Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

C

Gehandicaptenvoertuigen

Artikel 5.18.43

  1. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:

    1. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;

    2. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.

  2. Gehandicaptenvoertuigen zonder motor, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:

    1. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;

    2. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing bij het gebruik maken van het voetpad of het trottoir of bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir.

Artikel 5.18.44

  1. De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten moeten goed werken.

  2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

  3. De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.

  4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

  5. De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.45

  1. De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.

  2. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

← terug naar Regeling voertuigen