Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.
Regeling voertuigen Actueel
Inhoud
Afdeling 1a
Artikel 5.1a.2
-
De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
-
De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
Artikel 5.1a.3
-
Voor de bepaling van het aantal wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd, aangemerkt als één wiel.
-
In afwijking van het eerste lid, worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op:
landbouw- of bosbouwtrekkers,
motorrijtuigen met beperkte snelheid,
mobiele machines,
landbouw- of bosbouwaanhangwagens, en
verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.
Artikel 5.1a.4
-
Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:
dezelfde functie vervullen;
licht van dezelfde kleur uitstralen, en
een verlichtingsinrichting vormen waarvan:
- 1°
de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste vierhoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven, of
- 2°
de onderlinge afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten niet meer dan 75 mm bedraagt.
- 1°
-
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien het voertuig is uitgerust met van fabriekswege aangebrachte lichten.
Artikel 5.1a.5
Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.