Eisen | Wijze van keuren |
Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van: a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h heeft; b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; d. twee remlichten; e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig aan de achterzijde niet is voorzien van een kentekenplaat; k. zijmarkeringslichten indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft met de voertuigclassificatie R3 of R4, die langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. | Onderdeel a: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen b tot en met h: visuele controle. Onderdeel i: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen j en k: visuele controle. |
Regeling voertuigen Laatste controle 18-04-2026, laatste wijziging 05-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Afdeling 3 Aanwijzing van een technische dienst
§ 1 Eisen voor de aanwijzing
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
§ 13 Aanvullende eisen taxi’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 3a Bussen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 4 Motorfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6 Bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7a Mobiele machines
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Brandstofsystemen en milieu
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 1.1 Algemeen
§ 1.2 Technische eisen
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 7.1 Algemeen
§ 7.2 Technische eisen
§ 7.2.1 Controle-inrichting
§ 7.2.2 De maximale fout
§ 7.2.3 Uitvoering
§ 7.2.4 Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2.5 Aanwijsinrichting
§ 7.2.6 Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 7.2.7 Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 7.2.8 Registratie-inrichting
§ 7.2.9 Overgangsmaatregelen
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Hoofdstuk 1 Voertuigeisen
Titel 3 Motor en brandstofsystemen
Afdeling 3 Emissie
§ 4 Deeltjes
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
§ 10
Artikel 5.14.53
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De richtingaanwijzers en remlichten mogen niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen. | |
5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen. |
Artikel 5.14.55
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
6. | De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
7. | De in artikel 5.14.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.14.57
Eisen | Wijze van keuren |
Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van: a. twee stadslichten, indien deze verlichting niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, verplicht is; b. twee extra achterlichten; c. één of twee extra remlichten; d. één of twee achteruitrijlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; h. extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; l. zijmarkeringslichten; m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig; n. twee staaklichten; o. werklichten; p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; q. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021; r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.57a
Eisen | Wijze van keuren |
Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.59
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
3. | De extra richtingaanwijzers en de waarschuwingslichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
4. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
5. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
6. | De remlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
7. | De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. | |
8. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.14.59a
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De in artikel 5.14.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.14.61
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
2. | In afwijking van het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
3. | Het eerste lid is niet van toepassing op de achteruitrijlichten, remlichten, achterkentekenplaatverlichting, rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten. | – |
Artikel 5.14.64
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
3. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. |
Artikel 5.14.65
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51, 5.14.57 en 5.14.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |