Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 4.14

Schoonbranden van metalen

Artikel 4.233

Deze paragraaf is van toepassing op het schoonbranden van metalen.

Artikel 4.234

  1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.233, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 4.235

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van het nabehandelen van de emissie die vrijkomt bij het schoonbranden van metalen in een gaswasser niet geloosd.

Artikel 4.236

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 4.237

Met het oog op het voorkomen van emissies in de lucht worden lood, geïsoleerde kabels, oliegekoelde transformatoren en metaaloppervlakken die zijn verontreinigd met halogeenverbindingen niet schoongebrand.

Artikel 4.238

Met het oog op het voorkomen van emissies in de lucht worden metalen voorafgaand aan het schoonbranden vrijgemaakt van materialen die op andere wijze dan door schoonbranden kunnen worden verwijderd.

Artikel 4.239

  1. Voor de emissie in de lucht bij het schoonbranden van metalen zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.239, gemeten in een eenmalige meting.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.239, niet overschrijdt.

Artikel 4.240

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een elektrische oven wordt gebruikt en de hieruit afgezogen dampen via condensatie of absorptie worden behandeld en teruggeleid naar de oven zonder dat een emissie in de lucht optreedt.

Artikel 4.241

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een gasgestookte oven wordt gebruikt met een capaciteit voor het reinigen van producten van minder dan 5 ton, en:

  1. de rookgassen uit de gasgestookte oven worden geleid door een geschikte naverbrander, die zo is ingeregeld dat:

    1. de temperatuur tot het einde van de cyclus ten minste 850 °C is;

    2. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;

    3. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en

    4. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;

  2. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de gasgestookte oven kunnen worden afgevoerd; en

  3. het temperatuurverloop van de gasgestookte oven en de naverbrander continu wordt geregistreerd.

Artikel 4.242

Aan artikel 4.239, eerste lid, wordt in ieder geval voldaan als een gasgestookte oven wordt gebruikt met een capaciteit voor het reinigen van producten van ten minste 5 ton en:

  1. de rookgassen uit de gasgestookte oven worden geleid door een geschikte naverbrander, die zo is ingeregeld dat:

    1. tot het einde van de cyclus de temperatuur ten minste 850 °C is;

    2. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;

    3. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en

    4. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;

  2. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de gasgestookte oven kunnen worden afgevoerd;

  3. het zuurstofpercentage in de rookgassen na de naverbrander ten minste 6% is;

  4. via beveiligingen is geborgd dat het schoonbranden niet kan starten als de naverbrander niet werkt en dat de naverbrander niet kan worden uitgeschakeld als de oven in bedrijf is;

  5. de maximale belading van de gasgestookte oven is vastgesteld en niet kan worden overschreden;

  6. de nabrandtijd van de naverbrander vast staat ingesteld op de waarde die in een controlemeting bij de maximale belading is vastgesteld en voldoende is om bij maximale belading alle dampen te verbranden;

  7. het temperatuurverloop van de gasgestookte oven en de naverbrander continu wordt geregistreerd; en

  8. het zuurstofgehalte en het koolmonoxidegehalte van de rookgassen continu worden gemeten en geregistreerd.

Artikel 4.243

  1. Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.239, is NEN-EN 15259 van toepassing.

  2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:

    1. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;

    2. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    3. voor zware metalen: NEN-EN 14385;

    4. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    5. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;

    6. voor vocht: NEN-EN 14790; en

    7. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

Artikel 4.244

  1. Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.239, wordt voldaan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.240, 4.241 of 4.242 wordt getroffen.

Artikel 4.245

  1. Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

  2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.245.

  3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.243 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving