefte van het gewas.

Artikel 4.781

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij substraatteelt op een niet-doorlatende ondergrond:

    1. wordt het drainwater opgevangen in een opvangvoorziening en opnieuw gebruikt; en

    2. wordt na het bemesten of het bespuiten van de gewassen met gewasbeschermingsmiddelen de eerste 50 m3 drainwater en hemelwater per hectare teeltoppervlakte opgevangen in de opvangvoorziening en opnieuw gebruikt.

  2. Dit artikel is niet van toepassing:

    1. als bij het bemesten van de gewassen alleen kunstmeststoffen worden gebruikt die over een langere periode werkzame stoffen afgeven en de teeltoppervlakte niet meer dan 500 m2 is; of

    2. op de teelt van aardbeienplanten op trayvelden.

Artikel 4.782

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij de teelt van aardbeienplanten op trayvelden op een niet-doorlatende ondergrond:

  1. wordt het drainwater opgevangen in een opvangvoorziening en opnieuw gebruikt; en

  2. wordt na het bemesten of het bespuiten van de gewassen met gewasbeschermingsmiddelen de eerste 30 m3 drainwater en hemelwater per hectare teeltoppervlakte opgevangen in een opvangvoorziening en opnieuw gebruikt.

Artikel 4.783

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt drainwater afkomstig van substraatteelt op een niet-doorlatende ondergrond en hemelwater afkomstig uit een opvangvoorziening niet geloosd.

Artikel 4.784

Deze paragraaf is van toepassing op het op substraat telen van gewassen op stellingen of in een gotensysteem in de openlucht.

Artikel 4.785

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.784, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.786

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het drainwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.784, opgevangen en opnieuw gebruikt.

Artikel 4.787

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt drainwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.784, niet geloosd.

Artikel 4.788

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van assimilatiebelichting in een kas.

Artikel 4.789

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.788, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.790

  1. Met het oog op het beperken van lichthinder bij het gebruik van assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van 15.000 lux of meer is de lichtuitstraling van zonsondergang tot zonsopgang verminderd door:

    1. de bovenzijde van de kas te voorzien van een lichtscherminstallatie waardoor de lichtvermindering ten minste 98% is; en

    2. de gevel van de kas zo af te schermen dat op een afstand van 10 m van de gevel de lichtvermindering ten minste 95% is en de in de kas gebruikte lampen niet zichtbaar zijn.

  2. Bij het gebruik van assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux is de lichtuitstraling verminderd door:

    1. de bovenzijde van de kas te voorzien van een lichtscherminstallatie waardoor de lichtvermindering:

      1. ten minste 98% is tijdens de donkerteperiode; en

      2. ten minste 74% tijdens de nanacht; en

    2. de gevel van de kas van zonsondergang tot zonsopgang zo af te schermen dat op een afstand van 10 m van de gevel de lichtvermindering ten minste 95% is en de in de kas gebruikte lampen niet zichtbaar zijn.

  3. De donkerteperiode is de periode van 1 november tot 1 april van 18.00 tot 24.00 uur en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van het tijdstip van een half uur na zonsondergang tot 02.00 uur.

  4. De nanacht is de periode van 1 november tot 1 april van 24.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van 02.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang.

Artikel 4.791

Deze paragraaf is van toepassing op het bij het telen van gewassen op substraat in een kas:

  1. gebruiken van water voor het telen;

  2. lozen van drainwater; of

  3. lozen van spoelwater met gewasbeschermingsmiddelen van filters van een waterdoseringsinstallatie.

Artikel 4.791a

  1. Het is verboden water te lozen afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.791, aanhef en onder b en c, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.791b

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen drainwater of spoelwater geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.791c

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater bij het lozen van drainwater:

    1. wordt een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3/ha teeltoppervlakte gebruikt; of

    2. wordt water gebruikt met een natriumgehalte dat niet hoger is dan dat van hemelwater.

  2. Drainwater wordt gerecirculeerd met een recirculatiesysteem.

  3. Het eerste en tweede zijn niet van toepassing als bij het lozen van drainwater de hoeveelheid toegediende totaal stikstof, bedoeld in artikel 4.791e, niet meer is dan 25 kg/ha teeltoppervlakte per kalenderjaar of als in een kas de totale teeltoppervlakte voor het telen van gewassen op substraat kleiner is dan 2.500 m2.

Artikel 4.791d

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt drainwater of spoelwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, voor het lozen door een zuiveringsvoorziening geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water verwijdert.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als het drainwater of het spoelwater na het lozen wordt geleid door een zuiveringsvoorziening of een zuiveringtechnisch werk waarmee ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water wordt verwijderd.

  3. Het zuiveringsrendement van de zuiveringsvoorziening wordt bepaald volgens het Meetprotocol voor het testen van het zuiveringsrendement van zuiveringsinstallaties glastuinbouw.

Artikel 4.791da

  1. Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, geïnformeerd over de wijze waarop in het voorafgaande kalenderjaar is voldaan aan artikel 4.791d:

    1. door een zuiveringsvoorziening of zuiveringtechnisch werk dat alleen het drainwater of spoelwater van de eigen kas zuivert;

    2. door een zuiveringsvoorziening of zuiveringtechnisch werk dat afvalwater van meer activiteiten zuivert;

    3. door een mobiele zuiveringsvoorziening;

    4. door geen gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken; of

    5. door gedurende het hele jaar geen drainwater of spoelwater te lozen dat gewasbeschermingsmiddelen bevat.

  2. Ten minste vier weken voordat de wijze van voldoen, bedoeld in het eerste lid, wijzigt, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

Artikel 4.791e

  1. Voor het drainwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden voor totaal stikstof per gewas de waarden, bedoeld in tabel 4.791e.

  2. De hoeveelheid totaal stikstof wordt berekend door de hoeveelheid drainwater dat in een jaar wordt geloosd te vermenigvuldigen met het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof, dat daarin aanwezig is.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als de totale teeltoppervlakte kleiner is dan 2.500 m2.

Artikel 4.791f

  1. Voor het vaststellen van de hoeveelheid totaal stikstof in drainwater worden aan de hand van de gewassen die worden geteeld, de teeltoppervlakte en de teeltperiode per gewas gemeten:

    1. de hoeveelheid drainwater die wordt geloosd in kubieke meters, waarbij de afwijking van het instrument dat voor de meting wordt gebruikt ten hoogste 10% is; en

    2. het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof in het drainwater.

  2. De hoeveelheid en het gehalte worden gemeten:

    1. per periode van vier weken, beginnend op de eerste dag van de eerste week voor de parameter, bedoeld in het eerste lid, onder a; en

    2. ten minste eenmaal per acht weken en ten minste eenmaal in de weken 49 tot 52 voor de parameters, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  3. De resultaten van de metingen worden ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.791fa

Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een rapportage verstrekt met de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar:

  1. de parameters, bedoeld in artikel 4.791f, eerste lid;

  2. de hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in artikel 4.791e, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, vastgesteld aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791f, eerste lid, onder a en b; en

  3. de hoeveelheid totaal stikstof over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791f, eerste lid, onder a en b.

Artikel 4.791g

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.791ga

  1. Artikel 4.791b is niet van toepassing op het lozen van drainwater of spoelwater op een oppervlaktewaterlichaam dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

  2. Het eerste lid is van toepassing tot het tijdstip dat:

    1. na de inwerkingtreding van dit besluit volledig op het vuilwaterriool kan worden geloosd waarop tot de inwerkingtreding van dit besluit gedeeltelijk werd geloosd; of

    2. na de inwerkingtreding van dit besluit op een afstand van 40 m of minder op een vuilwaterriool kan worden geloosd.

  3. Het eerste en tweede lid zijn vanaf 1 januari 2027 niet van toepassing.

Artikel 4.791h

Deze paragraaf is van toepassing op het bij het telen van gewassen in een kas op materiaal dat in verbinding staat met de ondergrond:

  1. gebruiken van water voor het telen;

  2. lozen van drainagewater; of

  3. lozen van spoelwater met gewasbeschermingsmiddelen van filters van een waterdoseringsinstallatie.

Artikel 4.791i

  1. Het is verboden water te lozen afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.791h, aanhef en onder b en c, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.791j

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen drainagewater of spoelwater geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.791k

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt drainagewater of spoelwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, voor het lozen door een zuiveringsvoorziening geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water verwijdert.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als het drainagewater of het spoelwater na het lozen wordt geleid door een zuiveringsvoorziening of een zuiveringtechnisch werk waarmee ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water wordt verwijderd.

  3. Het zuiveringsrendement van de zuiveringsvoorziening wordt bepaald volgens het Meetprotocol voor het testen van het zuiveringsrendement van zuiveringsinstallaties glastuinbouw.

Artikel 4.791ka

  1. Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, geïnformeerd over de wijze waarop in het voorafgaande kalenderjaar is voldaan aan artikel 4.791k:

    1. door een zuiveringsvoorziening of zuiveringtechnisch werk dat alleen het drainwater of spoelwater van de eigen kas zuivert;

    2. door een zuiveringsvoorziening of zuiveringtechnisch werk dat afvalwater van meer activiteiten zuivert;

    3. door een mobiele zuiveringsvoorziening;

    4. door geen gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken; of

    5. door gedurende het hele jaar geen drainwater of spoelwater te lozen dat gewasbeschermingsmiddelen bevat.

  2. Ten minste vier weken voordat de wijze van voldoen, bedoeld in het eerste lid, wijzigt, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

Artikel 4.791l

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater bij het lozen van drainagewater:

    1. wordt een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3/ha teeltoppervlakte gebruikt; of

    2. wordt water gebruikt met een natriumgehalte dat niet hoger is dan dat van hemelwater.

  2. Drainagewater wordt gerecirculeerd met een recirculatiesysteem.

  3. De hoeveelheid toegediende totaal stikstof is afgestemd op de behoefte van het gewas en is niet meer dan de gebruiksnorm voor totaal stikstof in kilogram per hectare teeltoppervlakte per kalenderjaar, genoemd in tabel 4.791la, per categorie gewas.

  4. De hoeveelheid toegediende totaal fosfor is afgestemd op de behoefte van het gewas en is niet meer dan de gebruiksnorm voor totaal fosfor in kilogram per hectare teeltoppervlakte per kalenderjaar, bedoeld in tabel 4.791lb, per categorie gewas.

  5. Bij het doorspoelen van de bodem bij een volgteelt van bladgroentegewassen wordt niet meer water gebruikt dan 3.000 m3/ha gestoomde bodem.

  6. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als in een kas de totale teeltoppervlakte voor het telen van gewassen op materiaal dat in verbinding staat met de ondergrond kleiner is dan 2.500 m2.

Artikel 4.791m

  1. Bij de teelt van gewassen worden de volgende gegevens gemeten of berekend:

    1. de hoeveelheid voedingswater die wordt toegediend in kubieke meters;

    2. de hoeveelheid drainagewater die wordt hergebruikt in kubieke meters;

    3. de hoeveelheid drainagewater die wordt geloosd in kubieke meters;

    4. het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor in het geloosde drainagewater;

    5. per gewas of groep van gewassen met eenzelfde bemestingsniveau: het gehalte aan totaal stikstof en totaal fosfor in de bodem op basis van een representatief grondmonster;

    6. na elk gebruik: de hoeveelheid in kilogram per hectare toegediende meststoffen onder vermelding van de samenstelling van de meststof;

    7. de gewassen die worden geteeld, de teeltoppervlakte en de teeltperiode per gewas; en

    8. jaarlijks: de op 1 januari aanwezige meststoffen onder vermelding van de merknaam zoals die op de verpakking is vermeld, de naam en het adres van de leveranciers en de hoeveelheid, uitgedrukt in kilogrammen of liters.

  2. Het verbruik aan totaal stikstof en totaal fosfor wordt uitgedrukt in kilogrammen totaal stikstof en totaal fosfor en berekend door voor elke te onderscheiden samenstelling van de meststoffen het verbruik van totaal stikstof en totaal fosfor te berekenen en vervolgens de som van de uitkomsten van die berekeningen te nemen.

  3. De afwijking van de nauwkeurigheid van de instrumenten die worden gebruikt voor het meten van de hoeveelheid, bedoeld in het eerste lid, is ten hoogste 10%.

Artikel 4.791n

  1. De hoeveelheid voedingswater en drainagewater, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder a, b en c, wordt geregistreerd per periode van vier weken, beginnend op de eerste dag van de eerste week.

  2. Het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder d, wordt geregistreerd per periode van dertien weken, beginnend op dag een van week een.

  3. Om de behoefte van de gewassen, genoemd in artikel 4.791l te bepalen, wordt per gewas of groep van gewassen met hetzelfde bemestingsniveau:

    1. ten minste eenmaal per kwartaal een representatief grondmonster genomen en de hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor bepaald;

    2. de hoeveelheid toegediende meststoffen geregistreerd onder vermelding van de samenstelling van de meststof en de oppervlakte die wordt bemest; en

    3. de hoeveelheid toegediende totaal stikstof en totaal fosfor per oppervlakte-eenheid per jaar geregistreerd.

  4. De resultaten van de metingen en de registraties worden ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.791o

Jaarlijks wordt uiterlijk op 30 april aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een rapportage verstrekt met de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar:

  1. de gegevens, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder c, d en g;

  2. de toegediende hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder f en g; en

  3. de hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor in het geloosde drainagewater, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder c en d.

Artikel 4.791p

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.791pa

  1. Artikel 4.791j is niet van toepassing op het lozen van drainagewater of spoelwater op een oppervlaktewaterlichaam dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

  2. Het eerste lid is van toepassing tot het tijdstip dat:

    1. na de inwerkingtreding van dit besluit volledig kan worden geloosd op het vuilwaterriool waarop tot de inwerkingtreding van dit besluit gedeeltelijk werd geloosd; of

    2. na de inwerkingtreding van dit besluit op een afstand van 40 m of minder van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.791h, op een vuilwaterriool kan worden geloosd.

  3. Het eerste en tweede lid zijn vanaf 1 januari 2027 niet van toepassing.

Artikel 4.791q

Deze paragraaf is van toepassing op:

  1. het lozen van afvalwater uit een hemelwaterafvoersysteem van een kas; en

  2. het lozen van condenswater afkomstig van condensvorming aan de binnenzijde van de kas dat via condensgootjes wordt verzameld.

Artikel 4.791r

  1. Het is verboden het afvalwater of condenswater, bedoeld in artikel 4.791q, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.791s

  1. Bij het lozen uit het hemelwaterafvoersysteem van een kas wordt, als een hemelwateropvangvoorziening aanwezig is die volledig is benut, het hemelwater geloosd via een overstortvoorziening, die is aangebracht voorafgaand aan de hemelwateropvangvoorziening.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. de hemelwateropvangvoorziening een inhoud heeft van ten minste 3.500 m3/ha teeltoppervlakte;

    2. de kas zo is gebouwd dat condenswater niet in het hemelwaterafvoersysteem terecht kan komen;

    3. in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden zo worden gebruikt dat deze niet in het hemelwaterafvoersysteem terecht kunnen komen; of

    4. in de kas alleen biologische productiemethoden worden toegepast.

Artikel 4.791t

  1. Condenswater wordt niet geloosd als in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als alleen biologische productiemethoden worden toegepast.

Artikel 4.791u

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop het afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.792

  1. Deze paragraaf is van toepassing op:

    1. het lozen van proceswater bij het telen van gewassen op watercultuur in een gebouw; en

    2. het lozen van ander afvalwater bij het telen van gewassen in een gebouw.

  2. In deze paragraaf wordt onder proceswater verstaan: het water dat circuleert tijdens het telen van gewassen op watercultuur in een gebouw.

  3. Deze paragraaf is niet van toepassing als het gebouw een kas is.

Artikel 4.793

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit en de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 4.792, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de lozingsroutes.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.794

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging van het afvalwater wordt het proceswater opnieuw gebruikt.

Artikel 4.795

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het telen van gewassen in een gebouw gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Afvalwater afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt kan ook worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het verspreiden over landbouwgronden of lozen op een vuilwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  3. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 4.796

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 4.795, tweede lid, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.796, gemeten in een steekmonster.

Tabel 4.796 Emissiegrenswaarden

Stof

Emissiegrenswaarde in mg/l

Onopgeloste stoffen

100

Biochemisch zuurstofverbruik

60

Chemisch zuurstofverbruik

300

Artikel 4.797

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 4.795, eerste lid, dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde 300 mg/l voor onopgeloste stoffen, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.798

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    2. voor het biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en

    3. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Artikel 4.799

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.800

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van natriumarm gietwater waarbij brijn ontstaat.

Artikel 4.801

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt brijn afkomstig van het bereiden van natriumarm gietwater waarbij brijn ontstaat, niet geloosd.

Artikel 4.802

Artikel 4.801 is tot en met 30 juni 2022 niet van toepassing op het lozen in de bodem bij het telen van gewassen in kassen als hiervoor op 31 december 2012 een ontheffing als bedoeld in artikel 3.90, zevende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, is verleend.

Artikel 4.803

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren waarbij brijn ontstaat.

Artikel 4.804

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater bij het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren waarbij brijn ontstaat, wordt brijn niet geloosd.

Artikel 4.805

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf.

  2. Als landbouwhuisdieren worden gehouden in een dierenverblijf, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast reinigen en ontsmetten van veewagens.

Artikel 4.806

  1. De artikelen 4.818 tot en met 4.823 zijn niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf voor een diercategorie als niet meer dan het volgende aantal dieren van die diercategorie wordt gehouden:

    1. 10 melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder;

    2. 10 vleeskalveren jonger dan 1 jaar;

    3. 20 gespeende biggen van minder dan 25 kg;

    4. 15 varkens als dit zijn:

      1. kraamzeugen;

      2. guste en dragende zeugen;

      3. vleesvarkens van 25 kg en meer;

      4. opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden; en

      5. opfokzeugen van 25 kg en meer;

    5. 500 kippen;

    6. 10 vleeskalkoenen; of

    7. 10 vleeseenden.

  2. In deze paragraaf wordt onder emissiepunt verstaan:

    1. het punt waar een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of

    2. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waar een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

Artikel 4.807

  1. De artikelen 4.818 tot en met 4.823 zijn ook niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf met:

    1. een vrijloopstal waarin melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder worden gehouden;

    2. een huisvestingssysteem voor landbouwhuisdieren die worden gehouden volgens de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de bio-verordening, en waarin geen melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder worden gehouden;

    3. een huisvestingssysteem waarin legkippen van 18 weken en ouder en ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder worden gehouden in aangepaste kooien als bedoeld in artikel 2.71 of 2.72 van het Besluit houders van dieren; en

    4. een huisvestingssysteem voor varkens, waarvan het leefoppervlakte in het overdekte dierenverblijf en de oppervlakte van de verharde uitloop ten minste de oppervlakte, bedoeld in tabel 4.807, is.

  2. Een vrijloopstal is een huisvestingssysteem voor melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder zonder ligboxen en met een zachte vochtdoorlatende of absorberende bodem, waarbij de totale oppervlakte ten minste het aantal dieren, vermenigvuldigd met 10 m2, is.

Artikel 4.808

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.805, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

    2. per dierenverblijf:

      1. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      2. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      3. een beschrijving van de wijze van ventilatie;

    3. per dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor geur of PM10 is vastgesteld:

      1. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter;

      2. een doorsnedentekening met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    4. de lozingsroutes.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.809

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.805, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.810

Er wordt elke maand een registratie bijgehouden van het aantal tijdens die maand in een dierenverblijf aanwezige landbouwhuisdieren.

Artikel 4.811

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem:

    1. heeft de vloer van een dierenverblijf een aaneengesloten bodemvoorziening; en

    2. worden vloeistoffen die vrijkomen opgevangen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als zich direct onder de vloer van het dierenverblijf een mestkelder bevindt die lekdicht is.

Artikel 4.812

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt het spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een lekdichte voorziening opgeslagen.

Artikel 4.813

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven en veewagens gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.814

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging hiervan wordt bij het reinigen en spoelen bij het melken:

  1. het spoelproces onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen; en

  2. het voorspoelwater opnieuw gebruikt.

Artikel 4.815

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen naspoelwater afkomstig van het reinigen en spoelen bij het melken:

    1. geloosd in een vuilwaterriool; of

    2. gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.816

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.817

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht voldoet een huisvestingssysteem of aanvullende techniek aan de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.818

  1. Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder is de emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar, niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.818.

  2. Als een dierenverblijf voor de huisvesting van melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt de emissiegrenswaarde die in tabel 4.818 is opgenomen in kolom A in plaats van kolom B als:

    1. de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 onherroepelijk is en het dierenverblijf uiterlijk op 30 september 2016 is opgericht; of

    2. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 is ingediend en:

      1. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en

      2. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is geworden, is opgericht.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

Artikel 4.819

Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor vleeskalveren jonger dan een jaar is de emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar, niet meer dan 2,5 kg.

Artikel 4.820

  1. Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor varkens, kippen of kalkoenen is de emissie van ammoniak niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.820.

  2. Als een dierenverblijf is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt in tabel 4.820 kolom A in plaats van kolom B als:

    1. de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, uiterlijk op 30 juni 2015 onherroepelijk is, en het dierenverblijf uiterlijk op 30 september 2016 is opgericht; of

    2. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 is ingediend en:

      1. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en

      2. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is, is opgericht.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op een uitloop bij een huisvestingssysteem voor kippen als de oppervlakte van die uitloop geen deel uitmaakt van de op grond van het Besluit houders van dieren vereiste bruikbare oppervlakte.

Artikel 4.821

De emissie, bedoeld in de artikelen 4.818, 4.819 en 4.820, wordt bepaald en berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.822

  1. Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, in een dierenverblijf voor de diercategorieën, bedoeld in tabel 4.822, is de emissie van PM10, uitgedrukt in gram PM10 per dierplaats per jaar, niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in die tabel.

  2. Het eerste lid geldt niet voor vleeseenden die buiten worden gemest.

Artikel 4.823

De emissie, bedoeld in artikel 4.822, wordt bepaald en berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.824

  1. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld voor een overig huisvestingssysteem waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een andere emissiefactor voor ammoniak, geur of PM10 heeft vastgesteld dan de bij ministeriële regeling vastgestelde emissiefactor, worden de emissies binnen twee jaar na het in gebruik nemen van dat huisvestingssysteem gemeten volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld voor een niet in de ministeriële regeling opgenomen aanvullende techniek waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een reductiepercentage voor de reductie van ammoniak, geur of PM10 heeft vastgesteld, worden de emissies binnen twee jaar na het in gebruik nemen van die aanvullende techniek gemeten volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.825

Uiterlijk twee jaar na de ingebruikname van het huisvestingssysteem in een dierenverblijf of de aanvullende techniek wordt het rapport van de metingen, bedoeld in artikel 4.824, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.826

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht bij gebruik van een luchtwassysteem is:

  1. de capaciteit ten minste gelijk aan de totale maximale ventilatiebehoefte van het aantal en de categorie landbouwhuisdieren die worden gehouden in een huisvestingssysteem; en

  2. voor een evenredige verdeling van de stallucht door het luchtwassysteem:

    1. de doorstroomoppervlakte van het luchtkanaal ten minste 1 cm2/m3 lucht bij de maximale capaciteit van het luchtwassysteem; en

    2. de afstand tussen de ventilatoren die de lucht uit het huisvestingssysteem zuigen en de eerste reinigingsstap ten minste 3 m en, als de ventilatoren na het filterpakket zijn geplaatst, de afstand tussen de laatste reinigingsstap en de ventilatoren ten minste 1 m.

Artikel 4.827

  1. Met het oog op het beperken van emissies in de lucht bij gebruik van een luchtwassysteem:

    1. is er een werkinstructie beschikbaar; en

    2. wordt het luchtwassysteem ten minste eenmaal per twaalf maanden door een ter zake deskundige onderhouden en gecontroleerd op de deugdelijkheid van het functioneren hiervan.

  2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven welke werkwijze wordt gevolgd bij de controles en schoonmaak van het luchtwassysteem en welke maatregelen als bedoeld in artikel 4.829, tweede lid, worden getroffen.

Artikel 4.828

  1. Als landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem met een luchtwassysteem is een door de leverancier van het luchtwassysteem afgegeven opleveringsverklaring beschikbaar.

  2. De opleveringsverklaring bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    1. per luchtwassysteem: het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat kan worden gehouden en de maximale ventilatiebehoefte van die landbouwhuisdieren;

    2. de maximale capaciteit van het luchtwassysteem in kubieke meters per uur;

    3. de aanstroomoppervlakte van het filterpakket waardoor lucht stroomt in vierkante meters;

    4. de afmetingen, het volume en de samenstelling van het filterpakket;

    5. de afmetingen van de drukkamer;

    6. de drukval over het filterpakket in Pascal;

    7. het zuurverbruik in liters per dag als er een chemische wasstap is;

    8. het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt;

    9. het spuiwaterdebiet in liters per uur en de spuifrequentie; en

    10. het waswaterdebiet in liters per uur.

  3. De parameters van het luchtwassysteem blijven binnen de bandbreedtes van de opleveringsverklaring.

Artikel 4.829

  1. Het luchtwassysteem heeft een elektronisch monitoringssysteem waarmee de volgende parameters elk uur worden geregistreerd:

    1. de pH van het waswater;

    2. de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter;

    3. de totale spuiwaterproductie in kubieke meters vanaf het in werking stellen van het luchtwassysteem;

    4. de drukval over het filterpakket in Pascal; en

    5. het totale elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt vanaf het in werking stellen van het luchtwassysteem.

  2. Als uit de monitoring blijkt dat de parameters buiten de bandbreedtes van de opleveringsverklaring of de systeembeschrijving vallen, worden maatregelen getroffen om de werking van het luchtwassysteem te waarborgen.

  3. Het waswater heeft een laagdebietalarmering die zo spoedig mogelijk in werking treedt als het debiet van het waswater te laag is.

  4. De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.830

  1. Bij de spuiwaterproductie is per spuiwaterstroom een geschikte debietmeter in de spuileiding aanwezig.

  2. De sensoren voor het meten van de pH en het meten van de geleidbaarheid van het waswater worden ten minste eenmaal per zes maanden gekalibreerd door een ter zake deskundige.

Artikel 4.831

  1. Artikel 4.818 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat voor 1 juli 2015 is opgericht en voldoet aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 2°, 3° of 4°, van het Besluit emissiearme huisvesting zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van dit besluit.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf voor 1 juli 2015.

Artikel 4.832

  1. Artikel 4.819 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor vleeskalveren jonger dan een jaar dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat is opgericht voor 1 januari 2020.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf voor 1 januari 2020.

Artikel 4.833

Artikel 4.820 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor varkens, kippen of kalkoenen dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat voor 1 januari 2007 is opgericht, als de totale emissie van ammoniak van de op het perceel aanwezige huisvestingssystemen niet hoger is dan de totale emissies van ammoniak die de huisvestingssystemen op grond van de artikelen 4.818, 4.819 en 4.820, eerste lid, berekend op basis van de emissiegrenswaarden, bedoeld in de tabellen 4.818, 4.819 en 4.820, per afzonderlijk huisvestingssysteem zouden mogen veroorzaken.

Artikel 4.834

  1. Artikel 4.822 is niet van toepassing op een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor kippen, vleeskalkoenen en vleeseenden dat deel uitmaakt van een dierenverblijf:

    1. dat is opgericht voor 1 juli 2015;

    2. dat is opgericht op of na 1 juli 2015, en:

      1. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een omgevingsvergunning onherroepelijk is en dat is opgericht voor 1 oktober 2016; of

      2. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die voldoet aan de indieningsvereisten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, waarbij de omgevingsvergunning op 30 juni 2015 niet onherroepelijk is en waarbij het dierenverblijf is opgericht binnen 15 maanden nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.

Artikel 4.835

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek.

Artikel 4.836

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.835, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat het totaal volume van de opslagcapaciteit in kubieke meters bij een opslag van meer dan 600 m3.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.837

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.835, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.838

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, champost of dikke fractie, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    1. op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    2. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  2. Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    1. in een gebouw waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en met een aaneengesloten bodemvoorziening en voldoende ventilatie om condensvorming te voorkomen;

    2. in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    3. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 4.839

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.840

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.841

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen.

Artikel 4.842

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.841, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.841, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  3. De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de locaties van de lozingspunten.

  4. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  5. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.843

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.841, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.844

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 4.845

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.846

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen geloosd op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam als:

  1. het niet in contact is geweest met het kuilvoer of de vaste bijvoedermiddelen; en

  2. het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

Artikel 4.847

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.848

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal met een totaal volume van meer dan 3 m3.

Artikel 4.849

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.848, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.848, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  3. De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de locaties van de lozingspunten.

  4. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  5. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.850

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.848, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.851

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt gebruikt substraatmateriaal opgeslagen op een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.852

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater afkomstig van het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, worden vrijkomende vloeistoffen gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.

Artikel 4.853

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor de opslag van gebruikt substraatmateriaal geloosd op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam als:

  1. het niet in contact is geweest met het substraatmateriaal; en

  2. het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

Artikel 4.854

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.855

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin.

Artikel 4.856

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.855, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. het volume en de oppervlakte van het mestbassin; en

    2. het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins op de locatie als het gezamenlijke volume meer is dan 2.500 m3 of de gezamenlijke oppervlakte ten minste 350 m2 is.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.857

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.858

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een mestbassin lekdicht en zijn aan de buitenzijde van het mestbassin bij de aansluitpunten van de vulleidingen, aftapleidingen en roerleidingen voorzieningen getroffen om lekkage te beperken.

  2. Van een mestbassin dat geheel of gedeeltelijk boven het maaiveld ligt en is uitgevoerd met een binnenafdichting van folie is de draagconstructie bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie.

  3. Folie dat voor een mestbassin wordt gebruikt, is voor gebruik bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gecertificeerd door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor BRL-K519, BRL-K537, BRL-K538, BRL-K546 of BRL 1149.

Artikel 4.858a

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is een mestbassin dat is uitgevoerd als een met folie beklede grondput of een mestzak, waar bij lekkage drijfmest, digestaat of dunne fractie in het oppervlaktewaterlichaam terecht zou kunnen komen, volledig omringd door een dijklichaam:

  1. waarvan het binnendijkse volume ten minste gelijk is aan de maximale inhoud van het mestbassin of de mestzak; en

  2. dat is bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie.

Artikel 4.859

Met het oog op het beperken van emissies van ammoniak in de lucht is een mestbassin volledig afgedekt, met uitzondering van de ontluchtingsopeningen voor het voorkomen van het ophopen van gas.

Artikel 4.859a

Artikel 4.858a is tot 1 januari 2031 niet van toepassing op een mestzak die voor inwerkingtreding van dit besluit al werd gebruikt en waarvan de locatie niet wijzigt.

Artikel 4.860

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het behandelen van dierlijke meststoffen.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    1. het behandelen van dierlijke meststoffen als onderdeel van een huisvestingssysteem waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor ammoniak is vastgesteld; en

    2. het vergisten, drogen, indampen, verbranden en composteren van dierlijke meststoffen.

Artikel 4.861

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.860, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de gebruikte behandelingstechniek; en

    2. de hoeveelheid dierlijke meststoffen in kubieke meters per jaar die ten hoogste wordt behandeld.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.862

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.863

Met het oog op het beperken van geurhinder gebeurt het hygiëniseren van dierlijke meststoffen in een gesloten ruimte of een gesloten systeem.

Artikel 4.864

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het vergisten van dierlijke meststoffen in een vergistingstank.

  2. Deze paragraaf is ook van toepassing op:

    1. een na-opslag van digestaat zolang dat biologisch actief is;

    2. een gaszak of opslagtank voor de opslag van vergistingsgas;

    3. een gedeelte voor de bewerking van vergistingsgas; of

    4. een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten.

Artikel 4.864a

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.864, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de maximale verwerkingscapaciteit van dierlijke meststoffen in kubieke meters per jaar;

    2. de maximale opslagcapaciteit van het vergistingsgas in kubieke meters;

    3. de coördinaten van:

      1. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en

      2. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen;

    4. de methode van bewerking en de bestemming van het vergistingsgas; en

    5. de methode van stabilisatie van het digestaat.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.865

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.864, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.866

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht, ten minste 50 m.

  2. De afstand vanaf het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht, is ten minste 50 m.

  3. De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste en tweede lid:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.

  4. Het derde lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.867

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.866, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.868

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 50 m vanaf een gaszak of een opslagtank waarin vergistingsgas wordt opgeslagen of het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen.

Artikel 4.869

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt kooldioxide die vrijkomt bij het bewerken van vergistingsgas bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.870

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een gaszak voor vergistingsgas eenmaal per twaalf maanden visueel geïnspecteerd op tekenen van verwering of slijtage.

  2. Op een vast opgestelde opslagtank voor vloeibaar gemaakt vergistingsgas is PGS 33-1 van overeenkomstige toepassing.

  3. Bij het legen van de opslagtank is PGS 33-1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.871

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht:

    1. is een mestvergistingsinstallatie gasdicht en beveiligd tegen overdruk; en

    2. voldoet een mestvergistingsinstallatie aan de NTA 9766 en is een verklaring beschikbaar waaruit dit blijkt.

  2. De verklaring heeft een geldigheid van ten hoogste vijftien jaar. Kort voor het verlopen van de geldigheid wordt een mestvergistingsinstallatie opnieuw beoordeeld.

Artikel 4.872

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht:

  1. wordt digestaat dat nog biologisch actief is:

    1. niet getransporteerd; en

    2. buiten de vergistingstank niet gemengd met vaste mest of drijfmest; en

  2. wordt het overgebleven digestaat gestabiliseerd zodra een vergistingstank of na-opslag buiten bedrijf wordt gesteld en niet meer gasdicht is.

Artikel 4.873

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht wordt bij vergistingsgas uit een mestvergistingsinstallatie dat de locatie via een leiding verlaat die installatie zo afgesteld dat:

  1. bij een plotselinge drukval in de leiding de levering van vergistingsgas onverwijld wordt stopgezet; en

  2. na stopzetting van de levering deze pas weer wordt hervat als het probleem is opgelost.

Artikel 4.874

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van emissies in de lucht wordt het vergistingsgas uit een mestvergistingsinstallatie bij ingebruikname bemonsterd, waarbij het gehalte aan waterstofsulfide wordt geanalyseerd.

  2. Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, wordt bij het punt waarop het gas in de leiding wordt gebracht ook het gehalte aan ammoniak geanalyseerd en het dauwpunt bij een druk van 8 bar bepaald.

Artikel 4.875

  1. Bij het verlaten van een mestvergistingsinstallatie is de grenswaarde voor het gehalte waterstofsulfide in vergistingsgas 430 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, is:

    1. de grenswaarde voor het gehalte ammoniak in het vergistingsgas 15 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting; en

    2. het dauwpunt niet meer dan -3 °C bij een druk van 8 bar.

Artikel 4.876

  1. Een mestvergistingsinstallatie heeft een elektronisch monitoringssysteem.

  2. Als de resultaten van de monitoring hiertoe aanleiding geven, worden maatregelen getroffen om de werking van een mestvergistingsinstallatie te waarborgen en onveilige situaties of emissies van vergistingsgas te voorkomen.

Artikel 4.877

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevinden de vergistingstank en de na-opslag van digestaat of het gedeelte voor de bewerking van vergistingsgas zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.878

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het bewerken van vergistingsgas niet geloosd.

Artikel 4.878a

De artikelen 4.866, eerste en tweede lid, en 4.867 zijn niet van toepassing op het vergisten van dierlijke meststoffen in een installatie dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.879

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het composteren en opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

Artikel 4.880

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.879, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. het maximale volume van de opslag of het composteren; en

    2. de lozingsroutes.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.881

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.879, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.882

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt niet-houtachtig groenafval, dat meer dan veertien dagen wordt opgeslagen, op een aaneengesloten bodemvoorziening opgeslagen.

  2. Als de opslag van groenafval op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd, is een absorberende laag die voorkomt dat vloeistoffen in de bodem treden voldoende.

Artikel 4.883

Met het oog op het beperken van uitspoeling van vermestende stoffen naar de bodem wordt een composteringshoop in de periode van 1 november tot 1 maart tegen inregenen beschermd. Een composteringshoop wordt regelmatig omgezet.

Artikel 4.884

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het composteren geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in de bodem, in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.885

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van groenafval gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.886

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of die punten zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.887

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen van veewagens.

Artikel 4.888

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.887, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. gegevens of bescheiden waaruit blijkt welke handelingen met gewasbeschermingsmiddelen worden verricht; en

    2. de lozingsroute.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.889

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.887, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.890

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden voertuigen en werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, gereinigd op een wasplaats die een aaneengesloten bodemvoorziening heeft.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als het reinigen gebeurt op landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of als het reinigen incidenteel gebeurt.

Artikel 4.891

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is er geen directe afvoer voor afvalwater en hemelwater van de wasplaats naar een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.892

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het uitwendig reinigen van voertuigen of werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:

    1. bij het reinigen op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, geloosd op die landbouwgronden;

    2. als het reinigen incidenteel gebeurt, geloosd op onverharde bodem; of

    3. opgevangen en gezuiverd, zodat geen afvalwater wordt geloosd.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, geloosd op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of op onverharde bodem of geloosd via die andere route.

Artikel 4.893

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van voertuigen of werktuigen na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:

    1. gelijkmatig verspreid over landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt; of

    2. opgevangen en gezuiverd, zodat geen afvalwater wordt geloosd.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, gelijkmatig verspreid op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of geloosd via die andere route.

Artikel 4.894

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het afvalwater afkomstig van het reinigen van voertuigen of werktuigen die niet voor gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, geloosd op onverharde bodem of in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op onverharde bodem of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.895

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.896

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van propaan of propeen in een opslagtank.

Artikel 4.897

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.896, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de coördinaten van de opslagtank, het vulpunt van de opslagtank, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding, de aansluitpunten van die leiding en pomp en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank;

    2. de inhoud van de opslagtank;

    3. de aanduiding dat het aantal bevoorradingen per jaar niet meer dan 5 of meer dan 5 bedraagt; en

    4. het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.898

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.901, eerste lid, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.899

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding, de aansluitpunten van die leiding en pomp, de bovengrondse opslagtank en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste de afstand, bedoeld in de derde kolom van tabel 4.899; of

    2. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld in de vierde of vijfde kolom van tabel 4.899, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.896, omvat.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of

    4. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 19.

  3. De afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, is ten minste de helft van die afstand als het gaat om beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen of beperkt kwetsbare of kwetsbare locaties waar ook een opslagtank voor propaan of propeen aanwezig is.

  4. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstanden, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Artikel 4.900

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.899, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.901

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.896, voldaan aan PGS 19.

Artikel 4.901a

De artikelen 4.899, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.900 zijn niet van toepassing op het opslaan van propaan of propeen in een opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.902

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, helium of lachgas in een opslagtank.

Artikel 4.903

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.902, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de coördinaten van de opstelplaats van de opslagtank, het vulpunt van de opslagtank en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank;

    2. de inhoud van de opslagtank; en

    3. een aanduiding van het soort gas dat wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.904

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.907, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.905

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf een opslagtank:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 1 m bij een opslagtank met een inhoud van niet meer dan 10 m3 en ten minste 3 m bij een opslagtank met een inhoud van meer dan 10 m3; of

    2. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.902, omvat.

  2. Als een opslagtank voor het opslaan van zuurstof ligt op een afstand van minder dan 10 m van een opslagtank voor het opslaan van propaan, propeen of een gas als bedoeld in artikel 4.902, is de afstand, bedoeld in het eerste lid, ten minste 20 m.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of

    4. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 9.

  4. Het eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid.

Artikel 4.906

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.905, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.907

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.902, voldaan aan PGS 9.

Artikel 4.908

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een opslagtank gevuld tot ten hoogste 90% van de inhoud of tot de vullingsgraad die op of bij de opslagtank is aangegeven en niet mag worden overschreden.

  2. Een buiten gebruik gestelde opslagtank wordt drukvrij en gasvrij gemaakt door een deskundig persoon.

Artikel 4.909

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt binnen vier weken na het drukvrij en gasvrij maken van de opslagtank daarover geïnformeerd.

  2. Binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over het drukvrij en gasvrij maken van de opslagtank.

Artikel 4.909a

De artikelen 4.905, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.906 zijn niet van toepassing op het opslaan van zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, helium of lachgas in een opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.910

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger.

Artikel 4.911

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.910, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de coördinaten van het vulpunt van een bovengrondse opslagtank waarin polyesterhars wordt opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank; en

    2. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.912

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.916, eerste of tweede lid, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.913

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.914

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt van een bovengrondse opslagtank waarin polyesterhars wordt opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 20 m; of

    2. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, omvat.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of

    4. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 31.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Artikel 4.915

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.914, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.916

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, voldaan aan PGS 30, als het gaat om het opslaan van vloeibare brandstoffen, met uitzondering van benzine.

  2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, wordt voldaan aan PGS 31, als het gaat om het opslaan van benzine of andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan vloeibare brandstoffen.

Artikel 4.917

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  2. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800, als die opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.

  3. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden ondergrondse leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

Artikel 4.918

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt de bovengrondse opslagtank zich boven of in een lekbak.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bovengrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem of lekdetectiepotsysteem dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  3. Een elektronisch lekdetectiesysteem wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  4. Een lekdetectiepotsysteem wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd. Bij het constateren van een gebrek wordt het systeem binnen vier weken hersteld. Van de verrichte controles wordt ten minste eenmaal per jaar een aantekening gemaakt.

  5. De resultaten van beoordelingen en de aantekeningen van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.919

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een bovengrondse opslagtank zich:

  1. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of

  2. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de opslagtank is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.

Artikel 4.919a

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.919, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 4.920

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de kathodische bescherming op een ondergrondse leiding van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 voor AS SIKB 6800.

  2. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.921

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.922

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.923

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.924

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.925

  1. Artikel 4.914, eerste lid, is niet van toepassing op opslagtanks die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2013.

  2. De artikelen 4.914, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.915 zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.926

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan in een bovengrondse opslagtank van:

  1. gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;

  2. vloeistoffen van ADR-klasse 5.1;

  3. vloeistoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III;

  4. vloeistoffen van ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen; of

  5. oliën of vetten die niet van ADR-klasse 3 zijn of pekel.

Artikel 4.927

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.926, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.928

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.926, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.929

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL, als op die opslagtank een ondergrondse leiding is aangesloten.

  2. Een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen worden geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800, als die opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.

  3. Ondergrondse leidingen worden geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

Artikel 4.930

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt de bovengrondse opslagtank zich boven of in een lekbak.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bovengrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem of lekdetectiepotsysteem dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  3. Een elektronisch lekdetectiesysteem wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  4. Een lekdetectiepotsysteem wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd. Bij het constateren van een gebrek wordt het systeem binnen vier weken hersteld. Van de verrichte controles wordt ten minste eenmaal per jaar een aantekening gemaakt.

  5. De resultaten van beoordelingen en de aantekeningen van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.931

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een bovengrondse opslagtank zich:

    1. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of

    2. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de opslagtank is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.

  2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de bovengrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.941.

Artikel 4.931a

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.931, eerste lid, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool, als in de bovengrondse opslagtank vloeistoffen worden opgeslagen van:

  1. ADR-klasse 5.1;

  2. ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III; of

  3. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen.

Artikel 4.932

  1. Met voorzieningen en maatregelen is gewaarborgd dat overvullen van een bovengrondse opslagtank niet mogelijk is.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als bij het vullen van een bovengrondse opslagtank vanuit een tankwagen gebruik wordt gemaakt van:

    1. een vulpistool met een automatisch afslagmechanisme dat ervoor zorgt dat het vullen stopt als de opslagtank vol is of als het vulpistool valt; of

    2. een aangekoppelde slang met een vaste aansluiting en een automatisch afslagmechanisme dat ervoor zorgt dat het vullen stopt als de opslagtank vol is.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval ook voldaan als:

    1. wordt voldaan aan artikel 4.929, eerste en tweede lid; of

    2. als de opslagtank een overvulbeveiliging heeft die is geïnstalleerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

Artikel 4.933

  1. Voorkomen wordt dat een bovengrondse opslagtank kan leegstromen bij een breuk in een leiding of het falen van de installatie.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als wordt voldaan aan artikel 4.929, eerste en tweede lid.

Artikel 4.934

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de kathodische bescherming op een ondergrondse leiding van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 voor AS SIKB 6800.

  2. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.935

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.936

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.937

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.938

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL, als op die opslagtank een ondergrondse leiding is aangesloten.

  2. Een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800, als de opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.

  3. Ondergrondse leidingen worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  4. De keuringen vinden plaats volgens de termijnen, bedoeld in tabel 4.938. Voor leidingen als bedoeld in het derde lid gelden de termijnen die van toepassing zijn op de bovengrondse opslagtank waarop deze zijn aangesloten.

Artikel 4.939

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een mobiele bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen na verplaatsing visueel gecontroleerd op:

  1. morsingen en lekkages;

  2. beschadigingen en vervormingen;

  3. functioneren van de lekdetectie, als die aanwezig is;

  4. functioneren van de anti-hevelbeveiliging, als die aanwezig is; en

  5. functioneren van de kiep-kantelvoorziening, als die aanwezig is.

Artikel 4.940

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening die zich onder het aansluitpunt van een bovengrondse opslagtank bevindt waarin gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger of oliën of vetten die geen vloeibare gevaarlijke afvalstoffen van ADR-klasse 3 zijn worden opgeslagen, geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.941

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.941a

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.941b

Tot 1 januari 2023 zijn de artikelen 4.929 en 4.938 niet van toepassing op het opslaan van vloeistoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar als bedoeld in de ADR in een opslagtank die is geïnstalleerd voor 1 januari 2008.

Artikel 4.942

Deze paragraaf is van toepassing op het in een tankcontainer of een verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, opslaan van:

  1. gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;

  2. vloeistoffen van ADR-klasse 5.1;

  3. vloeistoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III;

  4. vloeistoffen van ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen; of

  5. oliën of vetten die niet van ADR-klasse 3 zijn of pekel.

Artikel 4.943

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.942, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.944

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.942, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.945

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem voldoet een tankcontainer die als opslagtank wordt gebruikt aan hoofdstuk 6.8 van de ADR en een verpakking die als opslagtank wordt gebruikt aan hoofdstuk 6.5 van de ADR.

Artikel 4.946

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt een tankcontainer of verpakking zich boven of in een lekbak.

Artikel 4.947

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een tankcontainer of verpakking zich:

    1. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of

    2. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de tankcontainer of verpakking is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.

  2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de tankcontainer of verpakking gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.957.

Artikel 4.947a

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.947, eerste lid, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool, als in de tankcontainer of verpakking vloeistoffen worden opgeslagen van:

  1. ADR-klasse 5.1;

  2. ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III; of

  3. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen.

Artikel 4.948

  1. Met voorzieningen en maatregelen is gewaarborgd dat overvullen van een tankcontainer of verpakking niet mogelijk is.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als bij het vullen van een tankcontainer of verpakking vanuit een tankwagen gebruik wordt gemaakt van:

    1. een vulpistool met een automatisch afslagmechanisme dat ervoor zorgt dat het vullen stopt als de tankcontainer of verpakking vol is of als het vulpistool valt; of

    2. een aangekoppelde slang met een vaste aansluiting en een automatisch afslagmechanisme dat ervoor zorgt dat het vullen stopt als de tankcontainer of verpakking vol is.

  3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval ook voldaan als de tankcontainer of verpakking een overvulbeveiliging heeft die is geïnstalleerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

Artikel 4.949

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt voorkomen dat een tankcontainer of verpakking kan leegstromen bij een breuk in een leiding of het falen van de installatie.

Artikel 4.950

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een leiding die is aangesloten op een tankcontainer of verpakking vast aangelegd en zichtbaar.

Artikel 4.951

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is in een aansluiting op een tankcontainer of verpakking zo dicht mogelijk bij de wand van de tankcontainer of verpakking een afsluiter geplaatst, die zo is uitgevoerd dat duidelijk zichtbaar is of de afsluiter is geopend of gesloten.

Artikel 4.952

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.953

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.954

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.955

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een tankcontainer of verpakking en de daarop aangesloten leidingen na verplaatsing visueel gecontroleerd op:

  1. morsingen en lekkages;

  2. beschadigingen en vervormingen;

  3. functioneren van de lekdetectie, als die aanwezig is;

  4. functioneren van de anti-hevelbeveiliging, als die aanwezig is; en

  5. functioneren van de kiep-kantelvoorziening, als die aanwezig is.

Artikel 4.956

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening die zich onder het aansluitpunt van een tankcontainer of verpakking bevindt waarin gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger of oliën of vetten, die geen vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 zijn, worden opgeslagen, geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.957

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.957a

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.958

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een ondergrondse opslagtank.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger.

Artikel 4.959

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.958, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de coördinaten van het vulpunt van de ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen vanaf de wal;

    2. de coördinaten van het vulpunt van de ondergrondse opslagtank waarin organische oplosmiddelen van ADR-klasse 3 worden opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank; en

    3. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.960

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.966, eerste of tweede lid, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.961

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.962

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt van een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen vanaf de wal worden opgeslagen:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 20 m; of

    2. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, omvat.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of

    4. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 28.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Artikel 4.963

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het vulpunt van een ondergrondse opslagtank waarin organische oplosmiddelen worden opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 20 m; of

    2. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, omvat.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of

    4. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 31.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Artikel 4.964

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.962, tweede lid, of 4.963, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.965

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is overnachting door derden en recreatief verblijf niet toegestaan binnen 20 m vanaf het vulpunt van een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen vanaf de wal worden opgeslagen.

Artikel 4.966

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, voldaan aan PGS 28, als het gaat om het opslaan van vloeibare brandstoffen.

  2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, wordt voldaan aan PGS 31, als het gaat om het opslaan van andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan vloeibare brandstoffen.

Artikel 4.967

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een ondergrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

Artikel 4.968

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een ondergrondse opslagtank:

    1. dubbelwandig uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand;

    2. enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in een ondergrondse bak die:

      1. zich onder de opslagtank bevindt;

      2. een systeem voor lekdetectie heeft;

      3. vloeistofdicht is; en

      4. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of

    3. enkelwandig uitgevoerd.

  2. Een systeem voor lekdetectie:

    1. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en

    2. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.

  3. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

  4. Op een ondergrondse opslagtank van staal en op een ondergrondse leiding van staal is kathodische bescherming aangebracht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

Artikel 4.969

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt bij een ondergrondse opslagtank als bedoeld in artikel 4.968, eerste lid, onder c, ten minste een peilbuis geïnstalleerd. Per groep van drie ondergrondse opslagtanks kan ook een peilbuis worden geïnstalleerd als die opslagtanks binnen 10 m van elkaar liggen.

  2. De peilbuis wordt geïnstalleerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  3. De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:

    1. de opbouw en samenstelling van de bodem;

    2. de stand en stromingsrichting van het grondwater; en

    3. de aanwezigheid en invloed van oppervlaktewaterlichamen en grondwateronttrekkingsactiviteiten.

  4. De peilbuis is horizontaal op een afstand van minder dan 5 m gelegen van de ondergrondse opslagtank, tenzij dat niet mogelijk is. Als een peilbuis op een afstand van 5 m of meer van een ondergrondse opslagtank is geplaatst, is de horizontale afstand tussen de ondergrondse opslagtank en de peilbuis ten hoogste 8 m en heeft de vloeistof die in de opslagtank wordt opgeslagen een soortelijke massa die niet meer is dan de soortelijke massa van water.

Artikel 4.970

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een geïnstalleerde peilbuis ten minste eenmaal per jaar bemonsterd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  2. De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000. De resultaten van onderzoeken van monsters worden ten minste drie jaar bewaard.

  3. Als in de ondergrondse opslagtank vloeibare brandstoffen worden opgeslagen, worden de monsters onderzocht op aanwezigheid van:

    1. minerale oliecomponenten volgens NEN-EN-ISO 9377-2;

    2. vluchtige aromaten volgens NEN-EN-ISO 15680; en

    3. methyl-tertiair-butylether en ethyl-tertiair-butylether volgens NEN-EN-ISO 15680, als in de ondergrondse opslagtank benzine wordt opgeslagen.

  4. Als in de ondergrondse opslagtank stoffen worden opgeslagen waarvoor geen NEN, NEN-EN of ISO is vastgesteld voor het onderzoek naar de aanwezigheid van die stoffen, worden de monsters onderzocht volgens een methode die daarvoor geschikt is.

Artikel 4.971

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste een week nadat de resultaten van het onderzoek naar de aanwezigheid van methyl-tertiair-butylether en ethyl-tertiair-butylether bekend zijn geworden, geïnformeerd, als de geanalyseerde waarde hoger is dan 15 μg/l.

Artikel 4.972

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een ondergrondse opslagtank zich:

  1. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of

  2. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de opslagtank is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.

Artikel 4.972a

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.972, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 4.972b

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden de kathodische bescherming op een ondergrondse opslagtank van staal en de daarop aangesloten leidingen van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  2. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.973

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt ten minste eenmaal per jaar een stroomopdrukproef verricht als op een ondergrondse opslagtank van staal of op een ondergrondse leiding van staal geen kathodische bescherming is aangebracht.

  2. De stroomopdrukproef wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  3. De resultaten van stroomopdrukproeven worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.974

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt bij een ondergrondse opslagtank van staal waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen ten minste eenmaal per jaar een controle plaats op de aanwezigheid van water en bezinksel.

  2. De controle op de aanwezigheid van water en bezinksel vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats als:

    1. de ondergrondse opslagtank een volledige inwendige coating heeft die voldoet aan BRL-K779; en

    2. de inwendige coating is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  3. De controle wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  4. De resultaten van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.975

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt water dat tijdens de controle, bedoeld in artikel 4.974, is aangetroffen, zo spoedig mogelijk verwijderd.

  2. Van het verwijderde water worden de elektrische geleidbaarheid en de zuurgraad beoordeeld.

  3. Als bij de derde opeenvolgende meting blijkt dat de zuurgraad en de elektrische geleidbaarheid van het water niet voldoen aan paragraaf 3.4 van SIKB Protocol 6802, wordt een inwendige keuring verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als de ondergrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand.

  5. Een systeem voor lekdetectie:

    1. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en

    2. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.

Artikel 4.976

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt voor het begin van de inwendige keuring, bedoeld in artikel 4.975, derde lid, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.977

  1. Voor een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen is financiële zekerheid gesteld ter dekking van aansprakelijkheid voor schade aan de bodem als gevolg van dat opslaan.

  2. De financiële zekerheid is € 225.000,– per ondergrondse opslagtank. Bij meer dan zes ondergrondse opslagtanks, waarin stoffen als bedoeld in het eerste lid of artikel 4.1001a, eerste lid, worden opgeslagen, is de financiële zekerheid € 1.350.000,– in totaal.

  3. De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot:

    1. vier weken nadat het rapport van het bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.5, is verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2; of

    2. als de bodemkwaliteit wordt hersteld op grond van artikel 5.6: tot vier weken nadat het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, is geïnformeerd over de beëindiging van de herstelwerkzaamheden op grond van artikel 5.7.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is.

Artikel 4.978

Binnen acht weken na het begin van de activiteit worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat is voldaan aan artikel 4.977.

Artikel 4.979

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.980

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.981

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden bij het vullen van een ondergrondse opslagtank met benzine de uit die opslagtank verdreven dampen via een dampdichte leiding teruggevoerd naar het reservoir van de mobiele benzinetank die de benzine levert.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als per jaar minder dan 100 m3 benzine wordt geleverd.

  3. In dit artikel wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.

Artikel 4.982

  1. Artikel 4.962, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op opslagtanks die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

  2. De artikelen 4.962, eerste lid, aanhef en onder a, 4.963, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.964 zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een ondergrondse opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.982a

Artikel 4.968, vierde lid, is niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor 1 januari 2025.

Artikel 4.983

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan in een ondergrondse opslagtank van:

  1. gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;

  2. vloeistoffen van ADR-klasse 5.1;

  3. vloeistoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III;

  4. vloeistoffen van ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen; of

  5. oliën of vetten die niet van ADR-klasse 3 zijn of pekel.

Artikel 4.984

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.983, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.985

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.983, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.986

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een ondergrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een ondergrondse opslagtank van beton die wordt gebruikt voor het opslaan van pekel.

  3. Een ondergrondse opslagtank als bedoeld in het tweede lid is gemaakt van een betonklasse die is bestand tegen de inwerking van pekel.

Artikel 4.987

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is een ondergrondse opslagtank:

    1. dubbelwandig uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand;

    2. enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in een ondergrondse bak die:

      1. zich onder de opslagtank bevindt;

      2. een systeem voor lekdetectie heeft;

      3. vloeistofdicht is; en

      4. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of

    3. enkelwandig uitgevoerd.

  2. Een systeem voor lekdetectie:

    1. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en

    2. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.

  3. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

  4. Op een ondergrondse opslagtank van staal en op een ondergrondse leiding van staal is kathodische bescherming aangebracht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.

  5. Een ondergrondse opslagtank als bedoeld in het eerste lid, onder c, van staal voor het opslaan van diesel, gasolie of huisbrandolie is voorzien van een volledige inwendige coating die:

    1. voldoet aan BRL-K779;

    2. is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL; en

    3. na een geconstateerde beschadiging is hersteld door een onderneming als bedoeld onder b.

Artikel 4.988

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt bij een ondergrondse opslagtank als bedoeld in artikel 4.987, eerste lid, onder c, ten minste een peilbuis geïnstalleerd. Per groep van drie ondergrondse opslagtanks kan ook een peilbuis worden geïnstalleerd als die opslagtanks binnen 10 m van elkaar liggen.

