Regeling voertuigen Laatste controle 18-04-2026, laatste wijziging 05-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Afdeling 3 Aanwijzing van een technische dienst
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
§ 1 Algemeen
§ 2 Conformiteitscontroles nationale typegoedkeuring bijzondere bromfietsen en mobiele machines
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
Afdeling 3a Bussen
Afdeling 4 Motorfietsen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
Afdeling 6 Bromfietsen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 7a Mobiele machines
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
A Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
B Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
A Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
C Gehandicaptenvoertuigen
D Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
E Wagens
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 6 Diversen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 2 Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3 Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 4 Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 2 Toerentellers
§ 3 Olietemperatuurmeters
§ 4 Manometers
§ 5 Pedaalkrachtmeters
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 11 Geluidsniveaumeter
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
§ 1 Ontheffingen
§ 2 Aanvraag ontheffing
§ 3 Beschikking inzake ontheffing
§ 4 Tarieven
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Afdeling 14

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Artikel 5.14.0

  1. Een landbouw- of bosbouwaanhangwagen en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk achter een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

  2. In afwijking van het eerste lid, moet een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, voldoen aan het bepaalde in afdeling 18.

Artikel 5.14.1

Eisen

Wijze van keuren

1.

De geregistreerde landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het geregistreerde verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

De geregistreerde landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het geregistreerde verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.

3.

De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.

4.

Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.

Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het voertuig staat.

5.

Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of een soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

Leden 5 en 6: Visuele controle.

6.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan in het geval van een geregistreerd voertuig de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die in het kentekenregister zijn opgenomen.

7.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die niet zijn opgenomen in het kentekenregister, in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2021 en een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben.

8.

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een technische toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg.

9.

Het eerste tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn.

Artikel 5.14.3

Eisen

Wijze van keuren

De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie mogen:

a. geen breuken of scheuren vertonen, en

b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.

Visuele controle.

Artikel 5.14.4

Eisen

Wijze van keuren

1.

De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.

Artikel 5.14.5

Eisen

Wijze van keuren

1.

De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

Artikel 5.14.6

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen:

a. niet langer zijn dan 12,00 m;

b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en

c. niet hoger zijn dan 4,00 m.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.

– Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken.

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 2022 niet breder zijn dan 3,00 m.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.

3.

In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen.

4.

Verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen:

a. niet langer zijn dan 12,00 m;

b. niet breder zijn dan 3,00 m; en

c. niet hoger zijn dan 4,00 m.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.

– Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken.

5.

Van landbouw- of bosbouwaanhangwagens, zijnde opleggers, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,17 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,12 m.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 5.14.7

Eisen

Wijze van keuren

1.

De totale massa, de som van de aslasten, de last onder de assen en de last onder de koppeling van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister vermelde technisch toegestane maximummassa’s.

Indien deze massa’s niet geregistreerd zijn, mogen ze niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximummassa’s.

Leden 1 tot en met 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen.

2.

Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen die of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat in gebruik genomen is na 30 juni 2021, de technisch toegestane maximummassa’s niet met behulp van het eerste lid kunnen worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een technisch toegestane maximummassa van 750 kg.

3.

Indien er geen constructieplaat aanwezig is en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018, geldt dat de totale last onder de wielen op één aslijn niet meer mag bedragen dan 10.000 kg.

Artikel 5.14.9

Eisen

Wijze van keuren

1.

Alle onderdelen van brandstofsystemen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.

Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.

2.

De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen.

Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact ingeschakeld moet zijn.

3.

De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.

Visuele controle.

Artikel 5.14.18

Eisen

Wijze van keuren

1.

De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.

Leden 1 tot en met 4: visuele controle.

2.

De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.

3.

De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.

4.

De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd.

Artikel 5.14.19

Eisen

Wijze van keuren

1.

De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.

3.

De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing.

Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

4.

Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.

Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.

Artikel 5.14.20

Eisen

Wijze van keuren

1.

De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing.

Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

2.

Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.

Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.

Artikel 5.14.24

Eisen

Wijze van keuren

1.

De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen.

Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij het wiel vrij kan ronddraaien.

2.

De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

Artikel 5.14.26

Eisen

Wijze van keuren

Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.

Visuele controle.

Artikel 5.14.27

Eisen

Wijze van keuren

1.

De banden moeten zijn voorzien van een loopvlak dat niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.

3.

De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.

4.

De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.

Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.

5.

De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.

Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.

6.

De last onder de band mag niet groter zijn dan de op de banden vermelde loadindex. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van overeenkomstige toepassing.

Bij twijfel wordt het voertuig gewogen.

7.

Het op de banden vermelde snelheidscategoriesymbool van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 moet verenigbaar zijn met de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50a, van toepassing.

Visuele controle.

8.

Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing indien tijdelijk andere banden zijn gemonteerd en de last respectievelijk snelheid ten opzichte van de op de banden aangebrachte loadindex en rijsnelheid niet wordt overschreden.

Artikel 5.14.28

Eisen

Wijze van keuren

1.

De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van gasvering of schroefveren, moeten zijn voorzien van schokdempers die deugdelijk zijn bevestigd en goed werken.

Artikel 5.14.29

Eisen

Wijze van keuren

1.

De gestuurde wielen moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkende voertuig.

Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.

2.

De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen:

a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. mogen geen breuken of scheuren vertonen;

c. mogen niet zijn vervormd; en

d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

3.

Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.

4.

De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen.

5.

De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen:

a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en

b. geen bewegende delen raken.

6.

De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing.

Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van:

a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast;

b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend.

7.

Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.

Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.

Artikel 5.14.30

Eisen

Wijze van keuren

1.

De draaikransen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen.

Visuele controle.

2.

De axiale speling van de draaikransen mag:

a. niet meer bedragen dan 3,5 mm;

b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten.

Visuele controle. Het zichtbaar maken van de speling geschiedt:

a. door middel van een hefboom of koevoet, of

b. door het chassis te heffen.

In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

3.

De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast.

Visuele controle.

Artikel 5.14.31

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een massa in rijklare toestand van meer dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting.

Leden 1 tot en met 7: visuele controle. In geval van twijfel omtrent de massa, wordt het voertuig gewogen.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2017 en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 1.500 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting.

3.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2017 en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting.

4.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 750 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting.

5.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 8.000 kg, zijn voorzien van een tweeleidingremsysteem, tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 40 km/h hebben.

6.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2017 mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem.

7.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een antiblokkeersysteem tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 60 km/h hebben.

8.

De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven.

Leden 8 en 9: visuele en auditieve controle. Wanneer een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven door een controlemiddel aangesloten op de stekker van het systeem, dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel worden de wielen, bijvoorbeeld met een wielspinner, op snelheid gebracht.

9.

De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven.

10.

Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een reminrichting:

a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing;

c. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;

d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en

e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat.

– Onderdeel a tot en met c: visuele controle.

– Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk gezet.

11.

Remslangen mogen:

a. niet in ernstige mate zijn misvormd;

b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en

c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.

Visuele controle.

12.

Remleidingen mogen geen knikken vertonen.

Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.

13.

Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.

Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.

14.

De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering.

Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.

15.

De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.

Leden 15 tot en met 17: visuele controle.

16.

Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed werken.

17.

De onderdelen van een antiblokkeersysteem:

a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;

c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en

d. mogen geen lekkage vertonen.

Artikel 5.14.35

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voorzien van een drukluchtremsysteem, moeten zijn voorzien van:

a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en

b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten.

Visuele controle.

2.

Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed werken.

Visuele controle met behulp van manometers, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk, wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt.

3.

De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed werken.

Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend.

Artikel 5.14.36

Eisen

Wijze van keuren

1.

De slag van drukluchtremcilinders of hydraulische remcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.

Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld.

2.

De slag van drukluchtremcilinders of hydraulische remcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder.

Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten.

Artikel 5.14.38

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:

a. ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018;

b. ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018;

c. ten minste 3,0 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017;

d. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017.

Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van overeenkomstige toepassing.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.

2.

De bedrijfsrem van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moet op ten minste twee wielen van iedere as werken.

Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bediend en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.

3.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de geremde wielen van elke as.

Visuele controle; in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.

Artikel 5.14.39

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017 en zijn voorzien van een reminrichting, moeten zijn voorzien van een parkeerremsysteem.

Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het parkeerremsysteem wordt bediend.

2.

Indien een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een parkeerremsysteem, moet het goed werken en in werking kunnen worden gesteld door iemand die buiten het voertuig staat. De werking van de parkeerrem moet ook gewaarborgd zijn na loskoppeling van het trekkende voertuig.

Artikel 5.14.40

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017 en zijn voorzien van een remsysteem, moeten zijn voorzien van een losbreekreminrichting.

Leden 1 en 2: visuele controle. Bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem wordt de luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een andere externe bron en de aanhangwagen losgenomen.

2.

Indien de landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een losbreekinrichting, moet deze goed werken.

3.

Bij het koppelen van een tweeleiding-drukluchtremsysteem aan het trekkende voertuig, moet de reminrichting automatisch in de bedrijfstoestand komen.

Visuele controle. Indien een losknop aanwezig is, moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld, worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in zijn oorspronkelijke stand.

Artikel 5.14.41

Eisen

Wijze van keuren

Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen moeten een goede sluiting waarborgen.

Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten.

Artikel 5.14.48

1.

Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd.

Visuele controle.

2.

Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd.

Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak.

De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten.

Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten.

De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied.

3.

Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de landbouw- of bosbouwaanhangwagen en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken.

Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.

5.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op:

a. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband;

b. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak;

c. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan;

d. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan;

e. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen;

f. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen;

g. antislipinrichtingen op de wielen;

h. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en

i. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.

6.

De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32, tweede lid. De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.

7.

De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet aanlopen.

Leden 7 tot en met 9: visuele controle.

8.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens waarvan de som van de technisch toegestane maximummassa’s per as meer dan 3.500 kg bedraagt, met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en in gebruik genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 110, van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onderdeel f.

9.

Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwaanhangwagen en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

Artikel 5.14.49

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,55 m.

Visuele controle.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op dolly’s, mallejans en soortgelijke aanhangwagens bestemd voor het vervoer van boomstammen of andere lange voorwerpen.

-

3.

De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens niet meer bedragen dan 0,55 m.

Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.

4.

De stootbalk mag niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m, gemeten vanaf het wegdek, buiten beschouwing gelaten.

5.

De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.

Visuele controle.

Artikel 5.14.51

Eisen

Wijze van keuren

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van:

a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h heeft;

b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;

c. twee achterlichten;

d. twee remlichten;

e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;

f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;

g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;

h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017;

i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017;

j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig aan de achterzijde niet is voorzien van een kentekenplaat;

k. zijmarkeringslichten indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft met de voertuigclassificatie R3 of R4, die langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021.

Onderdeel a: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten.

Onderdelen b tot en met h: visuele controle.

Onderdeel i: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten.

Onderdelen j en k: visuele controle.

Artikel 5.14.53

Eisen

Wijze van keuren

1.

De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen.

Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

2.

De richtingaanwijzers en remlichten mogen niet anders dan ambergeel of rood stralen.

3.

De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

4.

De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen.

5.

De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen.

Artikel 5.14.55

Eisen

Wijze van keuren

1.

De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

2.

De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

Leden 2 tot en met 4: visuele controle.

3.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.

4.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.

5.

Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

6.

De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd.

Leden 6 en 7: visuele controle.

7.

De in artikel 5.14.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.

Artikel 5.14.57

Eisen

Wijze van keuren

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van:

a. twee stadslichten, indien deze verlichting niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, verplicht is;

b. twee extra achterlichten;

c. één of twee extra remlichten;

d. één of twee achteruitrijlichten;

e. één of twee mistachterlichten;

f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;

g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;

h. extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;

i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig;

j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;

k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig;

l. zijmarkeringslichten;

m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig;

n. twee staaklichten;

o. werklichten;

p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft;

q. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021;

r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen;

s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is.

Visuele controle.

Artikel 5.14.57a

Eisen

Wijze van keuren

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.

Visuele controle.

Artikel 5.14.59

Eisen

Wijze van keuren

1.

De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.

Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

2.

De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

3.

De extra richtingaanwijzers en de waarschuwingslichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.

4.

De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.

5.

De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.

6.

De remlichten mogen niet anders dan rood stralen.

7.

De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel.

8.

De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.

Artikel 5.14.59a

Eisen

Wijze van keuren

1.

De in artikel 5.14.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.

3.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.

4.

Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

Artikel 5.14.61

Eisen

Wijze van keuren

1.

De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.

Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.

2.

In afwijking van het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de achteruitrijlichten, remlichten, achterkentekenplaatverlichting, rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten.

Artikel 5.14.64

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten.

3.

In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen.

Artikel 5.14.65

Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van:

a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51, 5.14.57 en 5.14.57a is voorgeschreven of toegestaan, en

b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig.

Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.

2.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur.

Visuele controle.

Artikel 5.14.66

Eisen

Wijze van keuren

1.

De koppeling en trekinrichting moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten.

Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.

2.

De trekdriehoek, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak.

Leden 2 en 3: visuele controle.

3.

De dissel, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

4.

De trekdriehoek mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. Een dissel mag niet overmatig zijn vervormd.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten.

5.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 3.500 kg, die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling, indien deze aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voertuigen worden gekoppeld door middel van één koppelpunt.

Leden 5 tot en met 8: visuele controle.

6.

De hulpkoppeling, bedoeld in het vijfde lid, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.

7.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling.

8.

Delen van de koppeling van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.

Artikel 5.14.67

Eisen

Wijze van keuren

Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een koppeling:

a. moet de sluit- en borginrichting goed werken, en

b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd.

Visuele controle.

Artikel 5.14.67a

Eisen

Wijze van keuren

1.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling met een nominale inwendige diameter van:

a. 50 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 51,0 mm bedragen;

b. 80 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 81,5 mm bedragen;

c. 110 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 112,0 mm bedragen.

Er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber of slijtage-indicator. Indien gebruik wordt gemaakt van een koppelingskogel in combinatie met de slijtage-indicator op de kogelkoppeling, wordt de slijtage afgelezen.

2.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een koppelingskogel met een nominale uitwendige diameter van 150 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 148,5 mm bedragen.

Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

Artikel 5.14.68

Eisen

Wijze van keuren

1.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 25 mm, 30,6 mm, 32 mm, 36 mm of 38 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 27,0 mm, 32,6 mm, 34,0 mm, 38,0 mm respectievelijk 40,0 mm bedragen.

Leden 1 en 2: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.

2.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 44,5 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 46,5 mm bedragen.

3.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm:

a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen; en

b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen.

Leden 3 tot en met 5:

– Onderdelen a: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.

– Onderdelen b: ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

4.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm:

a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen;

b. moet de dikte van het trekoog met een nominale dikte van 42,5 mm ten minste 41,5 mm bedragen; en

c. moet de dikte van het trekoog met een nominale dikte van 30 tot 41 mm ten minste de nominale dikte verminderd met 1 mm bedragen.

5.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm:

a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen; en

b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19,0 mm bedragen.

6.

Het trekoog mag:

a. niet zijn vervormd of gescheurd;

b. niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus;

c. niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen.

Visuele controle.

Artikel 5.14.69

Eisen

Wijze van keuren

1.

Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch:

a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en

b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen.

Leden 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is.

2.

Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch:

a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen;

b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen.

3.

De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten.

4.

De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle.

Artikel 5.14.70

Eisen

Wijze van keuren

1.

Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de artikelen 5.14.67 tot en met 5.14.69, zijn de artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70 van overeenkomstige toepassing.

De wijze van keuren bij de artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70 is van overeenkomstige toepassing.

2.

De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag:

a. geen breuken of scheuren vertonen; en

b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

Visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

← terug naar Regeling voertuigen