Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 2

Toerentellers

Artikel 8.4.13

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. toerenteller: meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;

  2. geïntegreerde toerenteller: toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;

  3. toerenopnemer: onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.

Artikel 8.4.14

  1. De handleiding behorende bij de toerenteller bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:

    1. indien de toerenteller is voorzien van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;

    2. de wijze waarop de toerenopnemer op of bij de voertuigmotor wordt geplaatst.

  2. Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

Artikel 8.4.15

De maximale fout voor toerentellers bedraagt:

  1. 10 min-1 voor toerentallen kleiner dan 1.000 min-1; en

  2. 1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1.000 min-1.

Artikel 8.4.16

  1. De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.

  2. De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.

  3. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.

  4. Het meetbereik van een toerenteller moet ten minste het gebied van 500 min–1 tot 6.000 min–1 omvatten.

Artikel 8.4.17

Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.

← terug naar Regeling voertuigen