Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten; d. twee achterlichten; e. twee remlichten; f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig kentekenplichtig is; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; k. één of meer gele zwaai-, flits- of knipperlichten, indien het voertuig breder is dan 2,60 m, waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, tweede lid, van het RVV 1990. | – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen h tot en met k: visuele controle. |
2. | Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing op mobiele machines die een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. | Visuele controle. |
Regeling voertuigen Actueel
Inhoud
§ 10
Artikel 5.7a.53
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De richtingaanwijzers en zijrichtingaanwijzers, alsmede de waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit licht en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood licht uitstralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel licht uitstralen. | |
3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood licht uitstralen. | |
4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel licht uitstralen. | |
5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren uitstralen. |
Artikel 5.7a.55
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
5. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
6. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7a.56
Eisen | Wijze van keuren |
De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.7a.57
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, waarvan tegelijkertijd niet meer dan vier grote lichten mogen werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee mistvoorlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee of vier parkeerlichten; g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; j. één of twee achteruitrijlichten; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; l. staaklichten; m. zijmarkeringslichten; n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; o. werklichten; p. twee extra remlichten of één derde remlicht; q. twee dagrijlichten; r. bochtverlichting; s. hoeklichten. t. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig; u. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.7a.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is; v. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers. | – Onderdelen a tot en met h: visuele controle. – Onderdeel i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met v: visuele controle. |
2. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
3. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. |
Artikel 5.7a.57a
Eisen | Wijze van keuren |
Mobiele machines in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.59
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Het mistvoorlicht, het dimlicht, het groot licht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood licht uitstralen. | |
3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit licht en naar achteren niet anders dan rood licht uitstralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel licht uitstralen. | |
4. | De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingsknipperlichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit licht uitstralen en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood licht uitstralen. | |
5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen. | |
6. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit licht uitstralen en naar achteren niet anders dan rood licht uitstralen. | |
7. | De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit licht uitstralen. | |
8. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood licht uitstralen. | |
9. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen. |
Artikel 5.7a.59a
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De in artikel 5.7a.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7a.59b
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.7a.61
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de artikelen 5.7a.51 en 5.7a.57, en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.7a.51, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
2. | Indien het voertuig breder is dan 2,55 m en de montage in het desbetreffende gebied op het voertuig door opspattend zand en vuil van de banden onverenigbaar is, mogen in afwijking van het eerste lid de richtingaanwijzers, achterlichten en rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig op een afstand van meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, doch niet meer dan noodzakelijk, mits de markering van de breedte aan de achterzijde van het voertuig voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen. |
Artikel 5.7a.62
Eisen | Wijze van keuren |
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7a.64
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Mobiele machines mogen, met uitzondering van grote lichten en werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | Mobiele machines mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingslichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
3. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van mobiele machines synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig meeknipperen. |
Artikel 5.7a.65
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7a.51, 5.7a.57 en 5.7a.57a is voorgeschreven of toegestaan; en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
2. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |