Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 9

Deeltjestellers

Artikel 8.4.77

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. automatische controle-inrichting: controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;

  2. automatische justeerinrichting: voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;

  3. controle-inrichting: voorziening, ingebouwd in een instrument, die het mogelijk maakt om significante fouten vast te stellen en daarop te reageren. Onder ‘reageren op’ wordt hier elke duidelijke reactie van het instrument verstaan, zoals een waarschuwingslamp, een geluidssignaal of het afbreken van de meting;

  4. deeltje: vast deeltje met mobility diameter tussen 23 and 200 nm;

  5. deeltjesteller: meetmiddel voor het bepalen van het aantal deeltjes per volume (concentratie);

  6. (elektrische) mobility diameter: diameter van een deeltje indien gemeten in een elektrisch veld (deeltjesgrootte);

  7. filter: voorziening die bepaalde bestanddelen uit het uitlaatgasmonster verwijdert;

  8. gasbehandelingssysteem: alle delen van het instrument, van de sonde tot de afvoer van de gasmonsters, waardoor het monster van het uitlaatgas wordt gepompt;

  9. HEPA filter: voorziening die deeltjes uit de lucht verwijdert (HEPA staat voor High Efficiency Particulate Air);

  10. interne justeerinrichting: voorziening om het instrument af te regelen op een vastgestelde waarde zonder gebruik te maken van een referentie PN-monster;

  11. justeerinrichting met referentie PN-monster: voorziening om het instrument af te regelen op de waarde van een referentie PN-monster;

  12. nulstelinrichting: voorziening om de aanwijzing van het instrument op nul in te stellen;

  13. opwarmtijd: tijd die verstrijkt tussen het moment dat het instrument onder spanning wordt gebracht en het moment waarop het instrument kan voldoen aan de metrologische eisen;

  14. PN-monster: gasmengsel bestaande uit deeltjes met bepaalde mobility diameters;

  15. referentie PN-monster: gasmengsel van voldoende stabiliteit en bekende samenstelling;

  16. referentie-omstandigheden: gebruiksomstandigheden, voorgeschreven voor het onderzoek naar de prestaties van een instrument, of voor de vergelijking van meetresultaten;

  17. responsietijd: tijdsinterval tussen het moment waarop het instrument wordt onderworpen aan een voorgeschreven plotselinge verandering in de samenstelling van een PN-monster en het moment dat de aanwijzing binnen voorgeschreven grenzen overeenkomt met de uiteindelijke stabiele waarde;

  18. semi-automatische justeerinrichting: voorziening die de gebruiker in staat stelt een justering van het instrument te starten zonder daarbij de mogelijkheid te hebben de grootte van de justering te beïnvloeden, ongeacht of de justering automatisch wordt vereist. Bij die instrumenten waarbij de waarden van het referentie PN-monster met de hand in het instrument moeten worden ingevoerd, wordt deze voorziening geacht semi-automatisch te zijn;

  19. sonde: deel van het gasbehandelingssysteem dat in de uitlaat van een voertuig wordt geschoven voor het nemen van gasmonsters.

Artikel 8.4.78

De handleiding behorende bij de deeltjesteller bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:

  1. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;

  2. een beschrijving van de procedure voor de lektest;

  3. de maximale en minimale opslagtemperatuur;

  4. een opgave van de gebruiksomstandigheden;

  5. indien van toepassing, de specificaties van de batterij.

Artikel 8.4.79

De deeltjesteller is, naast de in artikel 8.3.5, eerste lid, vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft.

Artikel 8.4.80

Het aantal deeltjes per volume wordt uitgedrukt als aantal deeltjes per cm3 voor deeltjes met gespecificeerde maten, bijvoorbeeld ‘#/cm3’.

Artikel 8.4.81

De afleeseenheid mag niet meer bedragen dan 1.000 deeltjes/cm3.

Artikel 8.4.82

Het minimum meetbereik, dat onderverdeeld mag worden, bedraagt 5.000 tot 5.000.000 deeltjes/cm3. Overschrijding van het meetbereik wordt (visueel) aangegeven door het instrument.

Artikel 8.4.83

Soort fout

Maximale fout *

[deeltjes/cm3]

Absoluut

25.000

Relatief

± 25% van de werkelijke waarde

* Absoluut of relatief, de grootste van de waarden

Artikel 8.4.84

  1. De maximale fouten, bedoeld in artikel 8.4.83, wordt onder de volgende condities, bij een deeltjesgrootte van 80 nm +/- 5% tenzij anders aangegeven, niet overschreden:

    1. de gebruiksomstandigheden, bedoeld in artikel 8.3.4, vierde lid;

    2. relatieve luchtvochtigheid: tot 95% R.V.;

    3. atmosferische druk: (860 – 1.060) hPa.

  2. De detectie efficiëntie gerelateerd aan de deeltjesgrootte is:

  3. De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de absolute maximale fout of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:

    1. de invloeden, bedoeld in artikel 8.3.9;

    2. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val op elk hoekpunt op een vast oppervlak voor vast opgestelde instrumenten van 50 mm en voor handinstrumenten van 1 m;

    3. vibraties van 10 tot 150 Hz, 1,6 ms-2, 0,05 m2s-3, -3 dB/octaaf.

  4. Bij de meting van deeltjesconcentratie wijst een instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor gasbehandeling, bij onderzoek met referentie PN-monsters, binnen 15 seconden 95% van de uiteindelijke waarde aan na verandering van omgevingslucht (responsietijd). Het instrument mag voorzien zijn van een registratie inrichting om deze eis te controleren.

  5. Na de opwarmtijd voldoet het instrument aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. Het instrument voorkomt een aanwijzing van deeltjesconcentratie gedurende de opwarmtijd.

  6. Bij normaal gebruik van het instrument mogen de meetresultaten, na justering met een referentie PN-monster of de interne justeerinrichting, de maximale fouten gedurende ten minste twaalf uur niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt gemaakt van een referentie PN-monster of interne justering door de gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor driftcompensatie, zoals een automatische nulstelling of een automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een meting van een externe deeltjesconcentratie.

  7. Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd twintig opeenvolgende metingen aan hetzelfde referentie PN-monster worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze twintig resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximale fout.

Artikel 8.4.85

  1. Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.

  2. De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.

  3. Het instrument bevat:

    1. een voorziening die voorkomt dat water in het gasbehandelingssysteem en metende componenten condenseert; of,

    2. een voorziening die een alarm geeft en voorkomt dat een meetresultaat weergegeven wordt.

  4. Indien een referentie PN-monster nodig is vanwege het meet principe, is een simpele voorziening om een monster te verzorgen bij het instrument beschikbaar.

  5. De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:

    1. is zodanig gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;

    2. kan onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een uitgeschakelde pomp.

  6. Het instrument bevat een inrichting die aangeeft wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:

    1. de responsietijd wordt overschreden, of

    2. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout.

    Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.

  7. Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout;

    Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.

    Een schone lucht test procedure met voldoende nauwkeurigheid (bijvoorbeeld HEPA filter met 99,97% efficiëntie) om dit lek te detecteren is beschreven in de handleiding.

  8. Het instrument bevat een inrichting die minimaal bij eerste gebruik per etmaal een automatische nulstelling of nulstelling-procedure uitvoert. Deze inrichting mag gecombineerd zijn met de schone-lucht-test-procedure in het zevende lid.

  9. Het instrument heeft een registratiefrequentie gelijk aan of groter dan 1 Hz.

  10. De registratietijd bedraagt in totaal minimaal 15 seconden en mag worden opgedeeld in perioden.

Artikel 8.4.86

  1. Het instrument is volgens goed vakmanschap ontworpen om te verzekeren dat deeltjesconcentratie reductie factoren stabiel zijn gedurende een voertuig test.

  2. Het instrument heeft meer dan 95 procent verwijderingseffectiviteit van 30 nm Tetracontaan (C40H82) deeltjes bij een concentratie van 5.000 tot 10.000 per cm3.

Artikel 8.4.86a

  1. De programmatuur van de deeltjesteller moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het tweede en derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.

  2. Voor aanvang van een meting moeten de volgende gegevens worden ingevoerd:

    1. kenteken van het voertuig;

    2. grenswaarde voor voertuig;

  3. Nadat de sonde in de uitlaat is aangebracht, worden achtereenvolgens de volgende stappen van de roetfiltertest doorlopen:

    1. een periode van 15 seconden stabiliseren met stationair draaiende motor;

    2. gedurende de registratietijd meten en vervolgens presenteren van de meetwaarde van de meting, gebaseerd op het gemiddelde over de registratietijd;

    3. indien de metingwaarde kleiner is dan of gelijk is aan de grenswaarde: presenteren dat de test is gehaald;

    4. indien de metingwaarde groter is dan de grenswaarde: presenteren dat de test niet is gehaald.

  4. Indien nadat de sonde in de uitlaat wordt gebracht, de gemeten waarde direct oploopt tot meer dan tweemaal de grenswaarde, mag de meetprocedure worden afgebroken en is de test niet gehaald.

Artikel 8.4.87

  1. Indien de detectie van verstoringen als bedoeld in artikel 8.4.84, derde lid plaatsvindt met automatische controle-inrichtingen, moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.

  2. Het instrument is voorzien van een automatische controle-inrichting die zodanig functioneert dat, voordat een meting kan worden aangewezen of afgedrukt, alle interen justeringen, referentie PN-monster justering en alle andere controle-inrichting parameters zijn gewaarborgd voor de juiste waarde of status (dat is binnen de grenswaarden).

Artikel 8.4.88

  1. Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering, vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting.

  2. Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.

  3. Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.

← terug naar Regeling voertuigen