-
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
niet deugdelijk van bouw of inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert;
zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft;
niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen; of
indien het een mobiele machine betreft, wordt voortbewogen in een andere rijstand dan door de voertuigfabrikant is bepaald.
-
Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
-
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk vermelde categorieën motorvoertuigen, de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
Regeling voertuigen Actueel
Inhoud
Afdeling 1
Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Artikel 5.1.3
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de aantekeningen die ingevolge artikel 52b van de wet voor het voertuig in het kentekenregister zijn opgenomen.
Artikel 5.1.4
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in afdeling 9 van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.
Artikel 5.1.4a
-
Het is de eigenaar of houder van een motorvoertuig als bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) 595/2009 verboden om:
zodanig daarmee te laten handelen of handelen na te laten waardoor de werking van een emissiebeheersingssysteem wordt beïnvloed;
daarmee te laten rijden, indien het voertuig is voorzien van een voorziening met het kennelijke doel om de werking van een emissiebeheersingssysteem te beïnvloeden.
-
Het is de bestuurder van een motorvoertuig als bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) 595/2009 verboden om:
zodanig te handelen of handelen na te laten waardoor de werking van een emissiebeheersingssysteem wordt beïnvloed; of
daarmee te rijden indien het voertuig is voorzien van een voorziening met het kennelijke doel om de werking van een emissiebeheersingssysteem te beïnvloeden.
-
Het is de bestuurder van een motorvoertuig als bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) 595/2009 verboden daarmee te rijden of de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het emissiebeheersingssysteem defect is, waarbij het rijden of daarmee laten rijden van een voertuig met een defect emissiebeheersingssysteem gelijk is aan het in strijd handelen met de verplichtingen, bedoeld in het eerste of tweede lid.
-
Er is sprake van een vermoeden van de beïnvloeding van de correcte werking van een emissiebeheersingssysteem, indien het voertuig de emissiegrenswaarde van 40 ppm overschrijdt. Indien sprake is van het vermoeden van overschrijding van die emissiegrenswaarde, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in bijlage VIII, artikelen 45h tot en met 45j.
Artikel 5.1.5
-
Artikel 72, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:
een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven dat de lettergroep ZZZ bevat, dan wel de lettergroep ZZ of de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W, X of Z en twee groepen van twee cijfers;
een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven ter zake waarvan een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van het Kentekenreglement is afgegeven;
een voertuig op de dag dat dit door ambtenaren van de Dienst Wegverkeer of door de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, wordt onderzocht in verband met de inschrijving of de wijziging van de inschrijving;
rijdende werktuigen met:
- 1°
een lengte van meer dan 12,00 m;
- 2°
een breedte van meer dan 2,55 m, indien de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 10.000 kg;
- 3°
een breedte van meer dan 2,60 m, indien de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 10.000 kg;
- 4°
een toegestane maximummassa van meer dan 50.000 kg, dan wel
- 5°
een toegestane maximumlast onder enige as van meer dan 10.000 kg voor een niet-aangedreven as, dan wel van meer dan 11.500 kg voor een aangedreven as.
- 1°
-
Van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitzondering wordt melding gemaakt in het kentekenregister.
Artikel 5.1.6
-
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
-
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.
-
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid.