Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 10

Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.15.51

Eisen

Wijze van keuren

1.

Motorfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van:

Leden 1 en 2: visuele controle.

a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien de trekkende motorfiets van richtingaanwijzers is voorzien;

b. één of twee achterlichten;

c. één of twee remlichten, indien de trekkende motorfiets van een remlicht is voorzien;

d. achterkentekenplaatverlichting;

e. één of twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;

f. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig.

2.

Bromfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van:

a. één of twee achterlichten;

b. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;

c. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig, en

d. achterkentekenplaatverlichting.

Artikel 5.15.53

Eisen

Wijze van keuren

1.

De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

De achterlichten en de remlichten mogen niet anders dan rood stralen.

3.

De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.

Artikel 5.15.54

Eisen

Wijze van keuren

1.

De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:

Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.

a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en

b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.

De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig.

2.

De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.

3.

Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.

4.

De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.

5.

De in artikel 5.15.51 bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met inbegrip van de dissel.

Artikel 5.15.55

Eisen

Wijze van keuren

1.

De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

2.

De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

Leden 2 tot en met 4: visuele controle.

3.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.

4.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.

5.

Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

6.

De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten en retroreflectoren voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd.

Leden 6 en 7: visuele controle.

7.

De in artikel 5.15.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.

Artikel 5.15.57

Eisen

Wijze van keuren

1.

Motorfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van:

a. één mistachterlicht;

b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en;

c. werklichten, en

d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:

1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en

2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.15.51, eerste lid, onder c.

Leden 1 en 2:

– Onderdelen a tot en met c: visuele controle.

– Onderdeel d: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.

2.

Bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van:

a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;

b. één of twee remlichten, en

c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en

d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:

1°. dat licht zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en

2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in het tweede lid, onder b.

3.

Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van:

Visuele controle.

a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde,

b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en

c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn.

Artikel 5.15.57a

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.

Artikel 5.15.59

Eisen

Wijze van keuren

1.

De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.

Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

2.

De remlichten en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen.

Artikel 5.15.59a

Eisen

Wijze van keuren

1.

De in artikel 5.15.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

Leden 1 tot en met 3: visuele controle.

2.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.

3.

De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.

4.

Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

Artikel 5.15.60

Eisen

Wijze van keuren

1.

De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:

Leden 1 tot en met 3: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.

a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en

b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.

De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig.

2.

Het mistachterlicht moet zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek, links van het midden van het voertuig op een afstand van niet minder dan 0,10 m van het remlicht.

3.

Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, moet dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.

Artikel 5.15.64

Eisen

Wijze van keuren

Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten.

Visuele controle.

Artikel 5.15.65

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen niet zijn voorzien van

meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.15.51, 5.15.57 en 5.15.57a is voorgeschreven of toegestaan.

Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.

2.

Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur.

Visuele controle.

← terug naar Regeling voertuigen