  2. De peilbuis wordt geïnstalleerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  3. De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:

    1. de opbouw en samenstelling van de bodem;

    2. de stand en stromingsrichting van het grondwater; en

    3. de aanwezigheid en invloed van oppervlaktewaterlichamen en grondwateronttrekkingsactiviteiten.

  4. De peilbuis is horizontaal op een afstand van minder dan 5 m gelegen van de ondergrondse opslagtank, tenzij dat niet mogelijk is. Als een peilbuis op een afstand van 5 m of meer van een ondergrondse opslagtank is geplaatst, is de horizontale afstand tussen de ondergrondse opslagtank en de peilbuis ten hoogste 8 m en heeft de vloeistof die in de opslagtank wordt opgeslagen een soortelijke massa die niet meer is dan de soortelijke massa van water.

Artikel 4.989

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een geïnstalleerde peilbuis ten minste eenmaal per jaar bemonsterd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  2. De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000. De resultaten van onderzoeken van monsters worden ten minste drie jaar bewaard.

  3. Als in de ondergrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger of olie die geen vloeibare gevaarlijke stof van ADR-klasse 3 is wordt opgeslagen, worden de monsters onderzocht op aanwezigheid van:

    1. minerale oliecomponenten volgens NEN-EN-ISO 9377-2; en

    2. vluchtige aromaten volgens NEN-EN-ISO 15680.

  4. Als in de ondergrondse opslagtank pekel wordt opgeslagen, worden de monsters onderzocht op de aanwezigheid van chloride volgens NEN-EN-ISO 15682.

  5. Als in de ondergrondse opslagtank stoffen worden opgeslagen waarvoor geen NEN, NEN-EN of ISO is vastgesteld voor het onderzoek naar de aanwezigheid van die stoffen, worden de monsters onderzocht volgens een methode die daarvoor geschikt is.

Artikel 4.990

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een ondergrondse opslagtank zich:

    1. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of

    2. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de opslagtank is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.

  2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de ondergrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.1003.

Artikel 4.990a

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.990, eerste lid, onder a, niet aangesloten op het vuilwaterriool, als in de ondergrondse opslagtank vloeistoffen worden opgeslagen van:

  1. ADR-klasse 5.1;

  2. ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III; of

  3. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen.

Artikel 4.991

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden de kathodische bescherming op een ondergrondse opslagtank van staal en de daarop aangesloten leidingen van staal ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  2. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.992

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt ten minste eenmaal per jaar een stroomopdrukproef verricht als op een ondergrondse opslagtank van staal of op een ondergrondse leiding van staal geen kathodische bescherming is aangebracht.

  2. De stroomopdrukproef wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  3. De resultaten van stroomopdrukproeven worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.993

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt bij een ondergrondse opslagtank van staal waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen, ten minste eenmaal per jaar een controle plaats op de aanwezigheid van water en bezinksel.

  2. De controle op de aanwezigheid van water en bezinksel vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats als:

    1. de ondergrondse opslagtank een volledige inwendige coating heeft die voldoet aan BRL-K779; en

    2. de inwendige coating is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

  3. De controle wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  4. De resultaten van controles worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.994

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt water dat tijdens de controle, bedoeld in artikel 4.993, is aangetroffen, zo spoedig mogelijk verwijderd.

  2. Van het verwijderde water worden de elektrische geleidbaarheid en de zuurgraad beoordeeld.

  3. Als bij de derde opeenvolgende meting blijkt dat de zuurgraad en de elektrische geleidbaarheid van het water niet voldoen aan paragraaf 3.4 van SIKB Protocol 6802, wordt een inwendige keuring verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als de ondergrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand.

  5. Een systeem voor lekdetectie:

    1. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en

    2. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.

Artikel 4.995

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt voor het begin van de inwendige keuring, bedoeld in artikel 4.994, derde lid, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.996

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een ondergrondse opslagtank van staal waarin afgewerkte olie wordt opgeslagen, jaarlijks geleegd.

  2. Voordat een ondergrondse opslagtank waarin afgewerkte olie is opgeslagen gebruikt gaat worden voor het opslaan van een andere vloeistof, wordt een keuring verricht volgens artikel 4.997.

Artikel 4.997

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een ondergrondse opslagtank met de daarop aangesloten leidingen beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.

  2. De keuringen vinden plaats volgens de termijnen, bedoeld in tabel 4.997.

  3. Een ondergrondse opslagtank waarin afgewerkte olie wordt opgeslagen, wordt ten minste eenmaal per vijf jaar beoordeeld en goedgekeurd. De eerste keuring vindt plaats binnen vijf jaar na de installatie van de opslagtank.

    1 afhankelijk van resterende tankwanddikte bij herkeuring:

    – meer dan 4,5 mm: 10 jaar

    – 4,5 mm of minder en ten minste 3,6 mm: 8 jaar

    – minder dan 3,6 mm: afkeuring

Artikel 4.998

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een ondergrondse opslagtank van beton die wordt gebruikt voor het opslaan van pekel ten minste eenmaal per jaar leeggemaakt en aan de binnenzijde visueel gecontroleerd.

  2. Als tijdens de controle verwering of beschadiging is geconstateerd, wordt de opslagtank gerepareerd voordat die weer in gebruik wordt genomen. Van de verrichte reparatie wordt een aantekening gemaakt.

  3. Ten minste eenmaal per zes jaar worden de opslagtank en de daarop aangesloten leidingen beoordeeld en goedgekeurd door degene die de opslagtank heeft geïnstalleerd.

  4. De resultaten van controles en de aantekeningen van reparaties worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.999

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de vloeistof direct verwijderd als een ondergrondse opslagtank is afgekeurd.

  2. Een afgekeurde ondergrondse opslagtank met de daarop aangesloten leidingen wordt binnen acht weken na de afkeuring verwijderd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL-K902 of BRL-K904.

  3. Als verwijdering van de ondergrondse opslagtank door de ligging redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de opslagtank met de daarop aangesloten leidingen binnen acht weken na de afkeuring onklaar gemaakt door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL-K902 of BRL-K904.

Artikel 4.1000

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het afkeuren van een ondergrondse opslagtank.

Artikel 4.1001

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste tien dagen voor het verwijderen of het onklaar maken van een ondergrondse opslagtank daarover geïnformeerd.

  2. Ten hoogste drie maanden na het verwijderen of het onklaar maken van de ondergrondse opslagtank wordt een rapportage daarover verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.1001a

  1. Voor een ondergrondse opslagtank waarin gasolie, diesel, huisbrandolie of afgewerkte olie wordt opgeslagen is financiële zekerheid gesteld ter dekking van aansprakelijkheid voor schade aan de bodem als gevolg van dat opslaan.

  2. De financiële zekerheid is € 225.000,– per ondergrondse opslagtank. Bij meer dan zes ondergrondse opslagtanks, waarin stoffen als bedoeld in het eerste lid of artikel 4.977, eerste lid, worden opgeslagen, is de financiële zekerheid € 1.350.000,– in totaal.

  3. De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot:

    1. vier weken nadat het rapport van het bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.5, is verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2; of

    2. als de bodemkwaliteit wordt hersteld op grond van artikel 5.6: tot vier weken nadat het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, is geïnformeerd over de beëindiging van de herstelwerkzaamheden op grond van artikel 5.7.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is.

Artikel 4.1001b

Binnen acht weken na het begin van de activiteit worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat is voldaan aan artikel 4.1001a.

Artikel 4.1002

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening die zich bevindt onder het aansluitpunt van een ondergrondse opslagtank waarin gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, of oliën of vetten die geen vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 zijn worden opgeslagen, geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1003

Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

  1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

  2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.1003a

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.1003b

Artikel 4.987, vierde en vijfde lid, is niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor 1 januari 2025.

Artikel 4.1003c

Artikel 4.997, tweede lid, is tot en met 31 december 2027 niet van toepassing op de termijnen, bedoeld in tabel 4.997, van 10 en 8 jaar, als het gaat om een ondergrondse opslagtank die:

  1. voor 1 januari 2025 is geïnstalleerd of gekeurd; en

  2. waarvan de termijn voor de volgende keuring, die voor 1 januari 2025 van toepassing was op die opslagtank, nog niet is verstreken.

Artikel 4.1004

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, met uitzondering van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2.

Artikel 4.1005

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de coördinaten van de opslagplaatsen, bedoeld in artikel 4.1008, eerste en tweede lid;

    2. de hoeveelheid stoffen die per ADR-klasse ten hoogste wordt opgeslagen per opslagplaats;

    3. de hoeveelheid stoffen van verpakkingsgroep I die ten hoogste wordt opgeslagen per opslagplaats;

    4. de hoeveelheid stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, die ten hoogste wordt opgeslagen per opslagplaats; en

    5. als stoffen van ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3 worden opgeslagen: een aanduiding of deze brandbaar zijn.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1006

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.1012, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.1007

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.1008

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de opslagplaats waar meer dan 2.500 kg gevaarlijke stoffen in verpakking, met uitzondering van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2 in gasflessen, wordt opgeslagen:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 20 m; of

    2. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, omvat.

  2. De afstand vanaf de opslagplaats in de buitenlucht waar meer dan 1.000 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen wordt opgeslagen:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, is ten minste 15 m; of

    2. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, is ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, omvat.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of

    4. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden vastgelegd in PGS 15.

  4. Het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid.

Artikel 4.1009

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.1008, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.1010

Artikel 4.1008, eerste lid, is alleen van toepassing als in de opslagplaats gevaarlijke stoffen worden opgeslagen:

  1. van ADR-klasse 3; of

  2. van ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3 die brandbaar zijn.

Artikel 4.1011

  1. De afstand, bedoeld in artikel 4.1008, eerste lid, onder a, is 8 m als de gevaarlijke stoffen in verpakking zijn opgeslagen in een brandcompartiment of als tussen de opslagplaats en de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11, wordt verricht, een brandwerende voorziening aanwezig is.

  2. De afstand, bedoeld in artikel 4.1008, tweede lid, onder a, is 7,5 m als tussen de opslagplaats en de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11, wordt verricht, een brandwerende voorziening aanwezig is.

  3. De brandwerende voorziening is ten minste 2 m hoog, strekt zich aan weerszijden van de opslagplaats ten minste 2 m uit en heeft een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.

Artikel 4.1012

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, voldaan aan PGS 15.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van:

    1. alcoholhoudende dranken in consumentenverpakkingen;

    2. minder dan 400 kg in totaal van gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

    3. gasflessen met blusgassen voor direct gebruik;

    4. gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger; en

    5. viskeuze vloeistoffen die volgens paragraaf 2.2.3.1.5.1 van de ADR niet zijn onderworpen aan de voorschriften van de ADR.

Artikel 4.1013

  1. Artikel 4.1012, eerste lid, is niet van toepassing op een ruimte voor verkoop aan particulieren:

    1. als het gaat om het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9, zonder bijkomend gevaar als bedoeld in de ADR, of producten voor persoonlijke verzorging; of

    2. als niet meer wordt opgeslagen dan de hoeveelheden, bedoeld in tabel 4.1013, met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid.

  2. Als boven de ruimte voor verkoop aan particulieren:

    1. geen woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie ligt, gelden de hoeveelheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, per brandcompartiment;

    2. een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie ligt die een functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, gelden de hoeveelheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, per brandcompartiment; en

    3. een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie ligt die geen functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, en de ruimte een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag heeft van minder dan 60 minuten, worden alleen gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 opgeslagen als die zich bevinden in individuele consumentenverpakkingen met een inhoud van ten hoogste 5 l.

  3. Als ten hoogste 5 l gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 per stelling die niet breder is dan 1,35 m, niet in of boven een opvangbak wordt opgeslagen, gelden de hoeveelheden in tabel 4.1013, rij II, als of die in of boven een opvangbak zijn geplaatst.

  4. Een opvangbak waarin of waarboven gevaarlijke stoffen in verpakking worden opgeslagen, is onbrandbaar en productbestendig en kan ten minste 100% van de daarin of daarboven opgeslagen stoffen opvangen.

Artikel 4.1014

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden vloeibare gevaarlijke stoffen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening opgeslagen. Opslag boven een lekbak is ook toegestaan.

  2. Boven een elementenbodemvoorziening kunnen worden opgeslagen:

    1. vloeibare gevaarlijke stoffen in een gesloten verpakking die voldoet aan de ADR; en

    2. vaste gevaarlijke stoffen in verpakking.

Artikel 4.1014a

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.1014, eerste lid, niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 4.1014b

De artikelen 4.1008, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a, en 4.1009 zijn niet van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.1015

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2 in verpakking.

Artikel 4.1016

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1015, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat het type organische peroxiden en de hoeveelheid die ten hoogste per type wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1017

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.1019, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.1018

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1015, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.1019

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1015, voldaan aan PGS 8.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op stoffen die worden opgeslagen in verpakking als gelimiteerde hoeveelheden als bedoeld in de ADR in een opslagplaats die voldoet aan PGS 15.

Artikel 4.1020

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden vloeibare gevaarlijke stoffen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening opgeslagen. Opslag boven een lekbak is ook toegestaan.

  2. Boven een elementenbodemvoorziening kunnen worden opgeslagen:

    1. vloeibare gevaarlijke stoffen in een gesloten verpakking die voldoet aan de ADR; en

    2. vaste gevaarlijke stoffen in verpakking.

Artikel 4.1020a

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is de vloeistofdichte bodemvoorziening, bedoeld in artikel 4.1020, eerste lid, niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 4.1021

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen.

Artikel 4.1022

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1021, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de hoeveelheid minerale anorganische meststoffen die per meststoffengroep als bedoeld in PGS 7 ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1023

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.1024, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.1024

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1021, voldaan aan PGS 7.

Artikel 4.1025

Deze paragraaf is van toepassing op het vullen van gasflessen met propaan of butaan.

Artikel 4.1026

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1025, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de hoeveelheid gassen die ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1027

  1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.1028, eerste lid, is:

    1. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    2. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en

    2. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Artikel 4.1028

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1025, voldaan aan PGS 16.

  2. Bij het vullen van gasflessen is ten hoogste 300 liter gassen in gasflessen aanwezig.

Artikel 4.1029

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

Artikel 4.1030

  1. Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 4.1029 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de coördinaten van de ruimte, bedoeld in artikel 4.1031, tweede lid, of de bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1031

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden in een politiebureau:

    1. ten hoogste 25 kg inbeslaggenomen vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen, waarbij voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR; en

    2. het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zo verpakt en opgeslagen dat die op grond van bijlage A bij de ADR alleen kunnen worden aangemerkt als ADR-klasse 1.4G of 1.4S.

  2. De afstand vanaf het midden van de deuropening van de ruimte waar het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in een politiebureau worden opgeslagen tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, is ten minste 8 m.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.

  4. Artikel 5.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.1032

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt verpakt vuurwerk van categorie F1 en verpakt vuurwerk van categorie F2 dat is aangewezen op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, bij het opslaan anders dan door particulieren, zo verpakt dat het op grond van bijlage A bij de ADR, alleen kan worden aangemerkt als ADR-klasse 1.4G of 1.4S.

Artikel 4.1033

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden in een theater of op een andere locatie waarop een concert of voorstelling wordt gegeven, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen in een brandveiligheidsopslagkast die voldoet aan PGS 32.

  2. Er wordt ten hoogste 25 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen.

  3. Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 4.1034

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden, behalve tijdens intern transport, vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen in een bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, tenzij artikel 4.1031 of 4.1033 van toepassing is.

  2. Voor de toezichthouders zijn de volgende gegevens onverwijld toegankelijk:

    1. de ADR-klasse van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;

    2. de opgeslagen hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen;

    3. gegevens over de gevoeligheid van het vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor blusmiddelen; en

    4. gegevens over de plaatsen waar vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn opgeslagen.

  3. Stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1 die behoren tot verschillende compatibiliteitsgroepen, zoals aangegeven in de ADR met de letters A tot en met J, K tot en met N of S, zijn in verschillende brandcompartimenten opgeslagen, tenzij die stoffen en voorwerpen gezamenlijk kunnen worden opgeslagen zonder dat:

    1. de kans op een ongewilde ontsteking wordt verhoogd; en

    2. de ernst van de gevolgen bij een ongewilde ontsteking wordt vergroot.

  4. In een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 is alleen vuurwerk aanwezig dat behoort tot dezelfde compatibiliteitsgroep.

  5. Het vierde lid is niet van toepassing op de kortstondige gelijktijdige aanwezigheid van bij elkaar horende componenten tijdens het uitpakken, uit elkaar nemen, in elkaar zetten en inpakken van vuurwerk.

Artikel 4.1035

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn op een locatie voor het opslaan van ten hoogste 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

    1. ten hoogste twee bewaarplaatsen en twee bufferbewaarplaatsen voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig; en

    2. in een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ten hoogste 2.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig.

  2. Op een locatie voor het opslaan van meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

    1. is in een bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ten hoogste 50.000 kg aan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in verpakking aanwezig;

    2. zijn ten hoogste twee bufferbewaarplaatsen voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; en

    3. is in een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ten hoogste 5.000 kg aan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig.

  3. Op een locatie voor het opslaan van vuurwerk van categorie F4 is ten hoogste 6.000 kg NEM aanwezig.

  4. Voor het bepalen van het gewicht van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in:

    1. een bufferbewaarplaats als bedoeld in het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR; en

    2. een bewaarplaats als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

  5. Op een locatie als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt alleen vuurwerk opgeslagen dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 4.1036

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

    1. gelegen op een afstand van ten minste 8 m tot een ruimte waar gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, aanwezig zijn of kunnen zijn;

    2. een brandcompartiment met wanden en een afdekking die geen openingen of ramen bevatten, met uitzondering van de ventilatieopeningen en toegangsdeur; en

    3. gemaakt van metselwerk, beton of cellenbeton, waarbij doorvoeringen van leidingen en ventilatieopeningen een brandwerendheid hebben van ten minste 60 minuten of, als het gaat om een muur of vloer tussen bewaarplaatsen of bufferbewaarplaatsen, van ten minste 120 minuten.

  2. Een bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

    1. heeft geen verwarmingstoestel dat voor de warmteoverdracht andere middelen gebruikt dan water;

    2. heeft geen verwarmingstoestellen, apparatuur of installaties die een oppervlaktetemperatuur kunnen hebben van meer dan 100 °C;

    3. heeft geen gasleiding of brandstofleiding;

    4. voldoet aan de in NEN-EN-IEC 60079-10-2 gestelde eisen voor zone 22, als het gaat om een bewaarplaats;

    5. voldoet aan de in NEN-EN-IEC 60079-10-2 gestelde eisen voor zone 21, als het gaat om een bufferbewaarplaats; en

    6. heeft een toegangsdeur die:

      1. naar buiten draait en zelfsluitend en onbelemmerd bereikbaar is;

      2. zo is gemaakt dat een doelmatige drukontlasting niet wordt belemmerd;

      3. zich niet bevindt in een vluchtroute als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, in of nabij een koker voor een personenlift of in een ruimte voor verkoop aan particulieren;

      4. is gesloten, met uitzondering van de momenten dat vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in of uit de bewaarplaats of bufferbewaarplaats worden gebracht;

      5. niet bereikbaar is voor onbevoegden; en

      6. een oppervlakte heeft van minder dan het aantal vierkante meters, bedoeld in tabel 4.1036a.

  3. De scheidingsconstructie tussen de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de ruimte voor verkoop aan particulieren heeft een brandwerendheid van ten minste 30 minuten en bevat naast de toegangsdeur geen openingen of ramen die kunnen worden opengezet.

  4. Als vanuit de deuropening van een bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik de toegangsdeur van een andere bewaarplaats of van een ruimte voor verkoop aan particulieren visueel kan worden waargenomen, is de deuropening van die bewaarplaats gelegen op meer dan de in tabel 4.1036a bedoelde afstanden van de deuropening van die andere bewaarplaats en van die ruimte voor verkoop aan particulieren. Voor het bepalen van de toegestane hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in tabel 4.1036a, wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

  5. Als vanuit de deuropening van een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik de toegangsdeur van een andere bufferbewaarplaats, van een bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of van een ruimte voor verkoop aan particulieren visueel kan worden waargenomen, is de deuropening van die bufferbewaarplaats gelegen op een afstand groter dan de afstanden, bedoeld in tabel 4.1036b, van de deuropening van die andere bufferbewaarplaats, van die bewaarplaats en van die ruimte voor verkoop aan particulieren. Voor het bepalen van de toegestane hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in tabel 4.1036b, wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 4.1037

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn tussen de deuropening van de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de toegangsdeur, bedoeld in artikel 4.1036, vierde of vijfde lid, bouwkundige voorzieningen aangebracht om brandoverslag te voorkomen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de toegangsdeur visueel kan worden waargenomen en als aan de afstanden, bedoeld in de tabellen 4.1036a en 4.1036b, wordt voldaan.

  3. De bouwkundige voorzieningen zijn gemaakt van metselwerk, beton of cellenbeton en hebben een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.

  4. Als de toegangsdeuren van bewaarplaatsen of bufferbewaarplaatsen voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of ruimten voor verkoop aan particulieren naast elkaar zijn gelegen, worden die toegangsdeuren van elkaar gescheiden door een bouwkundige constructie die ten minste 300 mm uitsteekt.

Artikel 4.1038

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid hebben een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4:

    1. geen vloeren en wanden met scheuren of kieren;

    2. wanden die glad zijn afgewerkt zonder horizontale lijsten of randen en vloeren die zijn afgewerkt met een deklaag die weinig aan slijtage onderhevig is;

    3. bij de ingang een aardingsmogelijkheid;

    4. een beveiliging tegen blikseminslag met een bliksemafleidingsinstallatie volgens NEN-EN-IEC 62305, delen 1 tot en met 4, die eenmaal per jaar wordt gecontroleerd;

    5. een leiding voor het aarden van werktuigen, die is verbonden aan een aardelektrode volgens NEN-EN-IEC 62305, delen 1 tot en met 4, die niet wordt toegepast voor de bliksemafleidingsinstallatie;

    6. op de gevel een stralingsbelasting als gevolg van een brand buiten de bewaarplaats of bufferbewaarplaats van ten hoogste 15 kW/m2; en

    7. een vonkvrije vloer met een weerstand van ten hoogste 10.000.000 Ohm als het gaat om een bewaarplaats en 1.000.000 Ohm als het gaat om een bufferbewaarplaats.

  2. De weerstand van een vloer wordt ten minste eenmaal per zes maanden gemeten door een onafhankelijke deskundige.

  3. Een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats als bedoeld in het eerste lid:

    1. hebben ventilatieopeningen die zijn afgeschermd met vlamkerende roosters;

    2. hebben ventilatieopeningen waarvan de totale oppervlakte niet minder is dan 0,5% van de vloeroppervlakte;

    3. hebben ventilatie-installaties en afzuiginstallaties:

      1. waarin geen stoffen kunnen ophopen met gevaar voor brand of explosie;

      2. waarvan de weerstand, gemeten tussen elk deel van die installaties en de aardleiding, niet meer is dan 1 Ohm; en

      3. die eenmaal per jaar worden gecontroleerd door een onafhankelijke deskundige;

    4. hebben een elektrische installatie:

      1. met een permanent karakter en vaste leidingen die buiten handbereik zijn geplaatst en tegen stoten zijn beschermd;

      2. waarvan een bovengrondse leiding ligt op een afstand van ten minste 15 m;

      3. met schakelinrichtingen, verdeelinrichtingen en contactdozen die zich buiten de bewaarplaats en bufferbewaarplaats bevinden op een schakelbord met een hoofdschakelaar waarmee de gehele installatie kan worden uitgeschakeld; en

      4. die is verdeeld in groepen die kunnen worden ingeschakeld en uitgeschakeld met behulp van groepschakelaars op het schakelbord; en

    5. hebben een centrale verwarming die gebruik maakt van water onder lage druk en een warmtebron die is gelegen op ten minste 15 m van de bewaarplaats of bufferbewaarplaats, of een elektrische verwarming met afgesloten radiatoren die een oppervlaktetemperatuur hebben van ten hoogste 100 °C.

Artikel 4.1039

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden in een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4:

    1. alleen elektrische ontstekingsmiddelen opgeslagen die zijn verpakt in een omhulsel waardoor elektromagnetische straling niet tot de inhoud kan doordringen, tenzij de ruimte afdoende is beschermd tegen elektromagnetische straling;

    2. elektrische ontstekingsmiddelen kortgesloten en verpakt in metaal en niet blootgesteld aan hogere elektrische veldsterkten of aan grotere vermogensdichtheden dan die waarin zij zijn beproefd;

    3. werktafels gebruikt met een geaarde dekplaat van geleidend vonkvrij materiaal;

    4. werktuigen die tijdens het gebruik statische elektriciteit kunnen opwekken, geaard, waarbij de weerstand tussen elk deel en de aardleiding niet meer is dan 1 Ohm;

    5. werktuigen gebruikt die, waar nodig, afschermplaten of kappen hebben, waarvan de plaatdikte is afgestemd op de mogelijk optredende hittewerking, drukwerking of scherfwerking; en

    6. automatische werktuigen voor het bewerken van gevulde pyrotechnische artikelen gebruikt met een schakelaar die het werktuig stopt als die wordt losgelaten.

  2. Werktuigen worden voor elke bewerking en ten minste eenmaal per maand gecontroleerd.

  3. Wanneer aan een werktuig een gebrek is geconstateerd of wordt vermoed, wordt dit onmiddellijk verwijderd of voor gebruik geblokkeerd.

  4. Een werktuig wordt gerepareerd in een ruimte waarin zich geen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden en wordt voor reparatie schoongemaakt.

  5. Een ruimte wordt ontruimd als binnen 15 m daarvan werkzaamheden worden verricht waarbij open vuur wordt gebruikt of vonkvorming kan optreden. Die afstand is 25 m als bij de werkzaamheden een explosief gasmengsel kan ontstaan.

Artikel 4.1040

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden op een locatie voor het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk van categorie F4:

    1. binnen 15 m van een bewaarplaats geen verbrandingsmotoren gebruikt;

    2. transportmiddelen gebruikt met rubberbanden, die worden aangedreven door handkracht of elektriciteit en die periodiek worden gecontroleerd op gebreken; en

    3. rolbanen, hijsapparatuur en transportkettingen gebruikt die:

      1. zijn geaard;

      2. een schakelaar hebben om de werking te stoppen;

      3. middelen hebben om te voorkomen dat er vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik af vallen; en

      4. regelmatig worden gecontroleerd op gebreken.

  2. Mechanische transportmiddelen hebben:

    1. gegevens over het gewicht van het transportmiddel, het vermogen dat ten hoogste kan worden geladen, het vermogen dat ten hoogste kan worden geheven, de snelheid die ten hoogste kan worden gereden, de kleinste draaicirkel, de vrije hefhoogte, de telescoop-hefhoogte, de voorwaartse en achterwaartse helling van de vork en het bedieningsvoorschrift, die voor de bestuurder vanaf de zitplaats zichtbaar zijn; en

    2. een draagbaar blustoestel, met een inhoud van ten minste 6 kg ABC-bluspoeder, dat onmiddellijk bereikbaar is voor de bestuurder.

  3. Mechanische transportmiddelen die in een bufferbewaarplaats worden gebruikt, hebben:

    1. een hoofdschakelaar met een afneembare bedieningssleutel die alleen kan worden uitgenomen als die hoofdschakelaar op uit staat;

    2. bekabeling die is beschermd tegen beschadiging en waarbij voor alle doorvoeringen en invoeringen wartels zijn gebruikt;

    3. lampen die met een metalen rooster zijn beschermd tegen mechanische beschadigingen;

    4. hoofdschakelaars, contactsloten, bedieningsschakelaars en smeltveiligheden, die verhoogd zijn beveiligd en drukvast zijn uitgevoerd;

    5. smeltveiligheden in een aparte kast waarvan de patronen alleen in spanningsloze toestand kunnen worden vervangen;

    6. stofdichte motoren die tegen overbelasting zijn beveiligd en een drukvast huis of omhulsel hebben en worden geventileerd door kokers met een labyrinth-afdichting;

    7. een voorziening voor het afvoeren van statische elektriciteit zonder vonkvorming;

    8. aandrijving met elektriciteit, verkregen uit accumulatoren; en

    9. batterijen die in een stevige, drukvaste, gesloten maar niet luchtdichte kast zijn opgesteld op een plaats met een zeer kleine kans op een mechanische beschadiging, waarbij de deksel van de kast die is gevuld met kooldioxide of samengeperste lucht aan de kant van de aansluitklemmen bestaat uit een niet-geleidend materiaal.

Artikel 4.1041

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid liggen een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op de begane grond.

  2. De locatie waarop de activiteit, bedoeld in artikel 4.1029, wordt verricht, heeft brandslanghaspels, waarbij de gecorrigeerde loopafstand, bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, tussen een brandslanghaspel en elk punt op de vloer van de locatie niet groter is dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m.

  3. Een brandslanghaspel heeft een lengte van ten hoogste 30 m, een statische druk van ten minste 100 kPa en een capaciteit van ten minste 1,3 m3/u, bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels die zijn aangesloten op dezelfde voorziening voor leidingwater.

  4. Een brandslanghaspel is voor onmiddellijk gebruik beschikbaar, kan onbelemmerd worden bereikt en wordt ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd door een ter zake deskundige.

  5. In een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4:

    1. is een draagbaar blustoestel met een inhoud van ten minste 12 kg ABC-bluspoeder aanwezig;

    2. bevat het ABC-bluspoeder ten minste 40% ammoniumfosfaat; en

    3. is de loopafstand, bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, vanaf elk punt in de ruimte tot een blustoestel ten hoogste 20 m.

Artikel 4.1042

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand die in voorwaartse richting wordt gemeten als aangegeven in figuur 4.1042, vanaf het midden van de deuropening van een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk op een locatie voor het opslaan van ten hoogste 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 8 m; of

    2. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1029, omvat.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.

  4. Het eerste en tweede lid zijn, buiten het vrijwaringsgebied dat wordt begrensd door de afstand, bedoeld in het eerste lid, en de breedte van de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk en dat is aangegeven in figuur 4.1042, niet van toepassing als een scheidingsconstructie die voldoet aan artikel 4.1044 aanwezig is tussen de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk en:

    1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; of

    2. beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

  5. Artikel 5.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.

Artikel 4.1043

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.1042, tweede lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.1044

De scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 4.1042, vierde lid:

  1. heeft een brandwerendheid van ten minste 60 minuten;

  2. heeft geen opening, raam of deur; en

  3. is gemaakt van metselwerk, beton of cellenbeton.

Artikel 4.1045

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden in een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik geen andere goederen opgeslagen en worden daarin geen werkzaamheden verricht die niet rechtstreeks samenhangen met het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

  2. Het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn:

    1. met inbegrip van het verpakkingsmateriaal opgeslagen op een afstand van ten minste 30 cm van apparatuur, installaties en leidingen die warmte kunnen ontwikkelen;

    2. onbelemmerd bereikbaar, waarbij er in de ruimte een gangpad van ten minste 75 cm breed is;

    3. zo gestapeld dat het verpakkingsmateriaal zijn functie en beschermende werking behoudt; en

    4. opgeslagen volgens het uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties, bedoeld in artikel 4.1047, derde lid, onder a.

  3. Boven een bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden zich geen beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen. Dit geldt niet als op de locatie ten hoogste 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 en geen pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden opgeslagen.

  4. Vuurwerk wordt niet gelost op een moment dat binnen een afstand van 25 m een opslagtank wordt gevuld met vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 of brandbare gassen.

  5. Rondom een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 is op een afstand van ten minste 15 m een deugdelijke afrastering van metaalvlechtwerk met een hoogte van ten minste 2 m aanwezig. Binnen die afstand ligt geen transformatorgebouw of schakelgebouw. De toegang in de afrastering is afgesloten en wordt alleen geopend voor werkzaamheden of controles in de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4. Tussen die bewaarplaats en bufferbewaarplaats en de afrastering bevindt zich geen brandbaar materiaal.

Artikel 4.1046

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is in een ruimte voor verkoop aan particulieren alleen vuurwerk aanwezig dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

  2. Tijdens de openingstijden is in een ruimte voor verkoop aan particulieren ten hoogste 500 kg vuurwerk aanwezig. Het vuurwerk is niet bereikbaar voor particulieren. Buiten de openingstijden is in een ruimte voor verkoop aan particulieren geen vuurwerk aanwezig, met uitzondering van ten hoogste 200 kg vuurwerk van categorie F1 of fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit.

  3. In een brandcompartiment is ten hoogste een ruimte aanwezig voor verkoop aan particulieren.

  4. Een ruimte voor verkoop aan particulieren:

    1. bevat geen licht ontvlambare stoffen, zeer licht ontvlambare stoffen of drukhouders, met uitzondering van brandblusmiddelen; en

    2. ligt op een afstand van meer dan 5 m tot licht ontvlambare stoffen of zeer licht ontvlambare stoffen en drukhouders, met uitzondering van brandblusmiddelen.

  5. Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 4.1047

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid hebben een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en een ruimte voor verkoop aan particulieren een automatische sprinklerinstallatie. In de directe nabijheid van die plaatsen en ruimten is een brandmeldinstallatie aanwezig.

  2. Een automatische sprinklerinstallatie in een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 heeft een automatische doormelding naar de centrale meldkamer van de brandweer.

  3. Een automatische sprinklerinstallatie en een brandmeldinstallatie:

    1. zijn ontworpen, aangelegd, opgeleverd en onderhouden volgens een uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties, waarin alle bouwkundige, organisatorische en installatietechnische eisen voor de met sprinklers te beveiligen ruimten en locaties worden beschreven, dat voldoet aan Memorandum 60 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en dat is beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A voor CCV-inspectieschema Uitgangspuntendocument Brandbeveiliging Vuurwerk van dat centrum; en

    2. wordt door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A voor CCV-inspectieschema Brandbeveiliging Vuurwerk van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid eenmaal per jaar beoordeeld op functioneren en onderhoud volgens het goedgekeurde uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties.

  4. Het uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties en de rapporten met bevindingen van de beoordelingen zijn op de locatie voor het opslaan van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig.

  5. Eenmaal per vijf jaar wordt het uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties door een inspectie-instantie als bedoeld in het derde lid, onder a, beoordeeld op de gebruikte uitgangspunten en normen in relatie tot de beste beschikbare technieken en wijzigingen in de activiteiten.

Artikel 4.1047a

De artikelen 4.1042, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.1043 zijn niet van toepassing op het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.1048

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 4.1049

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1048, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de coördinaten van het brandcompartiment voor het opslaan van zwart kruit of rookzwak kruit en de opslagplaats voor het opslaan van meer dan 10.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens; en

    2. het type ontplofbare stoffen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1050

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden zwart kruit en rookzwak kruit in een brandcompartiment opgeslagen in een vak waarvan de wanden bestaan uit ten minste 105 mm dik metselwerk en de horizontale verdeling uit ten minste 70 mm dik beton.

  2. In een vak als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste 250 g zwart kruit of 1 kg rookzwak kruit opgeslagen.

  3. Tussen de voorzijde van een vak als bedoeld in het eerste lid en de voorzijde van daarin opgeslagen zwart kruit of rookzwak kruit is ten minste 10 cm vrije ruimte en aan de voorzijde van een vak is ten minste 1 m vrije ruimte.

  4. De toegang tot een brandcompartiment bestaat uit een zelfsluitende en naar buiten draaiende deur die als drukontlasting kan dienen en die een brandwerendheid heeft van ten minste 60 minuten.

  5. Noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4 worden opgeslagen in een brandcompartiment of in een kast met een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.

Artikel 4.1051

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf het brandcompartiment voor het opslaan van zwart kruit of rookzwak kruit:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 8 m; of

    2. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1048, omvat.

  2. De afstand vanaf de opslagplaats voor het opslaan van meer dan 10.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens:

    1. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, is ten minste 8 m, tenzij de munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens in een brandcompartiment zijn opgeslagen; of

    2. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, is ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1048, omvat.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.

  4. Het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.

  5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid.

Artikel 4.1052

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.1051, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.1052a

De artikelen 4.1051, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a, en 4.1052 zijn niet van toepassing op het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.1053

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

  1. goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S5 in bijlage IV;

  2. goederen, ingedeeld als lekkende goederen in bijlage IVA, deel A;

  3. goederen, ingedeeld als uitlogende goederen in bijlage IVA, deel B; of

  4. goederen, ingedeeld als vermestende goederen in bijlage IVA, deel C.

Artikel 4.1054

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1053, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1055

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1053, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, tenzij het gaat om het opslaan van goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel C; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.1056

Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt het water dat eerder met de opgeslagen goederen in contact is geweest, gebruikt voor het bevochtigen van opgeslagen stuifgevoelige goederen.

Artikel 4.1057

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.1058

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van lekkende, uitlogende of vermestende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel A, B of C, geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1059

  1. Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1059, gemeten in een steekmonster.

  2. Als uit de goederen, bedoeld in artikel 4.1058, alleen olie kan lekken, kan, in afwijking van het eerste lid, het afvalwater afkomstig van die opslag voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    1. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of

    2. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Artikel 4.1060

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.1061

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    2. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    3. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en

    4. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993.

Artikel 4.1062

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.1063

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen worden lekkende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel A, boven een vloeistofdichte bodemvoorziening opgeslagen. Opslag boven een lekbak is ook toegestaan.

  2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1059.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen of gedemonteerde onderdelen daarvan, bedoeld in artikel 4.576.

  5. Dit artikel is ook niet van toepassing op het opslaan van oliën, vetten of pekel in verpakking.

Artikel 4.1063a

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen worden oliën, vloeibare vetten of pekel in verpakking opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening en een lekbak.

  2. Boven een elementenbodemvoorziening kunnen worden opgeslagen:

    1. oliën, vloeibare vetten of pekel in een gesloten verpakking; en

    2. smeervetten.

Artikel 4.1064

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen worden uitlogende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel B, opgeslagen boven een:

    1. vloeistofdichte bodemvoorziening; of

    2. aaneengesloten bodemvoorziening die tegen inregenen is beschermd.

  2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1059.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen of gedemonteerde onderdelen daarvan, bedoeld in artikel 4.576.

Artikel 4.1064a

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen worden vermestende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel C, opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1065

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht worden goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, opgeslagen en gemengd in een gesloten ruimte.

Artikel 4.1066

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de lucht vindt geen overslag plaats van:

  1. goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 en S2, bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s;

  2. goederen, ingedeeld in de stuifklasse S3, bij een windsnelheid van meer dan 14 m/s; en

  3. goederen, ingedeeld in de stuifklassen S4 en S5, bij een windsnelheid van meer dan 20 m/s.

Artikel 4.1067

  1. Voor de emissie in de lucht bij het opslaan en mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, in een gesloten ruimte is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Voor de emissie in de lucht bij pneumatisch transport uit een container, bulktransportwagen of ander transportmiddel van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 en S2, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de emissie de ondergrens van 100 kg/jaar niet overschrijdt.

Artikel 4.1068

  1. Aan artikel 4.1067, eerste lid, wordt bij het opslaan en het mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, in ieder geval voldaan als:

    1. de ruimte op onderdruk wordt gehouden; en

    2. de lucht door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.

  2. Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het vullen van een opslagruimte met goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 en S2, in ieder geval voldaan als:

    1. het overstortpunt wordt afgezogen; en

    2. de afgezogen lucht door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.

  3. Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij continu mechanisch transport in ieder geval voldaan als goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, worden getransporteerd:

    1. in een gesloten systeem, waarbij de inlaatzijde en afwerpzijde:

      1. windreductieschermen of sproeiers hebben; of

      2. continu worden afgezogen en het afgezogen stof wordt teruggevoerd in de productstroom; of

    2. in een open systeem met bevochtiging of afscherming tegen windinvloeden van de inlaatzijde en afwerpzijde.

Artikel 4.1069

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies worden bij het laden en lossen de volgende maatregelen getroffen:

  1. laden en lossen met storttrechters: de trechters hebben afzuiging;

  2. laden en lossen met grijpers: de bovenkant van de grijpers is afgesloten;

  3. laden en lossen van lichters: de stortkoker van de lichterbelader reikt tot:

    1. op de bodem van het ruim; of

    2. op het materiaal dat al is gestort; en

  4. laden en lossen met pneumatische elevatoren:

    1. de weegbunkers en overstortpunten zijn gesloten uitgevoerd;

    2. het neergeslagen stof in de overstortpunten wordt regelmatig verwijderd; of

    3. de stortschoen heeft afzuiging.

Artikel 4.1070

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 4.1071

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als bij het opslaan en mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1068 en 4.1069, worden getroffen.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als bij pneumatisch transport van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1068 en 4.1069, worden getroffen.

Artikel 4.1072

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1070 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1073

Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij het opslaan en mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

Artikel 4.1073a

  1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden goederen die afvalstoffen zijn niet langer dan drie jaar opgeslagen.

  2. In afwijking van het eerste lid worden vermestende goederen en de volgende afvalstoffen niet langer dan een jaar opgeslagen:

    1. CC-hout: hout behandeld met middelen die koper en chroom bevatten;

    2. CCA-hout: hout behandeld met middelen die koper, chroom en arseen bevatten;

    3. vliegas van verbranding van afvalstoffen in een roosteroven of wervelbedoven; en

    4. filterkoek van ontgiften, neutraliseren en ontwateren.

Artikel 4.1074

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een benzineterminal met een benzineopslagtank of een benzineoverslaginstallatie.

  2. In deze paragraaf wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.

Artikel 4.1075

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1074, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1076

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1074, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.1077

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van artikel 4.1082.

Artikel 4.1078

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp worden de buitenwand en het uitwendige dak van een bovengrondse benzineopslagtank geschilderd in een kleur waarvan de totale stralingshittereflectie ten minste 70% is.

  2. Er wordt geschilderd bij de periodieke onderhoudsbeurt van de bovengrondse benzineopslagtank.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als een benzineopslagtank is verbonden met een benzinedampterugwinningseenheid die voldoet aan de eisen voor een benzineoverslaginstallatie.

Artikel 4.1079

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp heeft een benzineopslagtank met een uitwendig drijvend dak een primaire afdichting die de ringvormige ruimte tussen de wand van de benzineopslagtank en de buitenste rand van het drijvende dak afdicht.

  2. Boven de primaire afsluiting is een secundaire afdichting.

  3. Door de primaire en secundaire afdichtingen wordt in vergelijking met een soortgelijke benzineopslagtank met vast dak zonder dampbeheersingsvoorzieningen ten minste 95% van de damp vastgehouden.

Artikel 4.1080

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht met benzinedamp is een benzineopslagtank die onderdeel is van een benzineterminal:

    1. een benzineopslagtank met een vast dak die volgens de eisen aan een benzineoverslaginstallatie met de benzinedampterugwinningseenheid is verbonden; of

    2. een benzineopslagtank met een uitwendig of inwendig drijvend dak die een primaire en secundaire afdichting als bedoeld in artikel 4.1079 heeft.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als voorlopige dampopslag als bedoeld in artikel 4.1081, vierde lid, is toegestaan op een benzineopslagtank met een vast dak van benzineterminals.

Artikel 4.1081

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden bij een benzineoverslaginstallatie tijdens het vullen van een mobiele benzinetank, met uitzondering van het vullen van een tankwagen langs de bovenzijde, verplaatsingsdampen via een dampdichte leiding teruggevoerd naar een benzinedampterugwinningseenheid.

  2. Als dampterugwinning onveilig of technisch niet mogelijk is door de hoeveelheden retourdamp, kan een benzinedampterugwinningseenheid worden vervangen door een dampverbrandingseenheid.

  3. Als een mobiele benzinetank langs de bovenzijde wordt gevuld, wordt het uiteinde van de vularm onderin de mobiele benzinetank gehouden.

  4. Als op een benzineterminal het benzinedebiet minder is dan 25.000 ton/jaar, kan directe dampterugwinning op de benzineterminal worden vervangen door voorlopige dampopslag in een benzineopslagtank met een vast dak op een benzineterminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere benzineterminal, daaronder niet begrepen de overbrenging van damp van de ene naar de andere benzineopslagtank op een benzineterminal.

  5. Het benzinedebiet is de grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine, gemeten in de drie voorafgaande jaren, die van een benzineopslagtank van een benzineterminal is overgeslagen in een mobiele benzinetank.

Artikel 4.1082

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is bij een benzineoverslaginstallatie de gemiddelde concentratie dampen in de afvoer van een benzinedampterugwinningseenheid of een dampverbrandingseenheid, gecorrigeerd voor de verdunning tijdens de behandeling, lager dan 0,15 g/Nm3 voor een uur.

Artikel 4.1083

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de concentratie dampen, bedoeld in artikel 4.1082, wordt verhoogd, bevat een concentratie die lager is dan 35 g/Nm3.

Artikel 4.1084

De nauwkeurigheid van de meting bij de benzineoverslaginstallatie is ten minste 95% van de gemeten waarde.

Artikel 4.1085

  1. Concentratiedampen bij een benzineoverslaginstallatie worden ten minste zeven uur achtereenvolgens met normaal debiet gemeten.

  2. Er wordt continu of periodiek gemeten.

  3. Een periodieke meting wordt ten minste vier keer per uur verricht.

Artikel 4.1086

Het totaal aan meetfouten als gevolg van de gebruikte apparatuur, het kalibratiegas en het toegepaste procedé bij een benzineoverslaginstallatie is niet meer dan 10% van de gemeten waarde.

Artikel 4.1087

De apparatuur die wordt gebruikt bij het meten bij een benzineoverslaginstallatie kan concentraties meten die lager zijn dan 3 g/Nm3.

Artikel 4.1088

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden aansluitingen en leidingen van een benzineoverslaginstallatie regelmatig op lekken gecontroleerd.

  2. Als er een damplek is, worden geen tankwagens gevuld.

  3. Er is op het benzinelaadportaal een mechanisme aanwezig dat het vullen onderbreekt, als er een damplek is.

Artikel 4.1089

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is het normale laaddebiet van benzine per vularm op een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie niet meer dan 2.500 l/m.

Artikel 4.1090

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht geeft het dampopvangsysteem van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie, met inbegrip van de benzinedampterugwinningseenheid, een tegendruk van ten hoogste 55 millibar aan de voertuigzijde van de dampopvangadapter bij piekbelasting van een benzineterminal.

Artikel 4.1091

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een tankwagen bij een benzineoverslaginstallatie alleen langs de onderzijde worden gevuld als het vultoelatingssignaal is gegeven door de gecombineerde aardings- en overloopbedieningseenheid.

  2. Als een tankwagen langs de onderzijde wordt gevuld, is de dampopvangslang met de tankwagen verbonden en stroomt de verplaatste damp vrij van de tankwagen naar de dampopvangvoorziening van de benzineterminal.

  3. Bij overloop of onderbreking van de aarding van een tankwagen sluit de bedieningseenheid van het benzinelaadportaal de vulcontroleklep aan het benzinelaadportaal.

Artikel 4.1092

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden bij een benzineoverslaginstallatie dampen die worden opgeslagen in een benzineopslagtank met vast dak voor voorlopige dampopslag via een dampdichte leiding teruggevoerd naar de mobiele benzinetank van waaruit de benzine wordt geleverd.

Artikel 4.1093

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft een benzineterminal met een benzineoverslaginstallatie voor het vullen van tankwagens ten minste een benzinelaadportaal.

Artikel 4.1094

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft de vularm van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie een vrouwelijke vloeistofaansluiting die kan worden gekoppeld aan een mannelijke API 1004-adapter van 101,6 mm op de tankwagen, volgens API 1004.

  2. De dampopvangslang van het benzinelaadportaal heeft een vrouwelijke nok-groef-dampopvangaansluiting die kan worden gekoppeld aan een mannelijke nok-groef-adapter van 101,6 mm op de tankwagen, volgens API 1004.

Artikel 4.1095

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht heeft een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie een overloopdetectiebedieningseenheid.

  2. Als een benzinelaadportaal wordt verbonden met een tankwagen, geeft de overloopdetectiebedieningseenheid een faalveilig vultoelatingssignaal wanneer de compartimentsoverloopsensoren geen hoog peil signaleren.

Artikel 4.1096

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is de bedieningseenheid van het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie via een kabel waaraan een contrasteker is bevestigd, verbonden met de steker op de tankwagen via een standaard 10-pens elektrische contactdoos.

  2. De bedieningseenheid van een vulportaal is geschikt voor tweedraads thermistorsensoren, tweedraads optische sensoren, vijfdraads optische sensoren of gelijkwaardige sensoren op een tankwagen.

Artikel 4.1097

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht is het benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie via de gemeenschappelijke retourdraad van de overloopsensoren verbonden met een tankwagen.

  2. De retourdraad is via het chassis van een tankwagen verbonden met pen 10 van de steker.

  3. Pen 10 van de contrasteker is verbonden met de omsluiting van de bedieningseenheid.

  4. De omsluiting is verbonden met de aarding van het benzinelaadportaal.

Artikel 4.1098

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt bij het ontwerp van de vloeistoflaadvoorzieningen en dampopvangvoorzieningen aan een benzinelaadportaal bij een benzineoverslaginstallatie uitgegaan van een verbindingssysteem dat voldoet aan de volgende eisen:

  1. de hoogte van de hartlijn van de vloeistofadapters is tussen 0,7 en 1 m;

  2. als de vloeistofadapters ongeladen zijn, is de hartlijn niet meer dan 1,4 m;

  3. als de vloeistofadapters geladen zijn, is de hartlijn ten minste 0,5 m;

  4. de horizontale afstand tussen de vloeistofadapters is ten minste 0,25 m;

  5. de vloeistofadapters bevinden zich op een lengte van niet meer dan 2,5 m;

  6. de dampopvangadapter bevindt zich bij voorkeur rechts van de vloeistofadapters op een hoogte van:

    1. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of

    2. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is;

  7. de aarding of overloopdetectie bevindt zich rechts van de vloeistofopvangadapters en dampopvangadapters op:

    1. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of

    2. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is; en

  8. het systeem bevindt zich in zijn geheel aan een zijde van de tankwagen.

Artikel 4.1099

Deze paragraaf is van toepassing op het tegelijkertijd voor minder dan 24 uur opstellen van niet meer dan drie voertuigen, opleggers of aanhangers die zijn geladen met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c.

Artikel 4.1100

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1099, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de coördinaten van de opstelplaats van de voertuigen, opleggers of aanhangers.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1101

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is de afstand vanaf de opstelplaats van voertuigen, opleggers of aanhangers tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers voor het verrichten van formaliteiten, laden of lossen.

  3. De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:

    1. niet mogelijk is door:

      1. de geringe omvang van de locatie;

      2. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of

      3. andere fysieke belemmeringen;

    2. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of

    3. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.

  4. Het derde lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:

    1. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of

    2. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.1102

Ten minste vier weken voordat de afstand, bedoeld in artikel 4.1101, derde lid, gaat gelden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.1103

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voertuig, oplegger of aanhanger niet geladen met gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 1 of ADR-klasse 6.2, verpakkingsgroep I, met uitzondering van de classificatiecodes I3 en I4.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers voor het verrichten van formaliteiten, laden of lossen.

Artikel 4.1103a

De artikelen 4.1101, eerste lid, en 4.1102 zijn niet van toepassing op het tegelijkertijd voor minder dan 24 uur opstellen van niet meer dan drie voertuigen, opleggers of aanhangers die zijn geladen met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 4.1104

Deze paragraaf is van toepassing op het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen.

Artikel 4.1105

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1104, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1106

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam met stoffen bij het laden en lossen van een vaartuig of drijvend werktuig wordt de afstand tot de wal of tot een ander vaartuig of drijvend werktuig zo klein mogelijk gehouden of overbrugd door een ponton of een morsklep.

  2. Goederen waaruit stoffen kunnen lekken, worden opgesteld boven een lekbak.

Artikel 4.1107

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan van goederen op een vaartuig of drijvend werktuig worden goederen waaruit:

  1. stoffen kunnen lekken of uitlogen, benedendeks opgeslagen; en

  2. stoffen kunnen lekken, opgesteld boven een lekbak.

Artikel 4.1108

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

Artikel 4.1109

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1108, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de coördinaten van de buisleiding.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.1110

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is voor de buisleiding preventiebeleid opgesteld dat invulling geeft aan artikel 2.11, tweede lid, onder e, en dat evenredig is aan de gevaren van ongewone voorvallen.

  2. Het preventiebeleid bevat de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van degene die de activiteit verricht.

  3. Bij een wijziging die voor de risico's van een ongewoon voorval aanzienlijke gevolgen kan hebben, wordt het beleid herzien.

  4. Het beleid wordt ook herzien bij een verandering in het veiligheidsinzicht of een verandering van de beste beschikbare technieken voor het aanleggen, beheren en onderhouden van buisleidingen.

Artikel 4.1111

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt het preventiebeleid, bedoeld in artikel 4.1110, eerste lid, uitgevoerd met passende middelen en een veiligheidsbeheerssysteem dat een beschrijving bevat van:

    1. de buisleiding en de buisleidingcomponenten, de kwalitatieve beoordeling daarvan en de wijze waarop degene die de activiteit verricht de wijzigingen bijhoudt;

    2. de criteria, normen, richtlijnen en overige relevante documenten en de veiligheidsindicatoren en milieu-indicatoren die worden toegepast;

    3. de risico-inventarisatie en risico-evaluatie voor elke fase van de buisleiding en de risico's voor de omgeving;

    4. de technische en organisatorische maatregelen die verband houden met de geïnventariseerde risico’s voor de omgeving;

    5. de taken en bevoegdheden van het personeel voor de veiligheid van mens en milieu;

    6. de organisatie, het toezicht, de procedures en middelen ter uitvoering van het beleid bij normaal bedrijf, onderhoud en bij verhoogde risico's;

    7. de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de onderlinge beïnvloeding tussen de buisleiding en andere ondergrondse infrastructuur, hoe hierover wordt gecommuniceerd en welke activiteiten daaruit voortvloeien;

    8. het identificeren van aannemelijke ongewone voorvallen en het opstellen, organiseren en beoefenen van noodplannen;

    9. de wijze waarop afwijkingen en veranderingen in technische, procedurele en organisatorische aspecten worden geconstateerd, beoordeeld, verbeterd en in de bedrijfsvoering worden verwerkt;

    10. het meten en evalueren van de prestaties voor de veiligheid van mens en milieu en de wijze waarop de prestaties worden geanalyseerd, bewaakt en bijgehouden;

    11. de wijze waarop aantekeningen worden gemaakt van de getroffen maatregelen, controles en onderzoeken, de resultaten daarvan en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van het beleid; en

    12. de tekeningen of beschrijvingen waaruit de registratiegegevens van de buisleidingen blijken.

  2. De aantekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder k, worden ten minste vijf jaar bewaard.

  3. Bij een wijziging die voor de risico's van een ongewoon voorval aanzienlijke gevolgen kan hebben, wordt het veiligheidsbeheerssysteem herzien.

  4. Het veiligheidsbeheerssysteem wordt ook herzien bij een verandering in het veiligheidsinzicht of een verandering van de beste beschikbare technieken voor het aanleggen, beheren en onderhouden van buisleidingen.

Artikel 4.1112

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is het plaatsgebonden risico van een buisleiding voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing binnen drie jaar nadat een kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw of kwetsbare locatie in gebruik is genomen.

  3. Op het berekenen van het plaatsgebonden risico zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.1113

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is het plaatsgebonden risico van het aanleggen of vervangen van een buisleiding op een afstand van 5 m gemeten vanuit het hart van de buisleiding ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar. De afstand is 4 m voor een buisleiding voor aardgas, met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de overschrijding wordt veroorzaakt door een risicoverhogend bouwwerk dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt toegelaten in de directe omgeving van een buisleiding.

  3. Op het berekenen van het plaatsgebonden risico zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.1114

Een buisleiding wordt niet geëxploiteerd als niet wordt voldaan aan artikel 4.1110, 4.1111, 4.1112 of 4.1113.

Artikel 4.1115

  1. Op basis van actuele en authentieke gegevens zijn de resultaten van de berekeningen voorhanden van:

    1. de afstand vanaf de buisleiding tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en

    2. de afstand voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  2. De volgende gegevens zijn voorhanden:

    1. de uitwendige of inwendige diameter van de buisleiding in millimeters, als door de buisleiding zuurstof of stikstof wordt vervoerd;

    2. de gevaarlijke stof die maatgevend is voor de risico’s voor de omgeving;

    3. de maximale werkdruk in kilopascal;

    4. de wanddikte van de buisleiding in millimeters;

    5. de ligging van de bovenkant van de buisleiding ten opzichte van het maaiveld in centimeters; en

    6. de materiaalsoort van de buisleiding.

  3. Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.1116

Deze paragraaf is van toepassing op:

  1. het aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk; en

  2. het stimuleren van een voorkomen via een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk.

Artikel 4.1117

  1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 4.1116 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    1. het verplaatsbaar mijnbouwwerk waarmee de activiteit wordt verricht;

    2. de geplande begindatum en einddatum van de werkzaamheden;

    3. de locatie van elk boorgat, bestaande uit:

      1. de aanduiding of het is gelegen in een deel van een oppervlaktewaterlichaam dat is ingedeeld als provinciaal gebied; en

      2. de coördinaten voor boorgaten aan de zeezijde en aan de landzijde van het provinciaal ingedeeld gebied; en

    4. het aantal transportbewegingen in de perioden van 7.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 23.00 uur en van 23.00 tot 7.00 uur.

  2. Als op een afstand van ten hoogste 300 m van het hart van de boorinstallatie een geluidgevoelig gebouw ligt, worden ten minste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de resultaten van een akoestisch onderzoek verstrekt, waarmee met geluidmetingen of geluidberekeningen is aangetoond dat aan de geluidniveaus uit tabel 4.1121a of bij maatwerkvoorschrift vastgestelde geluidniveaus kan worden voldaan en waarbij is aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de geldende geluidniveaus worden overschreden.

  3. Op het meten en berekenen van de geluidniveaus zijn de bij de ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

  4. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.1118

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 4.1119

  1. Het is verboden gecontroleerd af te fakkelen of af te blazen zonder dit ten minste 48 uur voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat informatie over het verwachte tijdstip van het begin van het affakkelen of afblazen en de verwachte duur ervan.

Artikel 4.1120

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.1116 op land wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.1121

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem tot aan de formatie waarin zich delfstoffen bevinden met koolwaterstoffen of hulpstoffen, zijn het boorgat en de boortorenfundatie die op land worden gebruikt vloeistofdicht.

  2. Andere onderdelen van een verplaatsbaar mijnbouwwerk die op land worden gebruikt bevinden zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1121a

  1. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid en het maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door het verplaatsbare mijnbouwwerk, zijn niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 4.1121a.

  2. Het maximale geluidniveau LAmax is niet van toepassing op het laden en lossen, transportbewegingen, pipehandling en het verbranden van gas of aardgas in de openlucht.

  3. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, worden verricht tussen 07:00 en 19:00 uur, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.

  4. De waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen gelden niet als:

    1. het geluidgevoelige gebouw nog niet aanwezig is;

    2. de eigenaar van het geluidgevoelige gebouw weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid door het verplaatsbare mijnbouwwerk in geluidgevoelige ruimten binnen het gebouw; of

    3. het geluidgevoelige gebouw geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  5. Op het meten en berekenen van de geluidniveaus zijn de bij de ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.1121b

Als binnen 300 m vanaf het hart van het verplaatsbare mijnbouwwerk een geluidgevoelig gebouw ligt, wordt het geluid continu gemonitord en geregistreerd. De monitoring gebeurt zodanig dat een indicatie wordt verkregen van het geluid op de gevel van het meest met geluid belaste geluidgevoelige gebouw.

Artikel 4.1122

Met het oog op het voorkomen van emissies van koolwaterstoffen in de lucht wordt een mijnbouwfakkel gebruikt met een rendement van ten minste 99%.

Artikel 4.1123

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt:

    1. afvalwater afkomstig van een verplaatsbaar mijnbouwwerk op land niet geloosd; en

    2. afstromend hemelwater afkomstig van een vloeistofdichte bodemvoorziening of een aaneengesloten bodemvoorziening op land geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afstromend hemelwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1124

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt afstromend hemelwater dat wordt geloosd in het vuilwaterriool voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2.

Artikel 4.1125

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 4.1126

Met het oog op het voorkomen van geurhinder op land worden:

  1. stoffen die buiten het terrein geurhinder veroorzaken niet gebruikt; en

  2. als dat redelijkerwijs mogelijk is, flensverbindingen in leidingen waardoor gassen of vloeistoffen die geurhinder kunnen veroorzaken worden getransporteerd niet gebruikt.

Artikel 4.1126a

De waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in tabel 4.1121a, gelden niet als het geluidgevoelige gebouw geheel of gedeeltelijk ligt op een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat voor dat terrein een van de volgende besluiten in werking is getreden:

  1. bij omgevingsplan geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld op grond van artikel 2.11a van de wet;

  2. bij besluit geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld op grond van artikel 2.12a, eerste lid, van de wet; of

  3. bij omgevingsplan is bepaald dat een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt verricht.

Artikel 4.1127

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater met een warmtevracht van 50 MW of minder.

Artikel 4.1128

  1. Het is verboden het afvalwater, bedoeld in artikel 4.1127, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als een koelwatercirculatiesysteem met een waterverbruik van meer dan 25.000 m3/jaar of een koelwaterdoorstroomsysteem wordt gebruikt.

  2. Een melding bevat:

    1. de locaties van de lozingspunten; en

    2. voor het lozen van koelwater afkomstig van een koelwatercirculatiesysteem waaraan chloorbleekloog is toegevoegd:

      1. de resultaten van een immissietoets van het chloorbleekloog, uitgevoerd volgens het Handboek Immissietoets; en

      2. het maximale lozingsdebiet; of

    3. voor het lozen van koelwater afkomstig van een koelwaterdoorstroomsysteem: de maximale warmtevracht van het koelwater.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1129

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen koelwater afkomstig van een koelwatercirculatiesysteem met een waterverbruik van meer dan 25.000 m3/jaar of van een koelwaterdoorstroomsysteem geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  2. Het te lozen koelwater afkomstig van een koelwatercirculatiesysteem met een waterverbruik van minder dan 25.000 m3/jaar wordt geloosd in een vuilwaterriool.

  3. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen koelwater, bedoeld in het eerste lid, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route, of wordt het te lozen koelwater, bedoeld in het tweede lid, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1130

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het gebruik van koelwaterdoorstroomsysteem alleen chloorbleekloog aan het koelwater toegevoegd.

  2. Voor het koelwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam is de emissiegrenswaarde voor chloor:

    1. als een automatisch doseersysteem aanwezig is dat niet meer dan 20% van de tijd chloorbleekloog doseert, 0,5 mg/l vrij beschikbaar chloor, gemeten in een steekmonster; of

    2. in andere gevallen, 0,2 mg/l vrij beschikbaar chloor, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.1131

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam, wordt bij het gebruik van een koelwatercirculatiesysteem alleen chloorbleekloog aan het koelwater, bedoeld in artikel 4.1129, eerste lid, toegevoegd.

  2. Voor dat koelwater is de emissiegrenswaarde voor chloor:

    1. bij een periodieke dosering van chloorbleekloog, een half uur na dosering, 2 mg/l vrij beschikbaar chloor en twee uur na sondering 0,5 mg/l vrij beschikbaar chloor, gemeten in een steekmonster; of

    2. bij een continue dosering van chloorbleekloog, 0,5 mg/l vrij beschikbaar chloor, gemeten in een steekmonster.

Artikel 4.1132

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Op het bepalen van de temperatuur van het water is NEN 6414 van toepassing.

  4. Op het analyseren van een monster is voor vrij beschikbaar chloor NEN-EN-ISO 7393-1, NEN-EN-ISO 7393-2 of NEN-EN-ISO 7393-3 van toepassing.

Artikel 4.1133

De warmtevracht van koelwater wordt berekend als het product van:

  1. het lozingsdebiet van koelwater in kubieke meters per seconde;

  2. het verschil tussen de temperatuur van het koelwater dat geloosd gaat worden en de temperatuur van het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd in °C; en

  3. de warmtecapaciteit van koelwater.

Artikel 4.1134

Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:

  1. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

  2. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

  3. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

Artikel 4.1135

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem.

Artikel 4.1136

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1135, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. De melding bevat:

    1. een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de bodemlussen en het middelpunt;

    2. de einddiepte van de bodemlussen onder het maaiveld in meters;

    3. de lengte van de bodemlussen in meters; en

    4. de coördinaten van de bodemlussen en het middelpunt van het bodemenergiesysteem.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.1137

  1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1135, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

    1. de verwachte datum van het begin van:

      1. het boren;

      2. het aanleggen van het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem; en

      3. het aanleggen van het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem;

    2. de naam en het adres van degene die:

      1. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;

      2. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;

      3. de boringen verricht;

      4. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt; en

      5. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt;

    3. de soort circulatievloeistof die in het bodemenergiesysteem wordt toegepast;

    4. gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    5. een verklaring van degene die het bodemenergiesysteem ontwerpt of aanlegt over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; en

    6. informatie over het bodemzijdig vermogen van het bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem volgens het ontwerp zal voorzien.

  2. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.1138

  1. Van de volgende gegevens wordt een registratie bijgehouden:

    1. de hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum waarop het gesloten bodemenergiesysteem in gebruik werd genomen aan de bodem zijn toegevoegd;

    2. het jaarlijks energierendement; en

    3. de gemiddelde temperatuur per maand van de circulatievloeistof in de leiding waarin de circulatievloeistof wordt teruggeleid naar de bodem.

  2. Dit artikel is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat alleen wordt gebruikt voor een afzonderlijke woning.

Artikel 4.1138a

Voor een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer worden de gegevens, bedoeld in artikel 4.1138, eerste lid, jaarlijks voor 1 april verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.1139

Met het oog op het doelmatig functioneren van bodemenergiesystemen wordt negatieve interferentie voorkomen tussen het gesloten bodemenergiesysteem dat wordt aangelegd en de bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 4.1140

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen spoelwater afkomstig van het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem geloosd in een vuilwaterriool of op of in de bodem.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool, op of in de bodem of via die andere route.

Artikel 4.1141

De temperatuur van de circulatievloeistof in de leiding waarin de circulatievloeistof wordt teruggeleid naar de bodem, is ten minste –3 °C en ten hoogste 30 °C.

Artikel 4.1142

Een gesloten bodemenergiesysteem wordt ontworpen, aangelegd, onderhouden, gerepareerd en buiten gebruik gesteld door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor:

  1. BRL SIKB 11000, voor het ondergrondse deel van het systeem;

  2. BRL KvINL 6000-21/00, voor het bovengrondse deel van het systeem; en

  3. BRL SIKB 2100, voor mechanisch boren.

Artikel 4.1143

  1. Met het oog op het doelmatig gebruik van bodemenergie is het gesloten bodemenergiesysteem zo geïnstalleerd dat het is afgestemd op de aard en de omvang van de behoefte aan warmte of koude waarin het systeem voorziet.

  2. Een gesloten bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik kan worden behaald.

  3. In elke periode van vijf jaar vanaf de dag waarop het gesloten bodemenergiesysteem in gebruik is genomen, is er een moment waarop de totale hoeveelheid warmte in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd niet groter is dan de totale hoeveelheid koude in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat alleen wordt gebruikt ten behoeve van een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.1144

Het energierendement, uitgedrukt als SPF, wordt berekend volgens de formule:

Bijlage 260582

waarbij wordt verstaan onder:

Qw: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het gesloten bodemenergiesysteem wordt geleverd;

Qk: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd;

E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt;

G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt.

Artikel 4.1145

De hoeveelheden warmte en koude die aan de bodem worden toegevoegd, worden gemeten met momentane metingen met een meetonnauwkeurigheid van ten hoogste 5% die ten minste eenmaal per vijftien minuten worden verricht.

Artikel 4.1146

Ten minste vier weken voor het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1135, worden de volgende gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

  1. gegevens over de manier waarop het gesloten bodemenergiesysteem buiten gebruik wordt gesteld; en

  2. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten.

Artikel 4.1147

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging en vermenging van grondwater uit verschillende watervoerende lagen wordt zo spoedig mogelijk na het beëindigen van het gebruik van het besloten bodemenergiesysteem:

    1. de circulatievloeistof uit de buizen verwijderd; en

    2. het systeem zo opgevuld dat de waterscheidende lagen in stand blijven.

  2. Het ondergrondse deel van het systeem wordt niet verwijderd voor zover het dieper dan 10 m onder het maaiveld ligt.

Artikel 4.1147a

De artikelen 4.1136 tot en met 4.1145 zijn niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat is aangelegd voor 1 juli 2013.

Artikel 4.1148

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem.

Artikel 4.1149

Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1148, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als de activiteit niet meer als vergunningplichtig is aangewezen in de omgevingsverordening, bedoeld in artikel 2.16.

Artikel 4.1150

Van de volgende gegevens wordt een registratie bijgehouden:

  1. de hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum waarop het open bodemenergiesysteem in gebruik is genomen aan de bodem zijn toegevoegd;

  2. het jaarlijks energierendement; en

  3. de gemiddelde temperatuur per maand van het grondwater dat door het systeem in de bodem wordt teruggeleid.

Artikel 4.1150a

Jaarlijks voor 1 april worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1150, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.1151

Met het oog op het doelmatig functioneren van bodemenergiesystemen wordt negatieve interferentie voorkomen tussen het open bodemenergiesysteem dat wordt aangelegd en de bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 4.1152

De temperatuur van het grondwater dat door een open bodemenergiesysteem in de bodem wordt teruggeleid is ten hoogste 25 °C.

Artikel 4.1153

Een open bodemenergiesysteem wordt ontworpen, aangelegd, onderhouden, gerepareerd en buiten gebruik gesteld door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor:

  1. BRL SIKB 11000, voor het ondergrondse deel van het systeem;

  2. BRL KvINL 6000-21/00, voor het bovengrondse deel van het systeem; en

  3. BRL SIKB 2100, voor mechanisch boren.

Artikel 4.1154

  1. Met het oog op het doelmatig gebruik van bodemenergie is het open bodemenergiesysteem zo geïnstalleerd dat het is afgestemd op de aard en de omvang van de behoefte aan warmte of koude waarin het systeem voorziet.

  2. Een open bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik kan worden behaald.

  3. In elke periode van vijf jaar vanaf de dag waarop het systeem in gebruik is genomen, is er een moment waarop de totale hoeveelheid warmte in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd niet groter is dan de totale hoeveelheid koude in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd.

Artikel 4.1155

Het energierendement, uitgedrukt als SPF, wordt berekend volgens de formule:

Bijlage 260583

waarbij wordt verstaan onder:

Qw: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het open bodemenergiesysteem wordt geleverd;

Qk: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd;

E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt;

G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt.

Artikel 4.1156

De hoeveelheden warmte en koude die aan de bodem worden toegevoegd, worden gemeten met momentane metingen met een meetonnauwkeurigheid van ten hoogste 5%, die ten minste eenmaal per vijftien minuten worden verricht.

Artikel 4.1157

  1. Met het oog op het voorkomen van vermenging van grondwater uit verschillende watervoerende lagen, wordt zo spoedig mogelijk na het beëindigen van het gebruik van een open bodemenergiesysteem, het systeem zo opgevuld dat de waterscheidende lagen in stand blijven.

  2. Het ondergrondse deel van het systeem wordt niet verwijderd voor zover het dieper dan 10 m onder het maaiveld ligt.

Artikel 4.1157a

De artikelen 4.1149 tot en met 4.1156 zijn niet van toepassing op een open bodemenergiesysteem waarvoor een vergunning is verleend en waarbij de aanvraag van die vergunning is gedaan voor 1 juli 2013.

Artikel 4.1158

Deze paragraaf is van toepassing op het houden van militaire oefeningen door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 4.1159

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1158, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een aanduiding van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht;

    2. de naam van de beheerder van het terrein; en

    3. als de activiteit wordt verricht op een terrein zonder militair object: de standaard oefenkaart van het terrein.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1159a

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1158, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.1160

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt geen oefenmunitie die projectielen veroorzaakt, gebruikt met een maximale dracht van meer dan 180 m, gebaseerd op de combinatie van wapen en munitie.

  2. Oefenmunitie die projectielen veroorzaakt wordt niet gebruikt als derden zonder beschermingsmiddelen binnen een cirkel met een straal van 180 m aanwezig zijn, gemeten vanuit iedere individuele schutter die deelneemt aan de oefening.

Artikel 4.1161

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt oefenmunitie die geen projectielen veroorzaakt niet gebruikt binnen een afstand van 100 m ten opzichte van personen die niet aan de oefening deelnemen.

Artikel 4.1162

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden explosieve ladingen niet ontstoken als:

  1. personen die niet aan de oefening deelnemen zich binnen een straal van 180 m bevinden; of

  2. de hoeveelheid springstof meer is dan 50 g NEM.

Artikel 4.1163

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden gevaarlijke stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.3 en 1.4 opgeslagen volgens de voorschriften 18301 tot en met 18308 van MP-40-21, en wordt een onveilige zone van 25 m aangehouden.

  2. Op militaire objecten zonder permanente voorzieningen voor de opslag van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 1.3 wordt niet meer dan 50 kg NEM van deze gevaarlijke stoffen of voorwerpen opgeslagen.

Artikel 4.1164

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam vindt het tanken van voertuigen, vaartuigen of werktuigen met vloeibare brandstoffen buiten een vloeistofdichte bodemvoorziening plaats boven een lekbak.

  2. Als een lekbak technisch niet mogelijk is, worden absorptiemiddelen gebruikt.

  3. Het vulpistool van een mobiele installatie voor het tanken wordt tijdens het tanken niet vastgezet.

Artikel 4.1165

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam vindt het onderhouden of repareren van onderdelen van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, die olie of koelvloeistof bevatten, buiten een daarvoor ingerichte voorziening plaats boven een lekbak.

  2. Als een lekbak technisch niet mogelijk is, worden absorptiemiddelen gebruikt.

Artikel 4.1166

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem op een militair object of terrein zonder permanente bodembeschermende voorzieningen voor het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, in verpakking of gevaarlijke afvalstoffen in verpakking worden:

  1. hoeveelheden van meer dan 50 l vloeibare gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verpakking opgeslagen boven een opvangsysteem dat ten minste de hoeveelheid van de grootste verpakking vermeerderd met 10% van de overige opgeslagen hoeveelheid kan bevatten; en

  2. hoeveelheden van minder dan 50 l vloeibare gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verpakking opgeslagen op een absorptiedoek, tenzij de vloeibare gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen zijn verpakt in dubbelwandige verpakkingen.

Artikel 4.1167

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden in een mobiel brandstofdepot, dat voor meer dan zeven dagen wordt opgesteld, de brandstofcontainers, tankwagens, pompen en leidingen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening geplaatst.

  2. In een mobiel brandstofdepot dat voor minder dan zeven dagen wordt opgesteld, worden de brandstofcontainers, tankwagens, pompen en leidingen boven een aaneengesloten bodemvoorziening geplaatst.

  3. Bij het gebruik van brandstofzakken in een mobiel brandstofdepot worden deze geplaatst in een omwalling met een folie dat voldoende sterk en voor brandstof ondoorlaatbaar is en worden de pompen en leidingen boven een lekbak geplaatst.

  4. Met brandstof verontreinigd hemelwater uit de bodembeschermende voorzieningen wordt niet geloosd.

Artikel 4.1168

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden gemotoriseerde voertuigen niet gewassen buiten een daarvoor ingerichte voorziening.

Artikel 4.1169

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater en het voorkomen van verontreiniging van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam wordt proceswater van een mobiele drinkwaterinstallatie geloosd in een vuilwaterriool.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 4.1170

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1 door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 4.1171

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1170, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een aanduiding van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht; en

    2. het type ontplofbare stoffen of voorwerpen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1172

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is bij het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kg NEM van ADR-klasse 1.3:

  1. het gebied met externe veiligheidsrisico’s vanwege die activiteit niet groter dan het gebied met externe veiligheidsrisico’s dat volgt uit de munitie-QRA;

  2. de hoeveelheid ontplofbare stoffen per voorziening niet meer dan de hoeveelheid die is gebruikt in de munitie-QRA;

  3. de bouwkundige staat van de voorziening waarin ontplofbare stoffen worden opgeslagen of bewerkt ten minste gelijk aan de staat waarvan is uitgegaan in de munitie-QRA;

  4. op elk moment duidelijk welke hoeveelheid NEM per ADR-klasse is toegestaan in de voorziening;

  5. bij het gezamenlijk opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.1, 1.2 of 1.3, de totale hoeveelheid opgeslagen NEM niet meer dan de toegestane hoeveelheid voor de ADR-klasse met de meest dominante effecten, vastgesteld in de munitie-QRA; en

  6. bij het gezamenlijk opslaan van ontplofbare stoffen van de ADR-klassen 1.2 en 1.3, de totale hoeveelheid opgeslagen NEM niet meer dan de toegestane hoeveelheid NEM voor ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.1, als de gezamenlijke opslag van ontplofbare stoffen van de ADR-klassen 1.2 en 1.3 kan reageren als die van ADR-klasse 1.1.

Artikel 4.1173

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid voldoet het:

  1. opslaan van ontplofbare stoffen of voorwerpen aan de voorschriften 4101, 6101, 6103, 6105, eerste zin, 6107, 6151, eerste en tweede lid, 6152, eerste tot en met derde lid, 6153, 6158 tot en met 6161, 6301, 6302 en 6911 van MP-40-21;

  2. voorhanden hebben van ontplofbare stoffen of voorwerpen op een opstelplaats aan de voorschriften 16103 tot en met 16107 van MP-40-21;

  3. onderhoud aan of modificatie van ontplofbare stoffen of voorwerpen aan de voorschriften 4101, 6101, 6103, 6105, eerste zin, 6107, 6151, derde lid, 6152, eerste tot en met derde lid, 6153, 6158 tot en met 6161, 6301, 6302 en 12102 van MP-40-21; en

  4. incidenteel onderhoud aan of modificatie van ontplofbare stoffen of voorwerpen aan de voorschriften 13403 en 13405 van MP-40-21.

Artikel 4.1174

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid:

  1. voldoet het opslaan van stoffen van ADR-klasse 1.3, in een hoeveelheid van ten hoogste 50 kg NEM, en stoffen van ADR-klasse 1.4, 1.5 of 1.6, aan de voorschriften 9201 tot en met 9208 en 11301 tot en met 11303 van MP-40-21;

  2. worden vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, in een hoeveelheid van ten hoogste 25 kg, opgeslagen in een brandveiligheidsopslagkast die voldoet aan PGS 32; en

  3. worden noodsignalen van ADR-klasse 1.3, in een hoeveelheid van ten hoogste 50 kg, opgeslagen in een brandcompartiment of in een brandveiligheidsopslagkast die voldoet aan PGS 32.

Artikel 4.1175

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een militaire schietbaan.

Artikel 4.1176

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1175, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een aanduiding van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht; en

    2. informatie over de fysieke begrenzing van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht en een aanduiding van het type schietbaan.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1176a

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1175, wordt voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.1177

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid voldoet een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking aan de voorschriften 2.6.1.20, 2.6.1.30, 2.6.3.10, 2.6.3.20, 2.6.4.10 en 2.6.4.30 van MP40-30.

Artikel 4.1178

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid voldoet een schietbaan die ligt in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde aan de paragrafen 2.1.1 tot en met 2.1.5, 2.2.1 tot en met 2.2.5, 2.3.1 tot en met 2.3.5, 2.4.1 tot en met 2.4.4 en 2.5.1 tot en met 2.5.3 van MP40-30.

  2. Als het gebied waarin munitie afkomstig uit vuurwapens of wapenplatforms kan neerkomen tijdens het schieten buiten de afgebakende omgrenzing van het militaire object ligt, wordt tijdens het schieten:

    1. dat gebied voldoende afgeschermd met waarschuwingsmiddelen;

    2. dat gebied voortdurend in de gaten gehouden met een radar en door waarnemers; en

    3. het schieten ten minste eenmaal per uur bekend gemaakt op het marifoonnieuws.

  3. Voorafgaand aan het schieten in het gebied, bedoeld in het tweede lid, worden de mogelijke gebruikers van dat gebied tijdig gewaarschuwd.

  4. Het schieten in het gebied, bedoeld in het tweede lid, wordt onverwijld stilgelegd als personen binnen dat gebied dreigen te komen.

Artikel 4.1179

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid voldoet een baan voor het werpen met handgranaten aan de paragrafen 3.1.1 tot en met 3.1.5 en aan de voorschriften 3.1.6.100 en 3.1.7.20 van MP40-30.

Artikel 4.1180

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met kogelresten, kruit en patroonhulzen wordt op een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking de bodem of vloer tussen de standplaats van de schutter en de kogelvanger uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften 2.6.2.20 en 2.6.2.40 van MP40-30.

  2. Een kogelvanger is opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1181

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem met kogelresten is op een schietbaan die ligt in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde, de kogelvanger opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening, tenzij de kogelvanger een overkapping tegen inregenen heeft.

Artikel 4.1182

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van meststoffen.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    1. het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib, bedoeld in paragraaf 4.117;

    2. het vernietigen van de zode van gras, bedoeld in paragraaf 4.118; en

    3. het op of in de bodem brengen in een tuin bij een particulier huishouden of een volkstuin van alleen:

      1. meststoffen anders dan dierlijke meststoffen; en

      2. dierlijke meststoffen anders dan drijfmest als de hoeveelheid per tuin of volkstuin per jaar ten hoogste 160 l is.

  3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. bufferstrook: strook grond langs een oppervlaktewaterlichaam;

    2. fosfaat: fosfaat als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Meststoffenwet;

    3. perceel: aaneengesloten, door wegen, waterwegen, sloten, houtopstanden, muren, wallen of anderszins topografisch begrensde oppervlakte grond.

Artikel 4.1183

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden alleen meststoffen op of in de bodem gebracht die op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mogen worden verhandeld.

Artikel 4.1184

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht als de bovenste laag van de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van stikstofkunstmest op kleigronden waarop graan wordt geteeld, als:

    1. de maximumtemperatuur op de dag waarop de stikstofkunstmest op of in de bodem wordt gebracht 5 °C of meer is; en

    2. wordt verwacht dat de minimumtemperatuur tijdens het volgende etmaal 0 °C of meer is.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op grasland als voor de gronden beheer gericht op het in stand houden van natuurwaarden voor gebieden als bedoeld in artikel 2.44 van de wet is vastgesteld, ter uitvoering van een voorwaarde die is verbonden aan een verleende subsidie op grond van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met dat beheer heeft ingestemd, en aan het beheer beperkingen zijn verbonden over de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat, die op of in de bodem worden gebracht.

Artikel 4.1185

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht als de bovenste bodemlaag met water is verzadigd.

Artikel 4.1186

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden van 1 september tot en met 31 januari dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht als:

  1. de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid of beregend; of

  2. tegelijkertijd water op of onder het grondoppervlak wordt gebracht door middel van een buizen- of slangenstelsel.

Artikel 4.1187

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest van 1 september tot en met 31 januari niet op of in de bodem gebracht.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op:

    1. grasland dat ligt op kleigronden of veengronden:

      1. in de periode van 1 september tot en met 15 september; of

      2. in de periode van 1 december tot en met 31 januari als het gaat om vaste mest waarin zichtbaar een substantiële hoeveelheid stro aanwezig is;

    2. bouwland dat ligt op kleigronden of veengronden;

    3. bouwland dat ligt op zandgronden of lössgronden, als op die gronden bomen worden geteeld en het op of in de bodem brengen plaatsvindt voorafgaand aan de aanplant van de bomen; of

    4. grasland en bouwland dat ligt op zandgronden of lössgronden, in de periode van 1 januari tot en met 31 januari als het gaat om vaste mest waarin zichtbaar een substantiële hoeveelheid stro aanwezig is.

  3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van vaste mest bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om vaste mest op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1188

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt drijfmest van 1 augustus tot en met 15 maart niet op of in de bodem gebracht.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van drijfmest op:

    1. grasland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart en in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus;

    2. bouwland, in de periode van 1 augustus tot en met 15 september als hierop:

      1. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;

      2. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of

      3. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of

      4. c

        bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.

  3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van drijfmest bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om drijfmest op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1188a

Jaarlijks worden uiterlijk de dag voorafgaand aan het gebruik van drijfmest in de periode van 16 februari tot en met 15 maart aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt als in dat kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot:

  1. de begrenzing van de locatie waarop het gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot; en

  2. welk gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.

Artikel 4.1188b

  1. De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beschikbaar worden gesteld.

  2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.

Artikel 4.1189

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt van 16 september tot en met 31 januari geen stikstofkunstmest op of in de bodem van bouwland of grasland gebracht.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwland waarop:

    1. vollegrondsgroente wordt geteeld;

    2. alleen fruit wordt geteeld en waarop ureum wordt gebruikt;

    3. alleen fruit wordt geteeld, in de periode van 16 september tot en met 15 oktober;

    4. voor een tweede of latere zaadoogst in het volgende kalenderjaar winterkoolzaad of de graszaadgewassen rietzwenkgras, roodzwenkgras of veldbeemdgras worden geteeld, in de periode van 16 september tot en met 15 oktober; of

    5. hyacinten of tulpen worden geteeld, in de periode van 16 januari tot en met 31 januari.

Artikel 4.1190

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht op gronden met een hellingspercentage van ten minste 7% als deze zijn aangetast door de versnelde afvoer van bodemmateriaal door afstromend water en daarbij geulen van meer dan 30 cm diepte zijn ontstaan.

Artikel 4.1191

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest niet op of in de bodem gebracht op niet-beteelde gronden met een hellingspercentage van ten minste 7%.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van dierlijke meststoffen op niet-beteelde gronden met een hellingspercentage tussen de 7% en 18%, als deze gronden uiterlijk acht dagen na het op of in de bodem brengen hiervan zijn ingezaaid:

    1. met een ander gewas dan mais, aardappelen of bieten; of

    2. met mais, aardappelen of bieten:

      1. op percelen of delen daarvan met een aaneengesloten lengte van ten hoogste 300 m die aan beide einden over de volle breedte door een duidelijk waarneembare kavelgrens zijn afgebakend; of

      2. op percelen of delen daarvan die over de volle breedte worden begrensd door gronden die zijn beteeld met een ander gewas dan mais, aardappelen of bieten over een aaneengesloten lengte van ten minste 100 m.

  3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder:

    1. lengte van een perceel of deel daarvan: zijde van een perceel of zijde van een deel van een perceel die de grootste hoek vormt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen;

    2. breedte van een perceel of deel daarvan: zijde van een perceel of zijde van een deel van een perceel die de kleinste hoek vormt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen.

Artikel 4.1192

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden op bouwland met een hellingspercentage van ten minste 18% geen dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen of stikstofkunstmest gebracht.

Artikel 4.1193

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt na de teelt van mais op zandgronden of lössgronden:

    1. direct aansluitend, en uiterlijk op 1 oktober gras, winterrogge, bladkool, bladrammenas, wintertarwe, wintergerst, triticale of Japanse haver geteeld; of

    2. uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe als hoofdteelt in het volgende jaar geteeld.

  2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing als uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe wordt geteeld:

    1. direct aansluitend op de teelt van mais dat biologisch is geteeld overeenkomstig de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de bio-verordening; of

    2. direct aansluitend op de teelt van mais, niet zijnde snijmais.

  3. Het gewas dat na mais wordt geteeld, wordt niet voor 1 februari van het volgende kalenderjaar vernietigd.

  4. Bijzondere weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het telen van gewassen na de teelt van maïs bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de uiterlijke datum, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt gewijzigd.

Artikel 4.1194

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, wordt uiterlijk op 1 oktober geïnformeerd als een gewas als bedoeld in artikel 4.1193, eerste lid, onder b, of tweede lid, wordt geteeld.

Artikel 4.1194a

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest uitsluitend op of in de bodem gebracht als op landbouwgrond op zandgronden of lössgronden per aaneengesloten periode van vier kalenderjaren, gerekend vanaf 1 januari 2023, ten minste in één kalenderjaar en uiterlijk in het vierde kalenderjaar, op de desbetreffende grond één van de bij ministeriële regeling als rustgewas aangewezen gewassen wordt geteeld.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    1. voor de teelt van gewassen die meer dan vier jaar onafgebroken op een perceel staan; en

    2. voor de teelt van gewassen overeenkomstig de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de bio-verordening.

Artikel 4.1195

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden op natuurgronden alleen dierlijke meststoffen en compost op of in de bodem gebracht.

  2. Het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost bedraagt ten hoogste 20 kg/ha/j fosfaat.

  3. Als het gaat om grasland, is het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost niet groter is dan 70 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.

  4. Bij het bepalen van de gebruikte hoeveelheid compost wordt 50% van de hoeveelheid fosfaat in compost met een maximum van 3,5 kg fosfaat per 1.000 kg droge stof niet in aanmerking genomen.

Artikel 4.1196

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem is artikel 4.1195, tweede en derde lid, niet van toepassing op het brengen van dierlijke meststoffen of compost op gronden waarvoor beheer gericht op het in stand houden van natuurwaarden voor gebieden als bedoeld in artikel 2.44 van de wet is vastgesteld, ter uitvoering van een voorwaarde die is verbonden aan een verleende subsidie op grond van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met dat beheer heeft ingestemd, en aan het beheer beperkingen zijn verbonden over de te gebruiken hoeveelheid dierlijke meststoffen of compost, uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat per hectare per jaar.

  2. Op overeenkomsten over aan het beheer van natuurgronden verbonden beperkingen voor de hoeveelheid op of in de bodem te brengen dierlijke meststoffen die zijn gesloten voor 1 januari 2020 en die na die datum niet zijn gewijzigd of verlengd, blijven die beperkingen voor de toepassing van dit artikel gelden.

Artikel 4.1197

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden op overige gronden alleen de volgende meststoffen op of in de bodem gebracht:

    1. dierlijke meststoffen;

    2. herwonnen fosfaten;

    3. compost;

    4. overige organische meststoffen die alleen zijn geproduceerd uit materialen van plantaardige herkomst; of

    5. anorganische meststoffen.

  2. Het totaal van de hoeveelheid meststoffen, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 20 kg/ha/j fosfaat.

  3. Als het gaat om grasland, is het totaal van de hoeveelheid meststoffen die op of in de bodem wordt gebracht, niet groter dan 90 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.

  4. Als het gaat om bouwland, is het totaal van de hoeveelheid meststoffen die op of in de bodem wordt gebracht niet groter dan 60 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.

  5. Bij het bepalen van de gebruikte hoeveelheid compost wordt 50% van de hoeveelheid fosfaat in compost met een maximum van 3,5 kg fosfaat per 1.000 kg droge stof niet in aanmerking genomen.

Artikel 4.1198

  1. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de gebruiksnormen in deze paragraaf niet versoepeld.

  2. Artikel 4.1199c wordt tot en met 31 december 2025 niet met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift versoepeld.

Artikel 4.1199

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt bij het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen voldaan aan het BBT-document emissiearm aanwenden.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing bij het op of in de bodem brengen van drijfmest om winderosie te voorkomen:

    1. als de drijfmest afkomstig is van runderen;

    2. bij bouwland dat ligt op zandgronden;

    3. in de periode van 1 maart tot en met 31 mei; en

    4. als in de bodem een gewas is ingezaaid, geplant of gepoot:

      1. in het veenkoloniaal gebied in de provincie Drenthe, de provincie Groningen ten zuiden van het Eemskanaal, de provincie Overijssel ten noorden van de lijn Zwolle-Ommen-Nijverdal-Almelo-Albergen-Tubbergen en de provincie Friesland ten oosten van de lijn Elsloo-Oosterwolde-Haulerwijk; of

      2. op Texel.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op gronden waar het hellingspercentage minder dan 7% is en waarop gras wordt geteeld of waarop alleen fruit wordt geteeld.

Artikel 4.1199a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.1199b

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 4.1199c

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden op landbouwgrond gelegen in een bufferstrook geen meststoffen op of in de bodem gebracht. De breedte van de bufferstrook voldoet aan tabel 4.1199c.

  2. De breedte van de bufferstrook wordt vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en over de grond gemeten. In afwijking hiervan wordt:

    1. bij een oppervlaktewaterlichaam met een flauw talud dat over de grond gemeten vanaf de waterlijn tot aan de insteek ten minste 200 cm breed is en dat een helling heeft die niet steiler is dan 1:3 de bufferstrook gemeten vanaf 100 cm vanaf de waterlijn;

    2. bij een oppervlaktewaterlichaam zonder talud de bufferstrook gemeten vanaf de waterlijn.

  3. In afwijking van het eerste lid is de breedte van de bufferstrook gelijk aan de breedte van de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 4.723i, als die teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven breedte van de bufferstrook.

  4. In dit artikel wordt onder landbouwgrond verstaan: grond die de landbouwer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van de Meststoffenwet, in eigendom, in pacht of in gebruik heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is.

  5. Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van meststoffen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.

Artikel 4.1199d

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is tot en met 31 december 2025 uitgesloten voor artikel 4.1199c.

Artikel 4.1200

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib.

  2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. bufferstrook: strook grond langs een oppervlaktewaterlichaam;

    2. perceel: aaneengesloten, door wegen, waterwegen, sloten, houtopstanden, muren, wallen of anderszins topografisch begrensde oppervlakte grond.

Artikel 4.1201

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib alleen op landbouwgronden op of in de bodem gebracht.

Artikel 4.1202

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt alleen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht dat op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mag worden verhandeld.

Artikel 4.1203

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht als de bovenste laag van de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw.

Artikel 4.1204

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht als de bovenste bodemlaag met water is verzadigd.

Artikel 4.1205

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib van 1 september tot en met 31 januari niet op of in de bodem gebracht als:

  1. de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid of beregend; of

  2. tegelijkertijd water op of onder het grondoppervlak wordt gebracht door middel van een buizen- of slangenstelsel.

Artikel 4.1206

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt steekvast zuiveringsslib van 1 september tot en met 31 januari niet op of in de bodem gebracht.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van steekvast zuiveringsslib op:

    1. grasland dat ligt op kleigronden of veengronden, in de periode van 1 september tot en met 15 september;

    2. bouwland dat ligt op kleigronden of veengronden; en

    3. bouwland dat ligt op zandgronden of lössgronden, als op die gronden bomen worden geteeld en het op of in de bodem brengen plaatsvindt voorafgaand aan de aanplant van de bomen.

  3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van steekvast zuiveringsslib bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om steekvast zuiveringsslib op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1207

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vloeibaar zuiveringsslib van 1 augustus tot en met 15 maart niet op of in de bodem gebracht.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vloeibaar zuiveringsslib op:

    1. grasland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart en in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus;

    2. bouwland, in de periode van 1 augustus tot en met 15 september, als hierop:

      1. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;

      2. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of

      3. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of

    3. bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.

  3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van vloeibaar zuiveringsslib bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om vloeibaar zuiveringsslib op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1207a

Jaarlijks worden uiterlijk de dag voorafgaand aan het gebruik van zuiveringsslib in de periode van 16 februari tot en met 15 maart aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt als in dat kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen wordt ingezaaid, geplant of gepoot:

  1. de begrenzing van de locatie waarop het gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot; en

  2. welk gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.

Artikel 4.1207b

  1. De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beschikbaar worden gesteld.

  2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.

Artikel 4.1208

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt geen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht op gronden met een hellingspercentage van ten minste 7% als de bodem is aangetast door de versnelde afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig afstromend water en daarbij geulen van meer dan 30 cm diepte zijn ontstaan.

Artikel 4.1209

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht op niet-beteelde gronden met een hellingspercentage van ten minste 7%.

Artikel 4.1210

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op bouwland gebracht met een hellingspercentage van ten minste 18%.

Artikel 4.1211

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt na de teelt van mais op zandgronden of lössgronden:

    1. direct aansluitend, en uiterlijk op 1 oktober gras, winterrogge, bladkool, bladrammenas, wintertarwe, wintergerst, triticale of Japanse haver geteeld; of

    2. uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe als hoofdteelt in het volgende jaar geteeld.

  2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing als uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe wordt geteeld direct aansluitend op de teelt van mais, niet zijnde snijmais.

  3. Het gewas dat na mais wordt geteeld, wordt niet voor 1 februari van het volgende kalenderjaar vernietigd.

  4. Bijzondere weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het telen van gewassen na de teelt van maïs bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de uiterlijke datum, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt gewijzigd.

Artikel 4.1212

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, wordt uiterlijk op 1 oktober geïnformeerd als een gewas als bedoeld in artikel 4.1211, eerste lid, onder b, of tweede lid, wordt geteeld.

Artikel 4.1212a

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib uitsluitend op of in de bodem gebracht als op landbouwgrond op zandgronden of lössgronden per aaneengesloten periode van vier kalenderjaren, gerekend vanaf 1 januari 2023, ten minste in één kalenderjaar en uiterlijk in het vierde kalenderjaar, op de desbetreffende grond één van de bij ministeriële regeling als rustgewas aangewezen gewassen wordt geteeld.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    1. voor de teelt van gewassen die meer dan vier jaar onafgebroken op een perceel staan; en

    2. voor de teelt van gewassen overeenkomstig de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de bio-verordening.

Artikel 4.1212b

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt op landbouwgrond gelegen in een bufferstrook geen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht. De breedte van de bufferstrook voldoet aan tabel 4.1212b.

  2. De breedte van de bufferstrook wordt vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en over de grond gemeten. In afwijking hiervan wordt:

    1. bij een oppervlaktewaterlichaam met een flauw talud dat over de grond gemeten vanaf de waterlijn tot aan de insteek ten minste 200 cm breed is en dat een helling heeft die niet steiler is dan 1:3 de bufferstrook gemeten vanaf 100 cm vanaf de waterlijn;

    2. bij een oppervlaktewaterlichaam zonder talud de bufferstrook gemeten vanaf de waterlijn.

  3. In afwijking van het eerste lid is de breedte van de bufferstrook gelijk aan de breedte van de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 4.723i, als die teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven breedte van de bufferstrook.

  4. In dit artikel wordt onder landbouwgrond verstaan: grond die de landbouwer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van de Meststoffenwet, in eigendom, in pacht of in gebruik heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is.

  5. Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.

Artikel 4.1213

  1. Met het oog op het beperken van emissie in de lucht wordt bij het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib voldaan aan het BBT-document emissiearm aanwenden.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van steekvast zuiveringsslib op landbouwgronden waar het hellingspercentage minder dan 7% is en waarop gras wordt geteeld of waarop alleen fruit wordt geteeld.

Artikel 4.1213a

Artikel 4.1212b wordt tot en met 31 december 2025 niet met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift versoepeld.

Artikel 4.1213b

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is tot en met 31 december 2025 uitgesloten voor artikel 4.1212b.

Artikel 4.1214

Deze paragraaf is van toepassing op het vernietigen van de zode van gras op weidegronden.

Artikel 4.1215

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de zode van gras op weidegronden niet vernietigd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. weidegronden die liggen op kleigronden of veengronden, in de periode van 1 februari tot en met 15 september;

    2. weidegronden die liggen op zandgronden of lössgronden:

      1. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in bijlage IVb bij dit besluit begint;

      2. in de periode van 11 mei tot en met 31 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en

      3. in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en

    3. weidegronden die liggen op kleigronden in de periode van 1 november tot en met 31 december als na het vernietigen van de zode van gras het planten of zaaien van een ander gewas dan gras begint.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als de zode van gras in de periode van 1 juni tot en met 15 juli wordt vernietigd en aansluitend uiterlijk op 16 juli de teelt van Japanse haver, Tagetes erecta of Tagetes patula begint die wordt ingezet voor aaltjesbeheersing in een vervolgteelt uiterlijk in het volgende kalenderjaar.

  4. Japanse haver, Tagetes erecta of Tagetes patula wordt niet verwijderd in de periode tussen het moment van inzaaien en 23 oktober van dat jaar.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing op weidegronden in de periode van 16 september tot en met 30 november als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras tulp, krokus, iris of muscari wordt geplant.

Artikel 4.1216

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt voorafgaand aan het vernietigen van de zode van gras, bedoeld in artikel 4.1215, tweede lid, onder b, onder 3°, geïnformeerd over de datum waarop deze wordt vernietigd.

Artikel 4.1217

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem worden op gronden die zijn beteeld met gewassen als bedoeld in artikel 4.1215, tweede lid, onder a en b, onder 1° en 2°, alleen stikstofhoudende meststoffen gebracht als de hoeveelheid stikstof, rekening houdend met de minerale stikstof en met de toevoer van stikstof door netto-mineralisatie van de organische stikstof in die gronden, onvoldoende is om te voldoen aan de behoefte van het gewas.

  2. De hoeveelheid organische stikstof in de bodem wordt vastgesteld met een representatief grondmonster, dat wordt geanalyseerd door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor een methode die geschikt is voor de vaststelling daarvan.

Artikel 4.1218

Artikel 4.1215, eerste lid, is niet van toepassing op:

  1. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden als onderdeel van kavelinrichtingswerken die worden verricht:

    1. ter uitvoering van een ruilbesluit op grond van een inrichtingsbesluit als bedoeld in artikel 12.7 van de wet; of

    2. ter uitvoering van een ruilbesluit; en.

  2. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden, als de zode van gras wordt vernietigd voor de aanleg of het onderhoud van een net als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 4.1219

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    2. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 4.1220

  1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1219, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    2. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    3. de verwachte duur ervan.

  2. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1221

  1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1219, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1222

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden.

Artikel 4.1222a

  1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.

  2. Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 4.1223

  1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

  2. Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 4.1222 worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 4.1224

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    2. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 4.1225

  1. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2;

    2. gegevens over de ontgraving, aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;

    3. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de activiteit wordt verricht;

    4. de verwachte hoeveelheid terug te plaatsen grond in kubieke meters; en

    5. de verwachte hoeveelheid af te voeren grond per partij als bedoeld in artikel 4.1230 in kubieke meters.

  3. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  4. In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1226

  1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    2. de verwachte datum van het begin van de activiteit;

    3. de verwachte duur ervan; en

    4. de aanleiding en het doel van de activiteit.

  2. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  3. In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1227

  1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    1. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en

    2. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.

  2. Onverwijld na het wijzigen van gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1228

Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de activiteit;

  2. de data waarop de activiteit is verricht; en

  3. de aanleiding en het doel van de activiteit.

Artikel 4.1229

  1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, wordt voldaan aan de regels over voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228 van toepassing.

Artikel 4.1230

  1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, het opslaan en het afvoeren of terugplaatsen van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden.

  2. Het gescheiden houden gebeurt door matig verontreinigde of sterk verontreinigde grond als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit die vrijkomt bij het graven op te delen in partijen volgens de volgende criteria:

    1. apart houden van verschillende grondsoorten;

    2. apart houden van partijen met een gewogen gehalte asbest onder de interventiewaarde bodemkwaliteit en partijen met een gewogen gehalte asbest boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; en

    3. apart houden van partijen die uitsluitend zijn verontreinigd met organische verbindingen tot boven de maximale waarde van de kwaliteitsklasse industrie, bedoeld in artikel 25d van dat besluit.

Artikel 4.1230a

  1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel.

  2. Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 4.1231

  1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

  2. Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 4.1230 worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 4.1232

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 4.1233

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 als:

  1. een deel van de verontreinigde grond niet wordt teruggebracht in het ontgravingsprofiel, maar zal worden afgevoerd;

  2. op de locatie al een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag; of

  3. sprake is van meerdere partijen die overeenkomstig artikel 4.1230 gescheiden moeten worden gehouden.

Artikel 4.1234

Ten hoogste een week na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1224, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de datum van de beëindiging van de activiteit;

  2. als er sprake is van begeleiding als bedoeld in artikel 4.1233: de resultaten van de milieukundige begeleiding met daarbij in ieder geval:

    1. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;

    2. de bestemming van grond die niet wordt teruggeplaatst; en

    3. de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan.

Artikel 4.1235

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem.

  2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    2. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 4.1236

  1. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2;

    2. de keuze voor een van de saneringsaanpakken, bedoeld in artikel 4.1241 of 4.1242;

    3. bij een saneringsaanpak als bedoeld in artikel 4.1241: een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval:

      1. het type afdeklaag, bedoeld in artikel 4.1241;

      2. de situering van de afdeklaag aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;

      3. als grond wordt herschikt: de hoeveelheid grond die ten hoogste wordt afgevoerd of herschikt in kubieke meters; en

      4. als grond wordt herschikt: de situering van de herschikte grond op een kaart;

    4. bij een saneringsaanpak als bedoeld in artikel 4.1242: een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval:

      1. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;

      2. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de werkzaamheden worden verricht;

      3. de hoeveelheid af te voeren grond per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit in kubieke meters; en

      4. een aanduiding van de waarde voor de bodemfunctieklasse, bedoeld in artikel 4.1242;

    5. als de bodem is verontreinigd met vluchtige stoffen: een omschrijving van de maatregelen om uitdamping van vluchtige stoffen tegen te gaan, bedoeld in artikel 4.1245; en

    6. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.

  3. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.1237

  1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  2. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.1238

  1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    1. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en

    2. de naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en

    3. de naam van de natuurlijke persoon die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.

  2. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.1239

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2.

Artikel 4.1240

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt het saneren van de bodem uitgevoerd volgens artikel 4.1241 of 4.1242 of met een combinatie van beide aanpakken.

Artikel 4.1241

  1. Dit artikel is van toepassing bij afdekken als saneringsaanpak.

  2. Er wordt een afdeklaag aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt.

  3. De afdeklaag bestaat uit:

    1. een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag; of

    2. een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 meter met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272.

  4. Onder een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag wordt in ieder geval verstaan een verhardingslaag die bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, betonplaat of bestrating met klinkers of tegels.

  5. Verontreinigde grond die is vrijgekomen, wordt alleen herschikt op het gedeelte van de locatie waar een afdeklaag wordt aangebracht overeenkomstig dit artikel.

Artikel 4.1242

  1. Dit artikel is van toepassing bij verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak.

  2. Verontreiniging van de bodem wordt verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof, die boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de in het omgevingsplan opgenomen waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie waarin de landbodem volgens artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld.

Artikel 4.1243

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het voorkomen van verspreiding van verontreinigde grond, het behoud van gebruiksmogelijkheden van grond en de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het saneren van de bodem verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 4.1244

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

Artikel 4.1245

  1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden bij aanwezigheid van verontreinigingen met vluchtige stoffen in de bodem maatregelen getroffen om te voorkomen dat er blootstelling kan plaatsvinden aan uitdamping vanuit die verontreiniging naar een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

  2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:

    1. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; of

    2. een dampdichte laag wordt aangebracht.

Artikel 4.1246

  1. Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 dat in ieder geval de volgende gegevens bevat:

    1. de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het saneren van de bodem; en

    2. de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.

  2. Bij aanwezigheid van verontreinigingen met vluchtige stoffen in de bodem wordt ook een onderzoek overgelegd dat aantoont dat de kwaliteit van de binnenlucht in een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie met de in artikel 4.1245, tweede lid, bedoelde maatregelen voldoet aan de Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL) in microgram per kubieke meter lucht zoals opgenomen in bijlage XIIIb bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  3. Als er sprake is van gebruiksbeperkingen of nazorg worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over:

    1. de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de gezondheid; en

    2. een voorstel voor nazorgmaatregelen als bedoeld in paragraaf 5.1.4.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.1247

  1. Deze paragraaf is van toepassing op:

    1. het opslaan, zeven en samenvoegen van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; en

    2. het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van baggerspecie van de kwaliteitsklasse niet verontreinigd, licht verontreinigd of matig verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, voor een toepassing als bedoeld in artikel 4.1266, vierde lid, onder a.

  3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    2. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    3. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 4.1248

  1. Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 4.1247 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een aanduiding van de kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit van de opgeslagen grond;

    2. een aanduiding van de kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit van de opgeslagen baggerspecie;

    3. een aanduiding of verschillende partijen grond of verschillende partijen baggerspecie worden samengevoegd;

    4. als partijen worden samengevoegd: of dit gebeurt tot een partij groter dan 25 m3;

    5. als partijen worden samengevoegd: een aanduiding van kwaliteitsklassen van de samen te voegen partijen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld;

    6. als op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd: de locaties van de lozingspunten;

    7. als op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd: het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur; en

    8. in een geval als bedoeld in artikel 4.1250, derde lid: een verklaring van het dagelijks bestuur van het waterschap dat de baggerspecie na het opslaan wordt toegepast in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. In afwijking van het eerste en derde lid geldt een termijn van een week als de activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is.

  5. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.1248a

  1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1247, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  2. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt op grond van artikel 3.181 voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.178.

Artikel 4.1249

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt een administratie bijgehouden van de opgeslagen partijen grond of opgeslagen partijen baggerspecie, met daarin per partij geregistreerd:

  1. de herkomst;

  2. de kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

  3. de kwaliteitsverklaringen;

  4. de plaats van opslag;

  5. de hoeveelheid; en

  6. de aanvangsdatum van de opslag.

Artikel 4.1250

  1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1247, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, als het gaat om het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie of baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. de activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is;

    2. voorafgaand aan het opslaan de kwaliteitsklasse van de bodem op de plaats van opslaan is vastgesteld in een milieuverklaring bodemkwaliteit die is opgesteld overeenkomstig de bepalingen in het Besluit bodemkwaliteit; en

    3. de grond of baggerspecie volgens artikel 4.1272 op de plaats van opslaan mag worden toegepast.

  3. Het eerste lid is ook niet van toepassing als:

    1. het gaat om het opslaan van baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder b, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie;

    2. de baggerspecie binnen drie jaar na het begin van het opslaan wordt toegepast in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a; en

    3. op de locatie gedurende ten minste vijf jaar voor het begin van het opslaan geen baggerspecie is opgeslagen.

Artikel 4.1251

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan, zeven of mechanisch ontwateren van baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 4.1252

Voor afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1252, gemeten in een steekmonster.

Tabel 4.1252 Emissiegrenswaarden

Stof

Emissiegrenswaarde in mg/l

Onopgeloste stoffen

100

Chemisch zuurstofverbruik

200

Artikel 4.1253

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    1. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en

    2. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Artikel 4.1254

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam met bodembedreigende stoffen wordt baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, opgeslagen in een met folie beklede grondput volledig omringd door een dijklichaam:

    1. waarvan het binnendijkse volume ten minste gelijk is aan de maximale inhoud van het baggerspeciedepot; en

    2. dat is bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van baggerspecie.

  2. Folie dat voor een baggerspeciedepot wordt gebruikt, is voor gebruik bij het opslaan van baggerspecie gecertificeerd door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor BRL-K519, BRL-K537, BRL-K538, BRL-K546 of BRL-K1149.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie volgens artikel 4.1272 op de plaats van het opslaan mag worden toegepast.

  4. Het eerste lid is ook niet van toepassing:

    1. op steekvaste baggerspecie; of

    2. in een geval als bedoeld in artikel 4.1250, derde lid.

Artikel 4.1255

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam worden verschillende partijen grond of partijen baggerspecie niet samengevoegd tot een partij die groter is dan 25 m3.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de partijen grond of partijen baggerspecie:

    1. in dezelfde kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld; en

    2. zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500, door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit hiervoor.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als de partijen grond of partijen baggerspecie:

    1. kleiner zijn dan 100 ton; en

    2. zijn samengevoegd overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500, door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit hiervoor.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. het gaat om grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur of baggerspecie van de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; en

    2. de partijen grond of de partijen baggerspecie zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring, overeenkomstig BRL 9313 of BRL 9321.

Artikel 4.1256

  1. In het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt een partij grond of een partij baggerspecie niet langer dan drie jaar opgeslagen.

  2. In een oppervlaktewaterlichaam wordt in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam een partij grond of een partij baggerspecie niet langer dan tien jaar opgeslagen.

Artikel 4.1257

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen.

  2. De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.

  3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. afleverbon: afleverbon als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    2. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    3. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    4. immobilisaat: vormgegeven bouwstoffen die het product zijn van een methode van verwerking waarbij de chemische of fysische eigenschappen van een afvalstof worden gewijzigd met het primaire doel daarin aanwezige verontreinigende stoffen vast te leggen;

    5. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt;

    6. vormgegeven bouwstof: vormgegeven bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    7. werk: infrastructuur, waaronder bouwwerken, of het resultaat van een andere functionele toepassing van bouwstoffen.

Artikel 4.1257a

Met een maatwerkvoorschrift wordt de uitvoering van een vastgesteld projectbesluit niet belemmerd.

Artikel 4.1258

  1. Dit artikel is van toepassing op het toepassen van:

    1. niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak;

    2. bouwstoffen bestaande uit pure staalslak zonder vaste maatvoering die op grond van deeltjesgrootte en massaverlies worden aangemerkt als vormgegeven bouwstof;

    3. AVI-bodemassen; of

    4. immobilisaten.

  2. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten;

    2. de verwachte datum van het begin van de activiteit;

    3. de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid;

    4. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen bouwstoffen;

    5. de gegevens waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit is gebaseerd, bedoeld in artikel 25e van het Besluit bodemkwaliteit, of een verwijzing naar het rapport waarin deze gegevens zijn opgenomen;

    6. het nummer en het type milieuverklaring bodemkwaliteit;

    7. de naam van degene die de milieuverklaring bodemkwaliteit heeft afgegeven;

    8. de datum van afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit;

    9. de hoeveelheid bouwstoffen waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit betrekking heeft, uitgedrukt in ton;

    10. het adres van de locatie van herkomst van de bouwstoffen of de kadastrale aanduiding of coördinaten van die locatie;

    11. als de herkomst buiten Nederland is: het nummer dat de bevoegde autoriteit heeft toegekend aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);

    12. het producttype of de naam van de bouwstof;

    13. de kwaliteit van de bouwstoffen;

    14. de hoeveelheid bouwstoffen in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; en

    15. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam.

  3. Het tweede lid, onder c, j, k, m n en o, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder voor het werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

Artikel 4.1258a

  1. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257, in geval van toepassen van de in artikel 4.1258, eerste lid, onder a en b, genoemde bouwstoffen, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat de datum van het begin van de activiteit.

Artikel 4.1259

  1. Tijdens het aanbrengen van de bouwstoffen zijn de volgende gegevens en bescheiden beschikbaar:

    1. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen bouwstoffen; en

    2. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. metselmortel of een natuursteenproduct, met uitzondering van breuksteen en steenslag, wordt toegepast;

    2. vormgegeven bouwstoffen zonder verandering van de eigenschappen of samenstelling in ongewijzigde vorm en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast;

    3. asfalt of asfaltbeton, waarvan volgens bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels is vastgesteld dat het niet teerhoudend is, opnieuw in dezelfde wegverharding wordt toegepast;

    4. bouwstoffen die tijdelijk uit een werk zijn weggenomen, in dat werk op of nabij dezelfde locatie in ongewijzigde vorm en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast zonder dat het eigendom daarvan wordt overgedragen; of

    5. bouwstoffen worden toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en de in het werk toegepaste hoeveelheid bouwstoffen in totaal ten hoogste 25 m3 bedraagt.

  3. Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van de bouwstoffen bewaard.

Artikel 4.1260

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu worden bouwstoffen alleen toegepast voor het aanleggen, in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk.

  2. Bouwstoffen worden, voor zover de bouwstoffen een afvalstof zijn, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.

  3. In afwijking van het eerste lid worden met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam geen bouwstoffen toegepast met het doel:

    1. een oppervlaktewaterlichaam te verondiepen of tot landbodem te ontwikkelen; of

    2. de bodem op te hogen voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen.

Artikel 4.1261

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden bouwstoffen niet toegepast in een grotere hoeveelheid dan voor het voltooien van het werk volgens gangbare civieltechnische, bouwtechnische, milieuhygiënische, ecologische of esthetische maatstaven redelijkerwijs nodig is.

Artikel 4.1262

  1. Met het oog op het beschermen van de bodem en het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden bouwstoffen:

    1. niet met de bodem vermengd; en

    2. zo toegepast dat ze kunnen worden verwijderd.

  2. Bouwstoffen worden verwijderd als het werk waarin ze zijn toegepast buiten gebruik is gesteld, tenzij het verwijderen van de bouwstoffen grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft dan het niet-verwijderen.

Artikel 4.1263

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden geen bouwstoffen toegepast die zijn vermengd met meer dan 20 gewichtsprocent grond of baggerspecie, tenzij de grond of baggerspecie als grondstof voor de bouwstoffen heeft gediend.

Artikel 4.1264

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen bouwstoffen toegepast die voldoen aan de voor bouwstoffen geldende kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit.

  2. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.1265

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie.

  2. De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.

  3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. afleverbon: afleverbon als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    2. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    3. aangewezen bodembeheergebied: bodembeheergebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, in het omgevingsplan of in de waterschapsverordening op grond van artikel 5.89o of 6.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    4. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    5. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 4.1265a

Met een maatwerkvoorschrift wordt de uitvoering van een vastgesteld projectbesluit niet belemmerd.

Artikel 4.1266

  1. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1265, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1269, in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing;

    2. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast;

    3. de hoeveelheid grond of baggerspecie in kubieke meters die in totaal in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;

    4. de verwachte datum waarop voor het eerst grond of baggerspecie in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;

    5. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam;

    6. als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid toe te passen in het kader van grootschalig toepassen als bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid: de vermelding daarvan;

    7. als sprake is van toepassen in het kader van een opvulling van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i: de vermelding daarvan; en

    8. als sprake is van toepassen in het kader van verspreiding van baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid: de vermelding daarvan, met aanduiding van het toepasselijke onderdeel.

  3. Ten minste een week of ten minste vier weken als het gaat om het toepassen, bedoeld in het vijfde lid, voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan, met dien verstande dat een vermelding als bedoeld in het tweede lid, onder f, dat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van grootschalig toepassen volgens artikel 4.1274, eerste lid, niet kan worden gewijzigd.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. de grond of baggerspecie wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie in totaal in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;

    2. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een bedrijf voor het telen van gewassen in de openlucht als bedoeld in paragraaf 3.6.3 en de grond wordt ontgraven uit en toegepast op tot dat bedrijf behorende landbouwgronden;

    3. in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 50 m3 grond die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast en dat kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit;

    4. in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 50 m3 baggerspecie van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast en dat kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij de activiteit wordt verricht in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone;

    5. baggerspecie wordt toegepast in het kader van de verspreiding over aan een oppervlaktewaterlichaam grenzende terreinen, bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a;

    6. de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3; en

    7. voor de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast, al eerder een melding is gedaan.

  5. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor:

    1. het toepassen van grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie; en

    2. het grootschalig toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid.

Artikel 4.1267

  1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1265, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

    1. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten;

    2. de verwachte datum van het begin van de activiteit;

    3. de verwachte datum waarop de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast, zal zijn voltooid of beëindigd;

    4. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen grond of baggerspecie;

    5. de gegevens waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit is gebaseerd, bedoeld in artikel 25e van het Besluit bodemkwaliteit, of een verwijzing naar het rapport waarin deze gegevens zijn opgenomen;

    6. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de ontvangende bodem;

    7. het nummer en het type milieuverklaring bodemkwaliteit;

    8. de naam van degene die de milieuverklaring bodemkwaliteit heeft afgegeven;

    9. de datum van afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit;

    10. voor zover het gaat om een milieuverklaring bodemkwaliteit als bedoeld onder d: de hoeveelheid grond of baggerspecie waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit betrekking heeft, uitgedrukt in ton;

    11. het adres van de locatie van herkomst van de toe te passen grond of baggerspecie of de kadastrale aanduiding of coördinaten van die locatie;

    12. als de herkomst buiten Nederland is: het nummer dat de bevoegde autoriteit heeft toegekend aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);

    13. de kwaliteit van de grond of baggerspecie;

    14. als sprake is van het toepassen van grond of baggerspecie in een afdeklaag op grootschalig toegepaste grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1274, vierde lid, onder b, onder 1°, of in situaties als bedoeld in artikel 4.1276, derde lid: de kwaliteitsklasse van de aangrenzende landbodem;

    15. als sprake is van het toepassen van grond of baggerspecie in een afdeklaag op grootschalig toegepaste grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1274, vierde lid, onder b, onder 2°: de kwaliteitsklasse van de aangrenzende waterbodem;

    16. als bij het toepassen van baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam zout of brak water in het oppervlaktewaterlichaam terecht kan komen: de hoeveelheid in liters en het zoutgehalte in milligram per liter van dat water; en

    17. als voor de functionele toepassing waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast eerder een melding als bedoeld in artikel 4.1266 is gedaan: het kenmerk van die eerdere melding.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. de grond of baggerspecie wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie wordt toegepast;

    2. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een bedrijf voor het telen van gewassen in de openlucht als bedoeld in paragraaf 3.6.3 en de grond wordt ontgraven uit en toegepast op tot dat bedrijf behorende landbouwgronden;

    3. in het kader van de functionele toepassing op of in de landbodem alleen grond of baggerspecie van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast en dat kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit;

    4. in het kader van de functionele toepassing in een oppervlaktewaterlichaam alleen grond of baggerspecie van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast en dat kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij de activiteit wordt verricht in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone; of

    5. baggerspecie wordt toegepast in het kader van de verspreiding over aan een oppervlaktewaterlichaam grenzende terreinen, bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder d en f, is niet van toepassing op het toepassen van baggerspecie in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, als de baggerspecie afkomstig is uit de territoriale zee en uit een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5717 geen indicatie volgt dat de zeebodem waaruit de baggerspecie afkomstig is, is verontreinigd.

  4. Het eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing op:

    1. het toepassen van grond of baggerspecie in het kader van opvulling van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i;

    2. het toepassen van baggerspecie in het kader van verspreiding daarvan als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid; of

    3. grootschalig toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid.

  5. Het eerste lid, onder c, f, k, l, n en o, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden voor de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast al eerder zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

  6. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor:

    1. het toepassen van grond of baggerspecie die volgens BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, als voor het toepassen van grond of baggerspecie die in die installatie is bewerkt voor de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast niet al eerder gegevens en bescheiden zijn verstrekt;

    2. het toepassen van grond in het kader van opvulling van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i; en

    3. het toepassen van baggerspecie in het kader van opvulling van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i, als de baggerspecie niet afkomstig is uit hetzelfde oppervlaktewaterlichaam waarin de diepe plas ligt.

  7. Als sprake is van toepassen van grond of baggerspecie die volgens BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, wordt dit vermeld bij het verstrekken van de gegevens en bescheiden volgens het eerste lid en wordt ook aangegeven volgens welke reinigingsmethode de grond of baggerspecie is gereinigd, tenzij deze informatie in de milieuverklaring bodemkwaliteit is vermeld.

Artikel 4.1268

  1. Tijdens het aanbrengen van grond of baggerspecie zijn de volgende gegevens en bescheiden beschikbaar:

    1. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.1266 en 4.1267; en

    2. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon.

  2. Als op grond van artikel 4.1267, tweede lid, onder c, d of e, of artikel 4.1267, derde lid, geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt, is voor de grond of baggerspecie die wordt toegepast een milieuverklaring bodemkwaliteit beschikbaar, en ook een afleverbon, als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt.

  3. Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van grond of baggerspecie bewaard.

Artikel 4.1269

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt grond of baggerspecie alleen toegepast:

    1. voor het aanleggen, in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk dat als functionele toepassing is aangewezen in het tweede lid; of

    2. in het kader van een functionele toepassing die is aangewezen in het derde lid.

  2. Als functionele toepassing worden de volgende werken aangewezen:

    1. wegen of spoorwegen, met inbegrip van bijbehorende geluidswallen, en bouwwerken en dijken;

    2. ophogingen op of in de landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen;

    3. ophogingen op of in de landbodem voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van een terrein of het bevorderen van de landbouwkundige waarde, natuurwaarde of recreatieve waarde van een terrein;

    4. afdeklagen op saneringslocaties, bovenafdichtingen op stortplaatsen, gesloten stortplaatsen en voormalige stortplaatsen en afdeklagen op grootschalig toegepaste grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1274, vierde lid, onder b, of in situaties als bedoeld in artikel 4.1276, derde lid;

    5. herinrichtingen van winplaatsen of voormalige winplaatsen voor delfstoffen, met uitzondering van winplaatsen en voormalige winplaatsen in oppervlaktewaterlichamen, voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden;

    6. voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen, met uitzondering van diepe plassen, voor het voorkomen of beperken van overstromingen of wateroverlast, het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde daarvan, het bevorderen van de doorvaart van de scheepvaart of het herstellen of verbeteren van de ligging, vorm, afmeting en constructie van een waterstaatswerk;

    7. suppleties van baggerspecie langs de kustlijn voor het herstellen of verbeteren van de kustverdediging;

    8. opvullingen van oppervlaktewaterlichamen, met uitzondering van diepe plassen, tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen; en

    9. opvullingen van diepe plassen voor het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas, het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden.

  3. Als functionele toepassingen worden ook aangewezen:

    1. de verspreiding, met inbegrip van verspreiding in een weilanddepot, van baggerspecie die in een oppervlaktewaterlichaam dat behoort tot de regionale wateren, is terechtgekomen door afspoeling en afkalving van materiaal van gronden die liggen aan of in het oppervlaktewaterlichaam:

      1. voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden; of

      2. op landbouwgronden tot ten hoogste 10 km afstand van de plaats van vrijkomen;

    2. de verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden of platen, voor het herstellen of verbeteren van de ecologische en morfologische functies van het sediment; of

    3. de verspreiding van baggerspecie afkomstig uit een watergang die ligt in tot een oppervlaktewaterlichaam behorende uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden of platen, voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden.

  4. Grond of baggerspecie wordt, voor zover de grond of baggerspecie een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.

Artikel 4.1270

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt grond of baggerspecie niet toegepast in een grotere hoeveelheid dan voor het voltooien van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast, volgens gangbare civieltechnische, bouwtechnische, milieuhygiënische, ecologische of esthetische maatstaven redelijkerwijs nodig is.

Artikel 4.1271

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt alleen grond of baggerspecie toegepast als:

    1. daarin ten hoogste 20 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt en dat bodemvreemde materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was en vermenging daarmee redelijkerwijs niet kon worden voorkomen; en

    2. daarin alleen sporadisch ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout voorkomt en dat bodemvreemde materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat de grond of baggerspecie wordt toegepast.

  2. Als in grond of baggerspecie bodemvreemd materiaal voorkomt, is tijdens het toepassen van de grond of baggerspecie bewijs voorhanden dat het materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was.

Artikel 4.1272

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in het kader van functionele toepassingen als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, a tot en met e en g, en derde lid, onder a en c, op de landbodem alleen grond of baggerspecie toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:

    1. de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende landbodem volgens dat besluit is ingedeeld; en

    2. de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, waarin de ontvangende landbodem volgens artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld, of de bodemfunctieklasse landbouw/natuur als de ontvangende landbodem niet in de bodemfunctieklasse wonen of industrie is ingedeeld.

  2. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in de artikelen 4.1269, tweede lid, a, d en f tot en met h, en 4.1269, derde lid, onder b en c, in een oppervlaktewaterlichaam alleen grond of baggerspecie toegepast die voldoet aan:

    1. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende waterbodem volgens dat besluit is ingedeeld;

    2. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van toepassen van grond in een oppervlaktewaterlichaam; en

    3. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam.

  3. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.

Artikel 4.1273

  1. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste of tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

  2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

    1. de toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en

    2. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.

Artikel 4.1274

  1. Grond of baggerspecie mag in afwijking van artikel 4.1272, eerste en tweede lid, ook volgens het tweede, derde en vierde lid van dit artikel worden toegepast als sprake is van:

    1. het aanleggen van een weg of spoorweg, met uitzondering van een bijbehorende geluidswal, als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 0,5 m wordt toegepast;

    2. het aanleggen van een geluidswal, bouwwerk of dijk als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast;

    3. het aanleggen van een werk als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder e of f, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast; of

    4. het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk als bedoeld onder a tot en met c, die is aangelegd:

      1. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of

      2. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.

  2. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen grond en baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan:

    1. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit emissiearme grond of de kwaliteit emissiearme baggerspecie; en

    2. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van dat besluit, die gelden voor:

      1. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;

      2. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of

      3. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.

  3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:

    1. wordt op de toegepaste grond of baggerspecie, met uitzondering van grond of baggerspecie die in bermen en taluds wordt toegepast, een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; en

    2. worden in de bermen en taluds tot de dichtst bijgelegen fysieke afscheiding met een afstand van ten hoogste 10 m vanaf de rand van de verharding van de weg of het ballastbed van de spoorweg alleen grond of baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie.

  4. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b of c in samenhang met b, wordt op de toegepaste grond of baggerspecie:

    1. een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; of

    2. een afdeklaag van grond of baggerspecie aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m waarin alleen grond of baggerspecie wordt toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de eisen die volgens artikel 4.1272, eerste of tweede lid, gelden voor:

      1. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of

      2. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone.

Artikel 4.1275

  1. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het grootschalig toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1274, tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

  2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

    1. de toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en

    2. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.

Artikel 4.1276

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1272, tweede lid, in het kader van het toepassen van grond of baggerspecie in opvullingen van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i, alleen grond of baggerspecie toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder e en f, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit voor toepassen in een diepe plas geschikte grond of de kwaliteit voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie.

  2. Op de toegepaste grond of baggerspecie wordt binnen een jaar nadat het toepassen is voltooid of onderbroken een aaneengesloten afdeklaag met een laagdikte van 0,5 m aangebracht en in stand gehouden van grond of baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder g en h, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:

    1. als het grond betreft: de kwaliteit voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond; en

    2. als het baggerspecie betreft: de kwaliteit voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie.

  3. Als de diepe plas bij de herinrichting geheel of gedeeltelijk tot landbodem is ontwikkeld, wordt binnen een jaar na de beëindiging van het toepassen een aaneengesloten afdeklaag met een laagdikte van 0,5 m aangebracht en in stand gehouden van grond of baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens artikel 4.1272 gelden voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem.

  4. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste, tweede of derde lid wordt voldaan.

Artikel 4.1277

  1. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het in een diepe plas toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1276, alleen worden toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

  2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

    1. de toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en

    2. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.

Artikel 4.1278

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1272, eerste en tweede lid, in het kader van verspreiding van baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, alleen baggerspecie toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder b, c of d, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit voor verspreiden geschikte baggerspecie.

  2. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.1279

  1. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het verspreiden van baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1278, alleen worden toegestaan als de toe te passen baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt verspreid.

  2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het verspreiden van baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

    1. de te verspreiden baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en

    2. de baggerspecie wordt verspreid op een locatie waar de bodem al voor het verspreiden diffuus sterk met de stof was verontreinigd.

Artikel 4.1280

  1. Als sprake is van toepassen van tarragrond, wordt in afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, met het oog op het beschermen van het milieu alleen tarragrond toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen voor tarragrond, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder i, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteitsklasse en de bodemfunctieklasse waarin de ontvangende landbodem is ingedeeld.

  2. Als sprake is van het grootschalig toepassen van tarragrond, wordt in afwijking van artikel 4.1274, tweede lid, onder a, met het oog op het beschermen van het milieu alleen tarragrond toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen voor tarragrond, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder i, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit emissiearme grond en voor de kwaliteitsklasse industrie.

  3. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.

  4. Tarragrond wordt alleen op de landbodem toegepast.

  5. Tarragrond die is ontstaan bij het schoonmaken van aardappelen die zijn behandeld met chloorprofam wordt niet toegepast in een gebied dat op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen als onderdeel van het natuurnetwerk Nederland.

Artikel 4.1281

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.

  2. De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.

  3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. afleverbon: afleverbon als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    2. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    3. aangewezen bodembeheergebied: bodembeheergebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, in het omgevingsplan of in de waterschapsverordening op grond van artikel 5.89o of 6.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    4. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    5. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 4.1282

  1. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1281, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. een aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1285, in het kader waarvan in de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van het werk;

    2. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast;

    3. de hoeveelheid mijnsteen of vermengde mijnsteen in kubieke meters die in totaal in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;

    4. de verwachte datum waarop voor het eerst mijnsteen of vermengde mijnsteen in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;

    5. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam; en

    6. als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid toe te passen in het kader van grootschalig toepassen als bedoeld in artikel 4.1290, eerste lid: de vermelding daarvan.

  3. Ten minste een week of ten minste vier weken als het gaat om het toepassen, bedoeld in het zesde lid, voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan, met dien verstande dat een vermelding als bedoeld in het eerste lid, onder f, dat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van grootschalig toepassen volgens artikel 4.1290, eerste lid, niet kan worden gewijzigd.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als:

    1. de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en in het werk ten hoogste 25 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen in totaal in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast; of

    2. de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

  5. Dit artikel is niet van toepassing als voor het werk waarin de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, al eerder een melding is gedaan.

  6. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor het grootschalig toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, bedoeld in artikel 4.1290.

Artikel 4.1283

  1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1281, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

    1. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten;

    2. de verwachte datum van het begin van de activiteit;

    3. de verwachte datum waarop de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, zal zijn voltooid of beëindigd;

    4. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen;

    5. de gegevens waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit is gebaseerd, bedoeld in artikel 25e van het Besluit bodemkwaliteit, of een verwijzing naar het rapport waarin deze gegevens zijn opgenomen;

    6. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de ontvangende bodem;

    7. het nummer en het type milieuverklaring bodemkwaliteit;

    8. de naam van degene die de milieuverklaring bodemkwaliteit heeft afgegeven;

    9. de datum van afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit;

    10. voor zover het gaat om een milieuverklaring bodemkwaliteit als bedoeld onder d: de hoeveelheid mijnsteen of vermengde mijnsteen waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit betrekking heeft, uitgedrukt in ton;

    11. het adres van de locatie van herkomst van de mijnsteen of vermengde mijnsteen of de kadastrale aanduiding of coördinaten van die locatie;

    12. de kwaliteit van de mijnsteen of vermengde mijnsteen;

    13. de kwaliteitsklasse van de aangrenzende landbodem als sprake is van het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in een afdeklaag op een grootschalige toepassing, bedoeld in artikel 4.1290, vierde lid; en

    14. als voor de functionele toepassing waarin de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast eerder een melding als bedoeld in artikel 4.1282 is gedaan: het kenmerk van die eerdere melding.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 25 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing op grootschalig toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen als bedoeld in artikel 4.1290.

  4. Het eerste lid, onder b, d, e en f, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden voor de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast al eerder zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

Artikel 4.1284

  1. Tijdens het aanbrengen van mijnsteen of vermengde mijnsteen zijn de volgende gegevens en bescheiden beschikbaar:

    1. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.1282 en 4.1283; en

    2. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon.

  2. Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van de mijnsteen of vermengde mijnsteen bewaard.

Artikel 4.1285

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt mijnsteen of vermengde mijnsteen alleen toegepast in een bij ministeriële regeling aangewezen toepassingsgebied voor het aanleggen, in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een functionele toepassing die is aangewezen in het tweede lid.

  2. Als functionele toepassing worden aangewezen:

    1. bouwwerken, dijken, wegen of spoorwegen, met inbegrip van daartoe behorende geluidswallen;

    2. ophogingen op of in de landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen;

    3. ophogingen op of in de landbodem voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van een terrein of het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van een terrein;

    4. afdeklagen op grootschalig toegepaste mijnsteen of vermengde mijnsteen als bedoeld in artikel 4.1290, vierde lid, onder c;

    5. herinrichtingen van winplaatsen of voormalige winplaatsen voor delfstoffen, met uitzondering van winplaatsen en voormalige winplaatsen in oppervlaktewaterlichamen, voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden; en

    6. voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen, met uitzondering van diepe plassen, voor het voorkomen of beperken van overstromingen of wateroverlast, het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde daarvan, het bevorderen van de doorvaart van de scheepvaart of het herstellen of verbeteren van de ligging, vorm, afmeting en constructie van een waterstaatswerk.

  3. Mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt, voor zover de mijnsteen of vermengde mijnsteen een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.

Artikel 4.1286

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden mijnsteen of vermengde mijnsteen niet toegepast in een grotere hoeveelheid dan voor het voltooien van de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, volgens gangbare civieltechnische, bouwtechnische, milieuhygiënische, ecologische of esthetische maatstaven redelijkerwijs nodig is.

Artikel 4.1287

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast, als:

    1. daarin ten hoogste 20 gewichtsprocent steenachtig materiaal, met uitzondering van mijnsteen, of hout voorkomt en dat bodemvreemde materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was en vermenging daarmee redelijkerwijs niet kon worden voorkomen; en

    2. daarin alleen sporadisch ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout voorkomt en dat bodemvreemde materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat het uit de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt verwijderd voordat de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast.

  2. Als in mijnsteen of vermengde mijnsteen bodemvreemd materiaal voorkomt, is tijdens het toepassen van de mijnsteen of vermengde mijnsteen bewijs voorhanden dat het materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de vermengde mijnsteen aanwezig was.

Artikel 4.1288

  1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt op de landbodem alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:

    1. de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende landbodem volgens dat besluit is ingedeeld; en

    2. de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, waarin de ontvangende landbodem volgens artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld, of de bodemfunctieklasse landbouw/natuur als de ontvangende landbodem niet in de bodemfunctieklasse wonen of industrie is ingedeeld.

  2. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in een oppervlaktewaterlichaam alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast die voldoet aan:

    1. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende waterbodem volgens dat besluit is ingedeeld;

    2. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van toepassen van vermengde mijnsteen en het gaat om mijnsteen vermengd met grond, in een oppervlaktewaterlichaam; en

    3. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van toepassen van vermengde mijnsteen en het gaat om mijnsteen vermengd met baggerspecie, in een oppervlaktewaterlichaam.

  3. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.

Artikel 4.1289

  1. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1288, eerste of tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

  2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de mijnsteen of vermengde mijnsteen volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde mijnsteen of sterk verontreinigde vermengde mijnsteen moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

    1. de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en

    2. de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.

Artikel 4.1290

  1. Mijnsteen of vermengde mijnsteen mag in afwijking van artikel 4.1288, eerste en tweede lid, ook volgens het tweede, derde en vierde lid van dit artikel worden toegepast als sprake is van:

    1. het aanleggen van een weg of spoorweg, met uitzondering van een bijbehorende geluidswal, als bedoeld in artikel 4.1285, tweede lid, onder a, als ten minste 5.000 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen in een laagdikte van ten minste 0,5 m wordt toegepast;

    2. het aanleggen van een geluidswal, bouwwerk of dijk als bedoeld in artikel 4.1285, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast;

    3. het aanleggen van een werk als bedoeld in artikel 4.1285, tweede lid, onder e of f, waarin ten minste 5.000 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast; of

    4. het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk als bedoeld onder a tot en met c, die is aangelegd na 1 juli 2008.

  2. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, zesde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit «emissiearme mijnsteen» of de kwaliteit «emissiearme vermengde mijnsteen», en de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:

    1. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen;

    2. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, als het gaat om mijnsteen vermengd met grond; of

    3. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, als het gaat om mijnsteen vermengd met baggerspecie.

  3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:

    1. wordt op de toegepaste mijnsteen of vermengde mijnsteen, met uitzondering van mijnsteen of vermengde mijnsteen die in bermen en taluds wordt toegepast, een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; en

    2. worden in de bermen en taluds tot de dichtst bijgelegen fysieke afscheiding met een afstand van ten hoogste 10 m vanaf de rand van de verharding van de weg of het ballastbed van de spoorweg alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie.

  4. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b of c in samenhang met b, wordt op de toegepaste mijnsteen of vermengde mijnsteen:

    1. een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden;

    2. een afdeklaag van grond of baggerspecie aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m, waarin alleen grond of baggerspecie worden toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens artikel 4.1272, eerste of tweede lid, gelden voor:

      1. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem;

      2. het toepassen van grond of baggerspecie op de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld; of

    3. een afdeklaag van mijnsteen of vermengde mijnsteen aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m, waarin alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen worden toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens artikel 4.1288, eerste en tweede lid, gelden voor:

      1. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende landbodem; of

      2. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.

Artikel 4.1291

  1. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan het grootschalig toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1288, eerste en tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.

  2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de mijnsteen of vermengde mijnsteen volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede, derde of vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde mijnsteen of sterk verontreinigde vermengde mijnsteen moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:

    1. de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en

    2. de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.

Artikel 4.1292

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie waarin de volgende stoffen worden gestookt:

    1. aardgas;

    2. propaangas;

    3. butaangas;

    4. vergistingsgas;

    5. biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;

    6. lichte olie;

    7. halfzware olie;

    8. gasolie;

    9. rie-biomassa en pellets gemaakt uit rie-biomassa, als wordt gestookt in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW; of

    10. waterstof.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    1. stookinstallaties waarop paragraaf 4.3, 4.4 of 4.7 van toepassing is;

    2. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;

    3. in de chemische industrie gebruikte reactoren;

    4. windverhitters van hoogovens; en

    5. terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp.

  3. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

    1. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd; of

    2. het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld dat de afgassen van die stookinstallatie op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden afgevoerd en het bevoegd gezag in dat maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld welke stookinstallaties deel uitmaken van het samenstel van stookinstallaties.

  4. In deze paragraaf wordt onder ketel verstaan: stookinstallatie waarbij de opgewekte warmte wordt overgedragen aan water, stoom of een combinatie daarvan.

Artikel 4.1293

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.1292, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Een melding bevat:

    1. gegevens over het nominaal thermisch ingangsvermogen in megawatt van de stookinstallatie;

    2. gegevens over het type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter of andere stookinstallatie;

    3. gegevens over het type gebruikte brandstoffen, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, andere vaste brandstof, gasolie, andere vloeibare brandstoffen dan gasolie, aardgas, vergistingsgas, waterstof en andere gasvormige brandstoffen; en

    4. een verklaring dat de stookinstallatie ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf zal zijn, als het gaat om een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1299, tweede lid.

  3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

  5. Het tweede lid, onder d, en derde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW.

Artikel 4.1294

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste vier weken voor het begin van de activiteit geïnformeerd over:

    1. de 4-cijferige NACE-code van de bedrijfstak waarvan de stookinstallatie deel uitmaakt;

    2. het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens het gebruik; en

    3. het aandeel van de gebruikte brandstoffen, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, andere vaste brandstof, gasolie, andere vloeibare brandstoffen dan gasolie, aardgas, vergistingsgas, waterstof en andere gasvormige brandstoffen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW.

Artikel 4.1295

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1292, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof.

Artikel 4.1296

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift, gesteld na 1 januari 2024, worden de emissiegrenswaarden in deze paragraaf niet versoepeld voor stookinstallaties waarop voor die datum een emissiegrenswaarde van toepassing was.

Artikel 4.1297

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstof wordt een stookinstallatie die daarmee wordt gestookt gevuld en geleegd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1298

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt de periode van het opstarten of stilleggen van een stookinstallatie zo kort mogelijk gehouden.

Artikel 4.1299

  1. De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.1301 tot en met 4.1305, 4.1307 en 4.1308, gelden niet voor:

    1. een stookinstallatie die volgens de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die daarvoor geldt, wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken om de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxiden of totaal stof te verminderen;

    2. technische voorzieningen voor het zuiveren van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;

    3. een stookinstallatie waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;

    4. een stookinstallatie waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten om de omstandigheden op de arbeidsplaats te verbeteren; en

    5. een crematorium.

