Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 9

Carrosserie

Artikel 5.4.41

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Windschermen en stroomlijnkappen van motorfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren.

Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de handels van de koppeling en reminrichting worden bediend.

2.

Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd.

Visuele controle.

Artikel 5.4.45

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.

Leden 1 tot en met 4: visuele controle.

2.

Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 2003, moeten zijn voorzien van:

a. een linkerbuitenspiegel, en

b. een rechterbuitenspiegel indien de maximumsnelheid van het voertuig 100 km/h of meer kan bedragen en het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen.

3.

De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.

4.

Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.

5.

In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels bij motorfietsen met een gedeeltelijk gesloten carrosserie zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn.

Visuele controle

Artikel 5.4.46

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De zitplaats of zitplaatsen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

Voetsteunen moeten deugdelijk zijn bevestigd.

Artikel 5.4.48

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Motorfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

De wielen onderscheidenlijk banden van motorfietsen mogen niet aanlopen.

3.

Geen deel aan de buitenzijde van een motorfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

← terug naar Regeling voertuigen