Eisen

Wijze van keuren

1.

Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de:

a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

– Onderdelen a tot en met c: visuele controle.

– Onderdeel d: visuele of auditieve controle. Bij twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet.

– Onderdeel e: visuele controle.

b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;

c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;

d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen;

e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat.

2.

De rembekrachtiger moet goed functioneren.

Voor de controle van de vacuümrembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.

3.

Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.

Visuele controle.

4.

Remslangen mogen:

– Onderdeel a: visuele controle.

a. niet in ernstige mate zijn misvormd;

b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en

– Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht.

c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.

– Onderdeel c: visuele controle.

5.

De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering.

Leden 5 en 6: visuele controle.

6.

De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.

7.

In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.

8.

De onderdelen van een antiblokkeersysteem:

a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;

c. mogen niet zijn beschadig, gescheurd, gebroken, en

d. mogen geen lekkage vertonen.

Visuele controle.

9.

De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven.

Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.