Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 8

Reminrichting

Artikel 5.7a.31

Eisen

Wijze van keuren

1.

Mobiele machines moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de:

a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;

c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;

d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en

e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat.

– Onderdeel a tot en met c: visuele controle.

– Onderdeel d: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet.

– Onderdeel e: visuele controle.

2.

De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren.

Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor.

3.

De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden.

Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen.

4.

Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt, tenzij de bediening van de hydraulische remsystemen vanuit een energievoorraad wordt gevoed.

Controle door het rempedaal in te trappen.

5.

Rempedalen moeten een stroef oppervlak hebben en deugdelijk functioneren, alsmede in voorkomend geval zijn voorzien van een deugdelijke koppeling tussen het linker- en rechterrempedaal.

Visuele controle.

6.

Remslangen mogen:

a. niet in ernstige mate zijn misvormd;

b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en

c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.

– Onderdeel a: visuele controle.

– Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht.

– Onderdeel c: visuele controle.

7.

Remleidingen mogen geen knikken vertonen.

Visuele controle.

8.

Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.

Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.

9.

De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering.

Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.

10.

De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.

Visuele controle.

11.

Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.

Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage.

12.

De onderdelen van een antiblokkeersysteem:

a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;

c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en

d. mogen geen lekkage vertonen.

Visuele controle.

13.

De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven.

Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

Artikel 5.7a.32

Eisen

Wijze van keuren

1.

In het hydraulisch remsysteem moet voldoende vloeistof aanwezig zijn.

Visuele controle, waarbij het vloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden, of auditieve controle, waarbij ervan wordt uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat onvoldoende vloeistof aanwezig is.

2.

Indien aanwezig moet de vulopening van het remsysteem of van het reservoir zijn afgesloten met een passende dop.

Visuele controle.

Artikel 5.7a.33

Eisen

Wijze van keuren

Mobiele machines met een drukluchtremsysteem, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald.

Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen.

Artikel 5.7a.34

Eisen

Wijze van keuren

Mobiele machines met een veerrem moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld.

Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld.

Artikel 5.7a.36

Eisen

Wijze van keuren

1.

De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.

Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld.

2.

De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder.

Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten.

Artikel 5.7a.38

Eisen

Wijze van keuren

1.

Mobiele machines moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

Mobiele machines moeten tevens zijn voorzien van een hulprem.

3.

De bedrijfsrem en de hulprem mogen gemeenschappelijke delen hebben.

4.

Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van:

a. meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt;

b. meer dan 30 km/h maar niet meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt;

c. niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt.

Leden 4 en 5: visuele controle door middel van een beproeving op de weg. De snelheid moet bij de aanvang van de remproef de maximumconstructiesnelheid bedragen met een maximum van 40 km/h. De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;

b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;

c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:

1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;

2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet, kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand.

5.

Het voertuig mag bij het gebruik van de rem of remsystemen geen zijwaartse beweging maken, tenzij dit ten behoeve van sturen bedoeld is.

Artikel 5.7a.39

Eisen

Wijze van keuren

Van mobiele machines moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is.

Visuele controle.

← terug naar Regeling voertuigen