Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden.

2.

De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen die punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,55 m bedragen.

Leden 2 tot en met 7: visuele controle.

Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

3.

De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,50 m bedragen.

4.

De beschermingsinrichting:

a. mag niet breder zijn dan de breedte van de voorste as met inbegrip van de wielen;

b. mag aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen; en

c. moet over de gehele breedte ten minste 0,20 m hoog zijn.

5.

De uiteinden van de beschermingsinrichting mogen niet naar voren zijn omgebogen.

6.

De buitenranden van de beschermingsinrichting mogen niet scherp zijn.

7.

De beschermingsinrichting en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.