Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
Regeling voertuigen Laatste controle 18-04-2026, laatste wijziging 05-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Afdeling 3 Aanwijzing van een technische dienst
§ 1 Eisen voor de aanwijzing
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
§ 13 Aanvullende eisen taxi’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 3a Bussen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 4 Motorfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6 Bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7a Mobiele machines
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Brandstofsystemen en milieu
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 1.1 Algemeen
§ 1.2 Technische eisen
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 7.1 Algemeen
§ 7.2 Technische eisen
§ 7.2.1 Controle-inrichting
§ 7.2.2 De maximale fout
§ 7.2.3 Uitvoering
§ 7.2.4 Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2.5 Aanwijsinrichting
§ 7.2.6 Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 7.2.7 Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 7.2.8 Registratie-inrichting
§ 7.2.9 Overgangsmaatregelen
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Hoofdstuk 1 Voertuigeisen
Titel 3 Motor en brandstofsystemen
Afdeling 3 Emissie
§ 4 Deeltjes
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Afdeling 10
Artikel 5.10.1
Eisen | Wijze van keuren | |
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat goed leesbaar is. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.3
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van gehandicaptenvoertuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | ||
2. | Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: | |
a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
b. niet zijn doorgeroest, en | ||
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | ||
3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.10.4
Eisen | Wijze van keuren | |
De bovenbouw van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.6
Eisen | Wijze van keuren | |
Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
Artikel 5.10.8
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in artikel 1.1 met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.10.9
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
4. | Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een: a. voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig, en b. vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand. | |
5. | Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een: a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor, en b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig. | |
6. | Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare: a. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en b. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie. |
Artikel 5.10.11
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | |
3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. |
Artikel 5.10.12
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De accu dan wel de tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | De elektrische bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
3. | Gehandicaptenvoertuigen met elektrische aandrijving moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen. |
Artikel 5.10.12a
Eisen | Wijze van Keuren | |
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische gehandicaptenvoertuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.13
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Motorsteunen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
Artikel 5.10.14
Eisen | Wijze van keuren | |
Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.16
Eisen | Wijze van keuren | |
De onderdelen van de aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.17
Eisen | Wijze van keuren | |
Bij gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moet de aandrijving tussen motor en wielen op eenvoudige wijze kunnen worden onderbroken. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.18
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De assen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.19
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.10.20
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.10.24
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van gehandicaptenvoertuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.10.26
Eisen | Wijze van keuren | |
Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.27
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Visuele controle. |
3. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
4. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 4 tot en met 7: visuele controle. |
5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van het gehandicaptenvoertuig. | |
7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
Artikel 5.10.28
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.10.29
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
2. | De bestuurde wielen van gehandicaptenvoertuigen moeten goed reageren op de beweging van het bedieningsorgaan van de stuurinrichting. | |
3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
4. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
5. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; | ||
b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
7. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
8. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.31
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Bij twijfel het remsysteem onder druk zetten. – Onderdeel e: visuele controle. |
c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | ||
2. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
3. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. | |
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen | – Onderdeel c: visuele controle. | |
4. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle. |
5. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid. |
6. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
7. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.32
Eisen | Wijze van keuren | |
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.10.38
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem: a. die op alle wielen werkt, en b. waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
2. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
Artikel 5.10.39
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. |
2. | De parkeerrem van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
3. | Bij gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.41
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De deuren van gehandicaptenvoertuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.42
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De ruiten van gehandicaptenvoertuigen moeten uit gelaagd of gehard glas dan wel uit plastisch materiaal bestaan. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
2. | De voorruit en de naast de bestuurderzitplaats aanwezige zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen geen ernstige beschadigingen of verkleuringen vertonen. | |
3. | De voorruit en de naast de bestuurderzitplaats aanwezige zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
4. | Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen ernstige beschadigingen of verkleuringen vertonen. | |
5. | Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. |
Artikel 5.10.43
Eisen | Wijze van keuren | |
Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft, alsmede van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.10.44
Eisen | Wijze van keuren | |
Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.10.45
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
2. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
3. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
4. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.10.46
Eisen | Wijze van keuren | |
De zitplaatsen en rugleuningen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van vergrendeling. |
Artikel 5.10.47
Eisen | Wijze van keuren | |
Indien een gehandicaptenvoertuig is voorzien van gordels, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van een gordel wordt niet gezien als een beschadiging. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Artikel 5.10.48
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van gehandicaptenvoertuigen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
3. | De wielen onderscheidenlijk banden van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | |
4. | Geen deel van de buitenzijde van het gehandicaptenvoertuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.10.51
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
a. twee grote lichten; | ||
b. twee dimlichten; | ||
c. twee stadslichten; | ||
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant en waarschuwingsknipperlichten; | ||
f. twee achterlichten; | ||
g. twee remlichten; | ||
h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | ||
2. | Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moeten zijn voorzien van één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. |
Artikel 5.10.53
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De grote lichten, de dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.10.54
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
2. | De dimlichten en de stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
3. | De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht: | |
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
4. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
5. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
6. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
7. | In afwijking van het zesde lid, moet bij gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie de rode retroreflector zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. |
Artikel 5.10.55
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
2. | De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
6. | De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
7. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
8. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 127, van toepassing. |
Artikel 5.10.56
Eisen | Wijze van keuren | |
De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.10.57
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met k: visuele controle. |
a. één of twee mistachterlichten; | ||
b. twee mistvoorlichten; | ||
c. twee of vier parkeerlichten; | ||
d. één of twee achteruitrijlichten; | ||
e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; | ||
g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.10.51 verplicht zijn; | ||
h. één derde remlicht; | ||
i. twee dagrijlichten; | ||
j. bochtlichten; | ||
k. hoeklichten. | ||
2. | Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met h: visuele controle. |
a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel; | ||
b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel; | ||
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
d. één of twee remlichten; | ||
e. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
g. één of twee mistachterlichten; | ||
h. één of twee achteruitrijlichten. | ||
3. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.59
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen. | |
3. | De mistachterlichten en het derde remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
4. | De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
5. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
6. | De dagrijlichten, hoeklichten, bochtlichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
7. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.10.59a
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De in artikel 5.10.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.10.59b
Eisen | Wijze van keuren |
De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
Artikel 5.10.60
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
2. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | |
3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g. | |
4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen. |
Artikel 5.10.62
Eisen | Wijze van keuren | |
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.64
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.10.65
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.10.51 en 5.10.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.71
Eisen | Wijze van keuren | |
1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Leden 1 en 2: visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn of bel in werking wordt gesteld. |
2. | Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | |
3. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 3 tot en met 5: visuele en auditieve controle. |
4. | Hybride elektrische of elektrische gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voor zien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
5. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. |
Artikel 5.10.72
Eisen | Wijze van keuren |
Een gehandicaptenvoertuig met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |