Eisen

Wijze van Keuren

1.

Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van:

Leden 1 en 2: visuele controle.

a. twee grote lichten;

b. twee dimlichten;

c. twee stadslichten;

d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van driewielige motorrijtuigen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;

e. twee achterlichten;

f. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;

g. een achterkentekenplaatverlichting;

h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.

2.

De in het eerste lid, onderdelen d en f, bedoelde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer.

3.

Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van:

Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.

a. één groot licht;

b. één dimlicht;

c. één stadslicht

d. één achterlicht;

e. één remlicht;

f. één rode retroreflector.