Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 2

Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

Artikel 8.1.3

  1. De meetmiddelen, genoemd onder a tot en met h, j en k, moeten zijn typegoedgekeurd:

    1. roetmeter;

    2. toerenteller;

    3. olietemperatuurmeter;

    4. manometer;

    5. pedaalkrachtmeter;

    6. remvertragingsmeter;

    7. rollenremtestbank;

    8. platenremtestbank;

    9. uitlaatgastester;

    10. deeltjesteller;

    11. bromfietsrollentestbank;

    12. geluidsniveaumeter.

  2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op niet in roetmeters geïntegreerde toerentellers en olietemperatuurmeters die gebruikt worden ten behoeve van de periodieke keuring.

Artikel 8.1.4

Een uitlaatgastester als bedoeld in artikel 8.1.3, eerste lid, onder i:

  1. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge richtlijn 2014/32/EU;

  2. moet zijn voorzien zijn van de documenten als voorgeschreven in richtlijn 2014/32/EU waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de eisen van de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU, en

  3. moet zijn voorzien van een CE-markering, de aanvullende metrologische markering en het identificatienummer, bedoeld in artikel 22 van richtlijn 2014/32/EU.

Artikel 8.1.4a

  1. De meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j, k en l, ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.

  2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

Artikel 8.1.5

  1. De meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring. Ten bewijze van de herkeuring wordt een herkeuringscertificaat afgegeven.

  2. Voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester. Een uitlaatgastester voldoet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU.

Artikel 8.1.6

  1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in afdeling 4, paragraaf 9.5, opgenomen specifieke eisen.

  2. Koplamptestapparaten voldoen aan de in afdeling 4 opgenomen specifieke eisen.

Artikel 8.1.7

  1. Indien ter uitvoering van de in deze paragraaf bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen nodig zijn of informatie nodig is, kan degene die het meetmiddel ter keuring aanbiedt, worden verzocht deze ter beschikking te stellen.

  2. Het niet beschikbaar stellen van noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet goedkeuren van het meetmiddel.

Artikel 8.1.8

Een typekeuringscertificaat verliest zijn geldigheid, indien:

  1. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht waardoor de meetwaarden zoals deze in de praktijk kunnen worden verkregen, niet meer voldoen aan de maximale fout;

  2. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht die in strijd is met het typekeuringscertificaat of de bijbehorende beschrijving;

  3. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.

Artikel 8.1.9

  1. De geldigheidsduur van een keuringscertificaat bedraagt:

    1. 12 maanden voor de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a, b, c, i, j, k en l;

    2. 24 maanden voor de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder d, e, f, g en h;

    3. In afwijking van onderdeel b, blijft voor meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder d, e, f, g en h, waarvoor voor 20 mei 2018 een typegoedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 8.1.4, onderdeel b, is verstrekt, de geldigheidsduur van 12 maanden gelden.

  2. In afwijking van het eerste lid, kan bij de typegoedkeuring een kortere geldigheidsduur worden bepaald.

  3. De geldigheidsduur, bedoeld in het eerste lid:

    1. vangt aan met ingang van de datum van afgifte van het keuringscertificaat, of;

    2. eindigt op de vervaldatum, vermeld in het Register Meetmiddelen.

  4. Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, verstrijkt, vangt in afwijking van het derde lid de geldigheidsduur van het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.

  5. Een keuringscertificaat verliest zijn geldigheid, indien:

    1. een wijziging of herstel van het meetmiddel heeft plaatsgevonden, waardoor de juistheid kan zijn veranderd;

    2. de verzegeling is verbroken;

    3. een zodanige mechanische of elektrische overbelasting is ontstaan, dat een juist functioneren niet meer gewaarborgd kan worden, of

    4. de geldigheidsduur is verstreken.

  6. Specifieke gebruiksomstandigheden van belang bij de keuring en bij het gebruik van het meetmiddel, worden vermeld in het keuringscertificaat.

Artikel 8.1.10

  1. De aanvraag van een typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in de afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.

  2. De aanvraag van een certificaat van eerste keuring dan wel een certificaat van herkeuring wordt voor wat betreft:

    1. de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j, met inachtneming van de in afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde;

    2. de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder k en l, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.

  3. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in afdeling 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.

Artikel 8.1.12

  1. Elk meetmiddel dat een keuring of herkeuring ondergaat, wordt na iedere keuring voorzien van de verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.

  2. Onder verzegeling wordt verstaan:

    1. het aanbrengen van een beveiliging waardoor het verschaffen van toegang tot onderdelen of instellingen van een meetmiddel door een onbevoegde niet kan plaatsvinden zonder dat dit feit achteraf zichtbaar is door beschadiging van een aangebracht beveiligingsmiddel, zoals een loodzegel of een sticker;

    2. een elektronische verzegeling die kan bestaan uit een in de programmatuur opgenomen niet-terugstelbare teller waarvan de inhoud automatisch wordt verhoogd, indien toegang wordt verschaft tot een routine waarin beveiligde parameters kunnen worden aangepast. De inhoud van deze teller moet eenvoudig kunnen worden uitgelezen en moet overeenkomen met de waarde die in het laatste keuringscertificaat is vermeld, zolang de verzegeling niet verbroken is.

  3. Na de eerste keuring, alsmede na de herkeuring, wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht door de keuringsinstelling of door een onderzoeksgerechtigde.

← terug naar Regeling voertuigen