  2. De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.1302 tot en met 4.1305, 4.1307 en 4.1308, gelden ook niet voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, met uitzondering van een dieselmotor die wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net beschikbaar is en geen geplande bedrijfsnoodzakelijke test wordt verricht.

  3. Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie per jaar in bedrijf is, bedoeld in het tweede lid, wordt het aantal uren dat een stookinstallatie in bedrijf is:

    1. maandelijks geregistreerd; of

    2. halfjaarlijks geregistreerd, als de stookinstallatie ligt op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform.

  4. Bij tijdelijke of definitieve vervanging van een installatie als bedoeld in het tweede lid, is de totale gezamenlijke bedrijfstijd van de installaties in het jaar van vervanging niet meer dan 500 uur.

Artikel 4.1300

  1. De emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide, totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen worden omgerekend naar een volumegehalte aan zuurstof van:

    1. 15% in afgas, als het gaat om een dieselmotor, een gasturbine of een gasmotor;

    2. 6% in afgas, als het gaat om een stookinstallatie voor vaste brandstoffen; en

    3. 3% in afgas, als het gaat om een andere stookinstallatie.

  2. De emissies van stikstofoxiden worden berekend als stikstofdioxide.

  3. De emissies van onverbrande koolwaterstoffen worden berekend als koolstof.

Artikel 4.1301

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is en die wordt gestookt op een vaste brandstof, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 100 mg/Nm3.

Artikel 4.1302

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol is de emissiegrenswaarde van stikstofoxiden 80 mg/Nm3.

Artikel 4.1303

  1. Voor de emissie in de lucht van een ketel zijn de emissiegrenswaarden:

    1. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1303; en

    2. voor ammoniak:

      1. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en

      2. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.

  2. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van vloeibare brandstof in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als:

    1. het asgehalte van de brandstof in massaprocent lager is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde gedeeld door 800; en

    2. uit de keuring, bedoeld in artikel 4.1326, blijkt dat de concentratie van koolstofmonoxide in het rookgas lager is dan 100 mg/Nm3.

  3. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als de afgezogen stofemissies door een geschikt doekenfilter worden gevoerd.

  4. Aan het eerste lid wordt bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 0,5 MW in ieder geval voldaan als Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft (PbEU 2015, L 193/100) van toepassing is.

  5. Aan het eerste lid wordt bij verbranding van waterstof in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 400 kW of minder in ieder geval voldaan als Verordening (EU) van de Commissie van 2 augustus 2013 totuitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft (PbEU 2013 L 239/136) van toepassing is.

Artikel 4.1303a

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde voor ammoniak, bedoeld in artikel 4.1303, eerste lid, onder b, wordt verhoogd, bevat bij toepassing van:

  1. selectieve katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 10 mg/Nm3; en

  2. selectieve niet-katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 20 mg/Nm3.

Artikel 4.1304

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1304.

Tabel 4.1304 Emissiegrenswaarden gasturbine

Brandstof

Stikstofoxiden in mg/Nm 3

Zwaveldioxide in mg/Nm 3

Totaal stof in mg/Nm 3

Vloeibare brandstof

50

65

5

Aardgas

50

Waterstof

50

Andere gasvormige brandstof

50

15

Artikel 4.1305

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1305.

Tabel 4.1305 Emissiegrenswaarden dieselmotor

Nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm 3

Zwaveldioxide in mg/Nm 3

Totaal stof in mg/Nm 3

Ten hoogste 5 MW

150

65

20

Meer dan 5 MW

150

65

10

Artikel 4.1306

  1. Als een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift is gesteld voor 1 januari 2022 voor een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 600 kW op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform waarmee de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden is verhoogd tot meer dan 150 mg/Nm3, wordt elke 5 jaar een haalbaarheidsstudie over de vermindering van de emissies van stikstofoxiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

  2. De haalbaarheidsstudie gaat in op emissiebeperkende maatregelen en alternatieve technieken.

  3. Onder alternatieve technieken worden in ieder geval verstaan zonne-energie, windenergie, gasmotoren en gasturbines.

Artikel 4.1307

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1307.

Tabel 4.1307 Emissiegrenswaarden gasmotor

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm 3

Zwaveldioxide in mg/Nm 3

Onverbrande koolwaterstoffen in mg/Nm 3

Minder dan 2,5 MW, gestookt op aardgas

95

Minder dan 2,5 MW, gestookt op propaangas of butaangas

115

Ten minste 2,5 MW, tenzij het gaat om vergistingsgas of waterstof

35

500

Waterstof

35

Vergistingsgas

115

40

Artikel 4.1308

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW, anders dan een ketel, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1308.

Tabel 4.1308 Emissiegrenswaarden andere stookinstallatie

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm 3

Zwaveldioxide in mg/Nm 3

Totaal stof in mg/Nm 3

Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa

120

200

5

Rie-biomassa, voor zover de installatie een nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van ten hoogste 5 MW

275

200

20

Rie-biomassa, voor zover de installatie een nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van meer dan 5 MW

145

200

5

Vergistingsgas

80

100

Aardgas of waterstof

80

Propaangas, butaangas

140

Artikel 4.1309

Voor een stookinstallatie die ten hoogste zes maanden een stookinstallatie vervangt die buiten bedrijf is gesteld in verband met onderhoud, reparatie of definitieve vervanging en is afgekoppeld van de brandstoftoevoer of van het stoomnet of elektriciteitsnet waaraan zij levert, zijn de emissiegrenswaarden de waarden voor de stookinstallatie die buiten bedrijf is.

Artikel 4.1310

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in de artikelen 4.1301 tot en met 4.1305, 4.1307, 4.1308 en 4.1331 tot en met 4.1336 is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een periodieke meting of parallelmeting zijn de volgende normen van toepassing:

    1. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    2. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    3. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;

    4. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    5. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619; en

    6. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.

  3. Op het verrichten van een continue meting zijn de volgende normen van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en

    2. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181 en NVN-CEN TS 17198.

Artikel 4.1311

  1. Er wordt periodiek of continu gemeten of aan de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, zwaveldioxide, onverbrande koolwaterstoffen, ammoniak en totaal stof wordt voldaan.

  2. De emissieconcentratie van stikstofoxiden, zwaveldioxide, onverbrande koolwaterstoffen en totaal stof van een stookinstallatie:

    1. wordt continu gemeten als emissiereductietechnieken worden toegepast; of

    2. wordt periodiek gemeten als een logboek wordt bijgehouden waaruit blijkt dat de emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.

  3. De emissieconcentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1309 binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie periodiek gemeten.

  4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing:

    1. op het meten van totaal stof als een maatregel als bedoeld in artikel 4.1303, tweede en derde lid, wordt getroffen;

    2. op het meten van zwaveldioxide als aan de betreffende emissiegrenswaarde wordt voldaan door brandstof te stoken met een bekend zwavelgehalte bij een stookinstallatie die niet is uitgerust met apparatuur voor het verminderen van de emissie van zwaveldioxide; en

    3. op het meten van stikstofoxiden bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW als er een meetrapport van de leverancier beschikbaar is waaruit blijkt dat met de ketel aan de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden, bedoeld in artikel 4.1303, wordt voldaan, en in de ketel de rie-biomassa wordt gestookt waarop dat rapport betrekking heeft.

Artikel 4.1312

  1. Een meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1312.

  3. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW is voor totaal stof de meetonzekerheid niet meer dan 40% van de emissiegrenswaarde.

  4. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

  5. Een meting wordt verricht door:

    1. een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1310 van toepassing is op de stof die wordt gemeten; of

    2. een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling ten behoeve van het verrichten van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, afgegeven door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens die Deelregeling.

  6. Het vijfde lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op:

    1. de meting van ammoniak; en

    2. de meting van totaal stof bij stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer.

Artikel 4.1313

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  2. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1314

  1. Bij een stookinstallatie wordt gemeten:

    1. binnen vier weken nadat een emissiegrenswaarde van toepassing is geworden; of

    2. voorafgaand aan het van toepassing worden van een emissiegrenswaarde.

  2. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW wordt vervolgens elk jaar periodiek gemeten.

  3. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 20 MW wordt vervolgens elke drie jaar periodiek gemeten.

  4. Bij een gasturbine, een gasmotor of een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW wordt vervolgens elke vier jaar periodiek gemeten.

  5. Het tweede tot en met vierde lid is niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform wordt vervolgens elke vier jaar periodiek gemeten.

Artikel 4.1315

Als geen van de gevalideerde meetresultaten, bedoeld in artikel 4.1312, hoger is dan de desbetreffende emissiegrenswaarde, wordt aan die emissiegrenswaarde voldaan.

Artikel 4.1316

  1. Metingen zijn representatief voor normale bedrijfsvoering als het brandstofmengsel wordt gebruikt dat de hoogste emissie zal opleveren.

  2. Een meting bij een ketel wordt verricht bij een belasting van meer dan 60%. Een meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine wordt verricht bij de hoogste belasting, waarbij deze continu kan worden gebruikt.

  3. Een meting bij een gasturbine, met een ketel die daarbij hoort, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de ketel.

Artikel 4.1317

  1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

  2. Een parallelmeting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1310 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1318

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.1317.

  2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  3. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1319

  1. Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde daggemiddelden.

  2. Het gevalideerde daggemiddelde is het daggemiddelde, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1319.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

Artikel 4.1320

  1. Als bij een continue meting geen van de gevalideerde daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarden, wordt aan de emissiegrenswaarde voldaan.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid worden bij een continue meting niet meegerekend:

    1. meetuitkomsten, verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen; en

    2. meetuitkomsten, verkregen tijdens storingen.

Artikel 4.1321

  1. De continue metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

  2. Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.1322

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden die voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing zijn.

  2. Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.1323

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een stookinstallatie die als gevolg van een storing niet aan de emissiegrenswaarden kan voldoen uiterlijk 120 uren na het optreden van de storing in bedrijf blijven, met een maximum van 120 uren per kalenderjaar.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een stookinstallatie:

    1. op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform;

    2. waarvan de storing redelijkerwijs niet binnen 120 uur kan worden hersteld; en

    3. waarvan de storing binnen de termijn blijft die door het Staatstoezicht op de mijnen is gesteld.

  3. Tijdens een storing die samenhangt met de gestookte brandstof kan een vervangende brandstof worden gestookt en zijn de emissiegrenswaarden niet van toepassing.

  4. Bij een storing in de meetapparatuur worden geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie aangebracht die een significante toename van de emissie met zich mee kunnen brengen.

Artikel 4.1324

Het Staatstoezicht op de mijnen wordt ten hoogste 120 uur na een storing bij een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1323, tweede lid, schriftelijk geïnformeerd over de reden van de storing en van het niet tijdige herstel.

Artikel 4.1325

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd als niet aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan, over de oorzaak waarom daaraan niet wordt voldaan, en de maatregelen die worden getroffen om zo spoedig mogelijk weer aan de emissiegrenswaarden te voldoen.

Artikel 4.1326

  1. Met het oog op het beperken van emissies in de lucht, het veilig functioneren van de stookinstallatie en het zuinig gebruik van energie wordt:

    1. de afstelling van de verbranding gekeurd;

    2. het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht gekeurd;

    3. de afvoer van verbrandingsgassen gekeurd; en

    4. voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW het gehalte koolmonoxide, gemeten voor de afstelling van de verbranding, uitgedrukt in milligram per normaal kubieke meter, bij een zuurstofpercentage als bedoeld in artikel 4.1300, eerste lid.

  2. De meting van koolmonoxide, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt voor een stookinstallatie die in bedrijf is genomen voor 20 december 2018 vanaf:

    1. 1 januari 2024, als deze een nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van meer dan 5 MW; of

    2. 1 januari 2029, als deze een nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van ten hoogste 5 MW.

  3. Aan het eerste lid, onder d, wordt, voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, in ieder geval voldaan, als een meetrapport van de fabrikant beschikbaar is van een koolmonoxide-meting die is verricht aan de stookinstallatie of een stookinstallatie van hetzelfde merk en type, overeenkomstig de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder d.

  4. Een stookinstallatie wordt gekeurd binnen zes weken nadat deze in bedrijf is genomen of deze paragraaf daarop van toepassing is geworden.

  5. Een niet-gasgestookte stookinstallatie die meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is of een waterstofgestookte stookinstallatie wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd.

  6. Andere stookinstallaties dan bedoeld in het vijfde lid worden ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd.

  7. De keuring wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, afgegeven door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens die Deelregeling.

Artikel 4.1327

  1. Van de keuring, bedoeld in artikel 4.1326, wordt een verslag gemaakt.

  2. Het verslag voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW omvat:

    1. de naam en het adres van de gebruiker;

    2. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie van de stookinstallatie;

    3. een unieke identificatie van de stookinstallatie;

    4. gegevens over het nominaal thermisch ingangsvermogen in megawatt van de stookinstallatie;

    5. gegevens over het type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter of andere stookinstallatie;

    6. gegevens over het type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, pellets gemaakt uit rie-biomassa, andere vaste brandstof, gasolie, dieselolie, huisbrandolie, biodiesel, andere vloeibare brandstoffen, aardgas, propaangas, butaangas, vergistingsgas, waterstof en andere gasvormige brandstoffen;

    7. de datum waarop de stookinstallatie in bedrijf is genomen;

    8. het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens het gebruik;

    9. de 4-cijferige NACE-code van de bedrijfstak waarvan de stookinstallatie deel uitmaakt;

    10. de datum en meetresultaten van de laatst verrichte emissiemetingen en de tijdens de keuring gemeten koolmonoxide- en zuurstofconcentratie;

    11. een verklaring dat de stookinstallatie niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, als het gaat om een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1299, tweede lid; en

    12. wijzigingen aan de stookinstallatie of in de bedrijfsvoering die hebben geleid tot een verandering van de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.1328

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht, het waarborgen van de veiligheid en het zuinig gebruik van energie wordt de stookinstallatie binnen twee weken na de keuring onderhouden, als uit de keuring, bedoeld in artikel 4.1327, blijkt dat de stookinstallatie onderhoud nodig heeft.

Artikel 4.1329

  1. Als een stookinstallatie bij de keuring of na het onderhoud, bedoeld in artikel 4.1328, voldoet aan de eisen voor veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid, wordt deze afgemeld in het afmeldsysteem van de Stichting Scios.

  2. De afmelding bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.1327, tweede lid.

Artikel 4.1330

De volgende gegevens worden ten minste zes jaar bij de stookinstallatie bewaard:

  1. de registratie van het aantal draaiuren, bedoeld in artikel 4.1299, derde lid;

  2. de resultaten van de laatst verrichte metingen en andere gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden;

  3. een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen;

  4. een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur;

  5. een overzicht van de gevallen van niet-voldoen aan de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen;

  6. het verslag van de keuring, bedoeld in artikel 4.1327; en

  7. een bewijs van uitvoering van het onderhoud met daarop de datum van het onderhoud, bedoeld in artikel 4.1328.

Artikel 4.1331

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is en die wordt gestookt op een vaste brandstof, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 200 mg/Nm3, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1332

Tabel 4.1332 Overgangsrecht emissiegrenswaarden rie-biomassa gestookte ketel

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van minder dan 1 MW

300

200

40

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 1 en minder dan 5 MW

275

200

20

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa, gestookt in een ketel van ten minste 5 MW

145

200

5

  1. Voor de emissie in de lucht van een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 200 mg/Nm3, als de ketel voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Voor de emissie in de lucht van een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 170 mg/Nm3, als de ketel voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  3. Voor de emissie in de lucht van een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in bedrijf is genomen zijn de emissiegrenswaarden de waarden die volgens het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden golden of de emissiegrenswaarden die bij maatwerkvoorschrift zijn gesteld, tot het tijdstip waarop:

    1. de branders zijn vervangen;

    2. wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw van de ketel overeenkomen; of

    3. een wijziging wordt doorgevoerd, die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in het eerste lid, met meer dan 10%.

  4. Voor de emissie in de lucht van een ketel gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa die in bedrijf is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof:

    1. 75 mg/Nm3 voor ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 0,5 MW en minder dan 1 MW; en

    2. 150 mg/Nm3 voor ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 0,5 MW.

  5. De emissiegrenswaarden in tabel 4.1332 zijn van toepassing:

    1. op ketels als bedoeld in het derde en vierde lid vanaf 1 januari 2027; en

    2. op overige ketels gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa vanaf 0,5 MW die voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf zijn genomen.

Artikel 4.1332a

Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW hoeft niet periodiek of continu te worden gemeten op totaal stof, als de stookinstallatie voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf is genomen en een meetrapport van de leverancier beschikbaar is, waaruit blijkt dat met een filter aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1303, wordt voldaan.

Artikel 4.1333

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine is de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden 75 mg/Nm3 voor een gasturbine op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform, als de gasturbine voor 1 april 2010 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1334

  1. Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW is tot 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de dieselmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW en ten hoogste 20 MW is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de dieselmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1335

  1. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 2,5 MW is tot 1 januari 2030 de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden 115 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op vergistingsgas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  3. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 60 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  4. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2030 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 60 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1336

  1. Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW, anders dan een ketel, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, zijn tot 1 januari 2025 de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1308, niet van toepassing, als de andere stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een ketel, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, zijn tot 1 januari 2030 de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1308, niet van toepassing, als de andere stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  3. Op een stookinstallatie gestookt op vergistingsgas die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide:

    1. 170 mg/Nm3 voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW; en

    2. 200 mg/Nm3 voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW of ten hoogste 5 MW.

Artikel 4.1337

  1. Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 1 januari 2025 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 2030 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  3. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW kan tot 1 januari 2025 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  4. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW kan tot 1 januari 2030 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen en die ligt op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform.

Artikel 4.1338

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW, met uitzondering van:

    1. stookinstallaties waarop paragraaf 4.3, 4.4, 4.7 of 4.126 van toepassing is;

    2. stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;

    3. stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten om de omstandigheden op de arbeidsplaats te verbeteren;

    4. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;

    5. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;

    6. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;

    7. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;

    8. in de chemische industrie gebruikte reactoren;

    9. cokesovens;

    10. windverhitters van hoogovens;

    11. crematoria;

    12. stookinstallaties die raffinaderijbrandstof eventueel gemengd met andere brandstof gebruiken voor het opwekken van energie binnen olieraffinaderijen en gasraffinaderijen;

    13. terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp; of

    14. stookinstallaties die volgens een eerder verleende omgevingsvergunning worden gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken om de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxiden of totaal stof te verminderen.

  2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

    1. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd; of

    2. het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld dat de afgassen van die stookinstallatie op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden afgevoerd en het bevoegd gezag in dat maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld welke stookinstallaties deel uitmaken van het samenstel van stookinstallaties.

  3. In deze paragraaf wordt onder ketel verstaan: stookinstallatie waarbij de opgewekte warmte wordt overgedragen aan water, stoom of een combinatie daarvan.

Artikel 4.1339

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1338, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof; en

  2. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof.

Artikel 4.1340

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift, gesteld na 1 januari 2024, worden de emissiegrenswaarden in deze paragraaf niet versoepeld voor stookinstallaties waarop voor die datum een emissiegrenswaarde van toepassing was.

Artikel 4.1341

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vloeibare brandstof wordt een stookinstallatie die daarmee wordt gestookt, gevuld en geleegd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 4.1342

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt de periode van het opstarten of stilleggen van een stookinstallatie zo kort mogelijk gehouden.

Artikel 4.1343

  1. De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.1346 tot en met 4.1350, gelden niet voor een stookinstallatie die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is, met uitzondering van een dieselmotor die wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net beschikbaar is en geen geplande bedrijfsnoodzakelijke test wordt verricht.

  2. Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie per jaar in bedrijf is wordt het aantal uren dat een stookinstallatie in bedrijf is:

    1. maandelijks geregistreerd; of

    2. halfjaarlijks geregistreerd, als de stookinstallatie ligt op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform.

Artikel 4.1344

  1. Ten minste vier weken voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, bedoeld in artikel 4.1343, wordt een verklaring verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, dat de stookinstallatie ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf zal zijn.

  2. Als een verklaring is verstrekt en het aantal bedrijfsuren in een kalenderjaar de grens van 500 uur overschrijdt, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd en komt de verklaring te vervallen.

Artikel 4.1345

  1. De emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof worden omgerekend naar een volumegehalte aan zuurstof van:

    1. 15% in afgas, als het gaat om een dieselmotor, een gasturbine of een gasmotor;

    2. 6% in afgas, als het gaat om een stookinstallatie voor vaste brandstoffen; en

    3. 3% in afgas, als het gaat om een andere stookinstallatie.

  2. De emissies van stikstofoxiden worden berekend als stikstofdioxide.

Artikel 4.1346

Voor de emissie in de lucht van een gasturbine zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1346.

Tabel 4.1346 Emissiegrenswaarden gasturbine

Brandstof

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Vloeibare brandstof

50

65

10

Gasvormige brandstof

50

15

Artikel 4.1347

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1347.

Tabel 4.1347 Emissiegrenswaarden dieselmotor

Nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Ten hoogste 5 MW

150

65

20

Meer dan 5 MW

150

65

10

Artikel 4.1348

Voor de emissie in de lucht van een gasmotor zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.1348.

Tabel 4.1348 Emissiegrenswaarden gasmotor

Nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Minder dan 2,5 MW

115

15

Ten minste 2,5 MW

35

15

Artikel 4.1349

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie, anders dan een gasturbine of zuigermotor, zijn de emissiegrenswaarden:

  1. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1349; en

  2. voor ammoniak, voor zover een ketel in gebruik is genomen na de inwerkingtreding van dit besluit en wordt gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa:

    1. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en

    2. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.

Tabel 4.1349 Emissiegrenswaarden stookinstallatie anders dan gasturbine of zuigermotor

Brandstof

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Vaste brandstof, met uitzondering van rie-biomassa

100

200

5

Vloeibare brandstof, met uitzondering van rie-biomassa

120

200

5

Rie-biomassa

100

60

5

Gasvormige brandstof, anders dan cokesovengas of hoogovengas

70

35

Cokesovengas

100

35

Hoogovengas

100

35

Artikel 4.1349a

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde voor ammoniak, bedoeld in artikel 4.1349, eerste lid, onder b, wordt verhoogd, bevat bij toepassing van:

  1. selectieve katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 10 mg/Nm3; en

  2. selectieve niet-katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 20 mg/Nm3.

Artikel 4.1350

Voor de emissie in de lucht van een ketel die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is die wordt gestookt op een vaste brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 100 mg/Nm3.

Artikel 4.1351

Voor een stookinstallatie die ten hoogste zes maanden een stookinstallatie vervangt die buiten bedrijf is gesteld in verband met onderhoud, reparatie of definitieve vervanging en is afgekoppeld van de brandstoftoevoer of van het stoomnet of elektriciteitsnet waaraan zij levert, zijn de emissiegrenswaarden de waarden voor de stookinstallatie die buiten bedrijf is.

Artikel 4.1352

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in de artikelen 4.1346 tot en met 4.1350 en 4.1370 tot en met 4.1374, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een periodieke meting of parallelmeting zijn de volgende normen van toepassing:

    1. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    2. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    3. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;

    4. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791; en

    5. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.

  3. Op het verrichten van een continue meting zijn de volgende normen van toepassing:

    1. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en

    2. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181 en NVN-CEN TS 17198.

Artikel 4.1353

  1. Er wordt periodiek of continu gemeten of aan de emissiegrenswaarden van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof wordt voldaan.

  2. De emissieconcentratie van stikstofoxiden, zwaveldioxide, ammoniak en totaal stof van een stookinstallatie wordt continu gemeten als emissiereductietechnieken worden toegepast.

  3. In afwijking van het tweede lid kan periodiek worden gemeten als een logboek wordt bijgehouden waaruit blijkt dat de emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.

  4. De emissieconcentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1351 binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie periodiek gemeten.

  5. De meting van zwaveldioxide is niet verplicht als aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan door brandstof te stoken met een bekend zwavelgehalte bij een stookinstallatie die niet is uitgerust met apparatuur voor het verminderen van de emissie van zwaveldioxide.

Artikel 4.1354

  1. Een periodieke meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1354.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

  4. Een periodieke meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1352 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1355

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  2. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1356

  1. Bij een stookinstallatie wordt periodiek gemeten:

    1. binnen vier weken nadat een emissiegrenswaarde van toepassing is; of

    2. voorafgaand aan het van toepassing worden van een emissiegrenswaarde.

  2. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW wordt elk jaar periodiek gemeten.

  3. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 20 MW wordt elke drie jaar periodiek gemeten.

  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform wordt elke vier jaar periodiek gemeten.

Artikel 4.1357

Als geen van de gevalideerde meetresultaten, bedoeld in artikel 4.1354, hoger is dan de desbetreffende emissiegrenswaarde, wordt aan die emissiegrenswaarde voldaan.

Artikel 4.1358

  1. Periodieke metingen zijn representatief voor normale bedrijfsvoering als het brandstofmengsel wordt gebruikt dat de hoogste emissie zal opleveren.

  2. Een periodieke meting bij een ketel wordt verricht bij een belasting van meer dan 60%. Een eenmalige meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine wordt verricht bij de hoogste belasting waarbij deze continu kan worden gebruikt.

  3. Een periodieke meting bij een gasturbine, met een ketel die daarbij hoort, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de ketel.

Artikel 4.1359

  1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

  2. Een parallelmeting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1352 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.1360

  1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.1359.

  2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  3. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.1361

  1. Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde daggemiddelden.

  2. Het gevalideerde daggemiddelde is het daggemiddelde verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid. De aangetoonde meetonzekerheid is niet meer dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1361.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.

Artikel 4.1362

  1. Als bij een continue meting geen van de gevalideerde daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarden, wordt aan de emissiegrenswaarde voldaan.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid worden bij een continue meting niet meegerekend:

    1. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen; en

    2. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens storingen.

Artikel 4.1363

  1. De metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

  2. Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.1364

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing.

  2. Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.1365

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een stookinstallatie die als gevolg van een storing niet aan de emissiegrenswaarden kan voldoen uiterlijk 120 uren na het optreden van de storing in bedrijf blijven, met een maximum van 120 uren per kalenderjaar.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een stookinstallatie:

    1. op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform;

    2. waarvan de storing redelijkerwijs niet binnen 120 uren kan worden hersteld; en

    3. waarvan de storing binnen de termijn blijft die is gesteld door het Staatstoezicht op de mijnen.

  3. Tijdens een storing die samenhangt met de brandstof die wordt gestookt kan een vervangende brandstof worden gestookt en zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing.

  4. Bij een storing in de meetapparatuur worden geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie aangebracht die een significante toename van de emissie met zich mee kunnen brengen.

Artikel 4.1366

Het Staatstoezicht op de mijnen wordt ten hoogste 120 uur na een storing bij een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1365, tweede lid, schriftelijk geïnformeerd over de reden van de storing en van het niet-tijdige herstel.

Artikel 4.1367

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd als niet aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan, over de oorzaak dat niet wordt voldaan, en de maatregelen die worden getroffen om zo spoedig mogelijk weer aan de emissiegrenswaarden te voldoen.

Artikel 4.1368

De volgende gegevens worden ten minste zes jaar bij de stookinstallatie bewaard:

  1. de registratie van het aantal draaiuren, bedoeld in artikel 4.1343, tweede lid;

  2. de resultaten van de laatst verrichte metingen en andere gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden;

  3. een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen;

  4. een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur; en

  5. een overzicht van de gevallen van niet-voldoen aan de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen.

Artikel 4.1369

  1. Als een stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen, zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in deze paragraaf, van toepassing vanaf:

    1. 1 januari 2030, voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW; en

    2. 1 januari 2025, voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op glycolfornuizen.

Artikel 4.1370

  1. Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op cokesovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 130 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op hoogovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  3. Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op vloeibare brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1371

Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 20 MW is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm3, als de dieselmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1372

  1. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op cokesovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 130 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op hoogovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1373

Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine of zuigermotor die wordt gestookt op gasvormige brandstof anders dan cokesovengas, is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 200 mg/Nm3, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1374

Voor de emissie in de lucht van een ketel die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf is met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW die wordt gestookt op een vaste brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 200 mg/Nm3, als de ketel voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

Artikel 4.1374a

Voor een stookinstallatie, anders dan een gasturbine of zuigermotor, die wordt gestookt op rie-biomassa en die voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf was, zijn de emissiegrenswaarden voor de emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1374a.

Tabel 4.1374a Overgangsrecht emissiegrenswaarden rie-biomassa gestookte installatie

Brandstof/nominaal thermisch ingangsvermogen

Stikstofoxiden in mg/Nm3

Zwaveldioxide in mg/Nm3

Totaal stof in mg/Nm3

Rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa

145

200

5

Artikel 4.1375

  1. Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 1 januari 2025 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  2. Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 2030 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  3. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW kan tot 1 januari 2025 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  4. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW kan tot 1 januari 2030 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving