Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 3

Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.5.9

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.

2.

Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen.

– Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor.

– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen.

– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.

3.

De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.

Visuele controle.

Artikel 5.5.10

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.

2.

De LPG-tank:

a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;

b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en

c. mag geen deuken vertonen.

Leden 2 tot en met 8: visuele controle.

3.

De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.

4.

De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.

5.

Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.

6.

Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water.

7.

De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

8.

De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.

Artikel 5.5.10a

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.

2.

De CNG- of LNG-tank:

a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en

b. mag geen deuken vertonen.

Leden 2 tot en met 4: visuele controle.

3.

De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.

4.

De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.

5.

De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

6.

Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.

Leden 6 tot en met 10: visuele controle.

7.

De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

8.

De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.

9.

De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.

10.

De vulaansluiting moet:

a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment;

b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.

Artikel 5.5.10b

Eisen

Wijze van keuren

1.

Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.

2.

De waterstoftank mag geen deuken vertonen.

Leden 2 tot en met 4: visuele controle.

3.

De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.

4.

De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.

5.

De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

6.

De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

Leden 6 tot en met 10: visuele controle.

7.

De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.

8.

De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.

9.

De vulaansluiting moet:

a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig;

b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.

10.

Driewielige motorrijtuigen voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:

Bijlage 258585

Artikel 5.5.11

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.

Visuele en auditieve controle.

2.

Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.

Visuele controle.

3.

Driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33 tot en met 35, van toepassing.

Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.

4.

Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.

Artikel 5.5.11a

Eisen

Wijze van keuren

Onderdelen van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen.

Visuele controle.

Artikel 5.5.12

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De accu van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

De elektrische bedrading van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

Artikel 5.5.12a

Eisen

Wijze van Keuren

De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische driewielige motorrijtuigen:

a. moeten deugdelijk zijn;

b. moeten deugdelijk zijn bevestigd;

c. mogen niet zijn beschadigd;

d. mogen geen lekkage vertonen;

e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset;

f. moeten goed zijn geïsoleerd.

Visuele controle.

Artikel 5.5.13

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

← terug naar Regeling voertuigen