Regeling voertuigen Laatste controle 18-04-2026, laatste wijziging 05-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Afdeling 3 Aanwijzing van een technische dienst
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
§ 1 Algemeen
§ 2 Conformiteitscontroles nationale typegoedkeuring bijzondere bromfietsen en mobiele machines
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
Afdeling 3a Bussen
Afdeling 4 Motorfietsen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
Afdeling 6 Bromfietsen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 7a Mobiele machines
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
A Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
B Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
A Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
C Gehandicaptenvoertuigen
D Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
E Wagens
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 6 Diversen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 2 Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3 Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 4 Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 2 Toerentellers
§ 3 Olietemperatuurmeters
§ 4 Manometers
§ 5 Pedaalkrachtmeters
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 11 Geluidsniveaumeter
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
§ 1 Ontheffingen
§ 2 Aanvraag ontheffing
§ 3 Beschikking inzake ontheffing
§ 4 Tarieven
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

§ 10

Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.10.51

Eisen

Wijze van keuren

1.

Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van:

Leden 1 en 2: visuele controle.

a. twee grote lichten;

b. twee dimlichten;

c. twee stadslichten;

d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant en waarschuwingsknipperlichten;

f. twee achterlichten;

g. twee remlichten;

h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.

2.

Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moeten zijn voorzien van één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.

Artikel 5.10.53

Eisen

Wijze van keuren

1.

De grote lichten, de dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.

Leden 1 tot en met 4: visuele controle.

2.

De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.

3.

De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

4.

De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.

Artikel 5.10.54

Eisen

Wijze van keuren

1.

De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

Leden 1 tot en met 7: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.

2.

De dimlichten en de stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht:

a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en

b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

3.

De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht:

a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en

b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

4.

De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:

a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en

b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

5.

De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:

a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en

b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

6.

De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:

a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en

b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

7.

In afwijking van het zesde lid, moet bij gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie de rode retroreflector zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.

Artikel 5.10.55

Eisen

Wijze van keuren

1.

De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.

2.

De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

Leden 2 tot en met 4: visuele controle.

3.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.

4.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.

5.

Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

6.

De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd.

Leden 6 tot en met 8: visuele controle.

7.

De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.

8.

Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 127, van toepassing.

Artikel 5.10.56

Eisen

Wijze van keuren

De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.

Artikel 5.10.57

Eisen

Wijze van keuren

1.

Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie mogen zijn voorzien van:

Onderdelen a tot en met k: visuele controle.

a. één of twee mistachterlichten;

b. twee mistvoorlichten;

c. twee of vier parkeerlichten;

d. één of twee achteruitrijlichten;

e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;

f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;

g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.10.51 verplicht zijn;

h. één derde remlicht;

i. twee dagrijlichten;

j. bochtlichten;

k. hoeklichten.

2.

Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, mogen zijn voorzien van:

Onderdelen a tot en met h: visuele controle.

a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;

b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel;

c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;

d. één of twee remlichten;

e. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;

f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.

g. één of twee mistachterlichten;

h. één of twee achteruitrijlichten.

3.

Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.

Visuele controle.

Artikel 5.10.59

Eisen

Wijze van keuren

1.

De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.

Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

2.

De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.

3.

De mistachterlichten en het derde remlicht mogen niet anders dan rood stralen.

4.

De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.

5.

De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.

6.

De dagrijlichten, hoeklichten, bochtlichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.

7.

De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.

Artikel 5.10.59a

Eisen

Wijze van keuren

1.

De in artikel 5.10.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.

3.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.

4.

Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

Artikel 5.10.59b

Eisen

Wijze van keuren

De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.

Artikel 5.10.60

Eisen

Wijze van keuren

1.

De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht.

Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.

2.

De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

3.

Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat:

a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en

b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g.

4.

Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen.

Artikel 5.10.62

Eisen

Wijze van keuren

Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.

Visuele controle.

Artikel 5.10.64

Eisen

Wijze van keuren

1.

Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.

Artikel 5.10.65

Eisen

Wijze van keuren

1.

Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.10.51 en 5.10.57 is voorgeschreven of toegestaan.

Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.

2.

Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur.

Visuele controle.

← terug naar Regeling voertuigen