Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
Regeling voertuigen Laatste controle 18-04-2026, laatste wijziging 05-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Afdeling 3 Aanwijzing van een technische dienst
§ 1 Eisen voor de aanwijzing
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
§ 13 Aanvullende eisen taxi’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 3a Bussen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 4 Motorfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6 Bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7a Mobiele machines
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Brandstofsystemen en milieu
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 1.1 Algemeen
§ 1.2 Technische eisen
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 7.1 Algemeen
§ 7.2 Technische eisen
§ 7.2.1 Controle-inrichting
§ 7.2.2 De maximale fout
§ 7.2.3 Uitvoering
§ 7.2.4 Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2.5 Aanwijsinrichting
§ 7.2.6 Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 7.2.7 Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 7.2.8 Registratie-inrichting
§ 7.2.9 Overgangsmaatregelen
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Hoofdstuk 1 Voertuigeisen
Titel 3 Motor en brandstofsystemen
Afdeling 3 Emissie
§ 4 Deeltjes
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Afdeling 5
Artikel 5.5.1
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing. |
2. | Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
3. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
4. | De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
5. | De kentekenplaat aan de achterzijde mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het driewielig motorrijtuig staat. |
Artikel 5.5.3
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | ||
Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | ||
2. | Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork, mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.5.4
Eisen | Wijze van Keuren | |
De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.6
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
2. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. |
Artikel 5.5.7
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1.000 kg. | Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | De totale massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister is vermeld, en in elk geval niet meer dan: | |
a. 1.300 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het personenvervoer; | ||
b. 2.500 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het goederenvervoer. |
Artikel 5.5.9
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor. |
– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. | ||
– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.10
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.5.10a
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | Leden 6 tot en met 10: visuele controle. |
7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.5.10b
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 10: visuele controle. |
7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
10. | Driewielige motorrijtuigen voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: |
Artikel 5.5.11
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
3. | Driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33 tot en met 35, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
4. | Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. |
Artikel 5.5.11a
Eisen | Wijze van keuren |
Onderdelen van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.12
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De accu van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | De elektrische bedrading van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.5.12a
Eisen | Wijze van Keuren | |
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische driewielige motorrijtuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.13
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
Artikel 5.5.15
Eisen | Wijze van Keuren | |
Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.16
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.18
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.19
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.5.20
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.21
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in artikel 5.5.1 reeds getoetst. |
2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.5.24
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van driewielige motorrijtuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.5.26
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
2. | De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.27
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De wielen van driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van het driewielig motorrijtuig. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Visuele controle. |
7. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. |
– Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. | ||
– Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
– Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
– De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. | ||
– Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. | ||
10. | De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.28
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
3. | Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.29
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing. | |
7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; |
b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
12. | De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.30
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een voorvork, moet deze zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de grond rust. |
2. | De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig in voorwaartse beweging wordt gebracht, waarna de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
Artikel 5.5.31
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. | |
d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | ||
e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | ||
2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
– Visuele controle van de remkrachtregelaar. | ||
3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
5. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. | |
b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel c: visuele controle. | |
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
7. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid. |
8. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
9. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
10. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is. |
11. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
12. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 12 en 13: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
13. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.5.32
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
2. | De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.38
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 maart 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N; | Leden 1 tot en met 4: – De controle moet plaatsvinden door middel van een beproeving op de weg. – De snelheid moet bij de aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
b. ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N, indien het een voertuig betreft dat voor 1 april 1997 in gebruik is genomen en dat is bestemd voor het vervoer van goederen; c. in geval van een gecombineerde reminrichting: | – De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; | |
1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en 2°. bij gebruik van de andere bedrijfsrem of hulprem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt. | b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten; | |
c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: | ||
1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend; | ||
2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. | ||
– Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg. | ||
2. | Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N. | |
3. | Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen; bij gebruik van elke der reminrichtingen afzonderlijk moet de remvertraging ten minste 1,7 m/s2 bedragen. | |
4. | Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen voor 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen. | |
5. | De bedrijfsrem van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van minder dan 400 kg, in gebruik genomen na 31 maart 1990, en van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt, en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
6. | Driewielige motorrijtuigen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. Indien gebruik wordt gemaakt van een remtestinrichting mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, waarbij de wielen niet blokkeren. |
Artikel 5.5.39
Eisen | Wijze van Keuren | |
Van driewielige motorrijtuigen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl één of twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of één van de assen wordt geremd. |
Artikel 5.5.41
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.42
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95, van toepassing. | Visuele controle. |
2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
4. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
5. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.43
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen met een voorruit met een ledige massa van niet meer dan 400 kg die voor 27 november 1975 in gebruik zijn genomen. | – |
3. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 31 december 1994 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.5.44
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
2. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1994 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. |
Artikel 5.5.45
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. | Visuele controle. |
2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen: | – |
a. waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg; | ||
b. waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij vanaf zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte kan overzien; en | ||
c. die in gebruik zijn genomen vóór 27 november 1975. | ||
3. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, met uitzondering van voertuigen die in gebruik zijn genomen vóór 17 juni 2003 en voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
4. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
7. | In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels bij driewielige motorrijtuigen met een gedeeltelijk gesloten carrosserie zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. | Visuele controle |
Artikel 5.5.46
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
Artikel 5.5.47
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaand voertuig. | |
4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
6. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 6 en 7: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
7. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.5.48
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van driewielige motorrijtuigen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
4. | De wielen onderscheidenlijk banden van driewielige motorrijtuigen mogen niet aanlopen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
5. | Geen deel aan de buitenzijde van een driewielig motorrijtuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.5.51
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
a. twee grote lichten; | ||
b. twee dimlichten; | ||
c. twee stadslichten; | ||
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van driewielige motorrijtuigen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | ||
e. twee achterlichten; | ||
f. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
g. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | ||
2. | De in het eerste lid, onderdelen d en f, bedoelde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer. | |
3. | Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van: | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
a. één groot licht; | ||
b. één dimlicht; | ||
c. één stadslicht | ||
d. één achterlicht; | ||
e. één remlicht; | ||
f. één rode retroreflector. |
Artikel 5.5.51a
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
3. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. |
Artikel 5.5.53
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.5.55
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
6. | De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
7. | De in artikel 5.5.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
8. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
Artikel 5.5.56
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Het dimlicht of de dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.5.57
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met l, alsmede o en p: visuele controle. – Onderdelen m en n: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
a. één of twee mistvoorlichten; | ||
b. één of twee mistachterlichten; | ||
c. twee extra stadslichten; | ||
d. twee extra achterlichten; | ||
e. parkeerlichten; | ||
f. één of twee achteruitrijlichten; | ||
g. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig; | ||
h. twee extra richtingaanwijzers aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
i. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | ||
j. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | ||
k. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
l. werklichten; | ||
m. één of twee dagrijlichten indien het voertuig niet breder is dan 1,30 m, dan wel twee dagrijlichten indien het voertuig breder is dan 1,30 m; | ||
n. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
| ||
o. waarschuwingsknipperlichten; | ||
p. zijmarkeringslichten. | ||
2. | Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
3. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel n, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.5.57a
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
Artikel 5.5.59
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De mistachterlichten en het derde remlicht van het voertuig mogen niet anders dan rood stralen. | |
3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
4. | De extra richtingaanwijzers, extra zijrichtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
5. | De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
6. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. |
Artikel 5.5.59a
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De in artikel 5.5.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.5.59b
Eisen | Wijze van keuren |
Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
Artikel 5.5.61
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
Artikel 5.5.62
Eisen | Wijze van Keuren | |
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.5.64
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
3. | Het tweede lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
Artikel 5.5.65
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.5.51, 5.5.51a, 5.5.57 en 5.5.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
2. | Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.66
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3. | Visuele controle. |
2. | Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.5.71
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
2. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoefte van de afgifte van een keuringsrapport. |
3. | Hybride elektrische of elektrische driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
4. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
5. | Met uitzondering van driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen driewielige motorrijtuigen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. |
Artikel 5.5.72
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Een driewielig motorrijtuig mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. | - |
3. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
4. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
6. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
7. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren. | |
8. | In afwijking van het bepaalde in artikel 5.5.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten driewielige motorrijtuigen met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. |
