Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 6

Wijziging in de goedkeuring van voertuigen

Artikel 6.1

  1. De in paragraaf 2 vermelde wijzigingen in de bouw of inrichting van geregistreerde voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in paragraaf 2 ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.

  2. Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd en het geen wijziging van voertuigcategorie betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van rupsbanden, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.

  3. Indien een voertuig waarvoor een kenteken opgegeven dient te zijn wordt gewijzigd in een voertuig waarvoor dat niet het geval is, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 5 gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de eisen voor goedkeuring, bedoeld in hoofdstuk 3, zoals deze luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.

  4. De in het tweede en derde lid bedoelde voertuigen moeten zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.

Artikel 6.1a

Artikel 6.1, eerste lid, is niet van toepassing op een wijziging van een bus met betrekking tot een afscherming als bedoeld in artikel 5.3a.72, mits de afscherming is geplaatst in het bestuurdersgedeelte van de bus.

Artikel 6.2

  1. Op de wijziging in de bouw of inrichting van een geregistreerd voertuig, met uitzondering van de inbouw van een elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.

  2. Op de inbouw van een elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas in een gekentekend voertuig zijn de eisen van toepassing zoals die luidden op de datum van de aanvraag van de goedkeuring.

Artikel 6.3

  1. Bij wijziging in de bouw of inrichting van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:

    1. a

      het aantal assen;

    2. b

      het aantal wielen, niet zijnde het aanbrengen van een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd;

    3. c

      de wielbasis van voertuigen met kettingaandrijving, met uitzondering van bromfietsen, indien deze meer dan 60 mm afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde en van overige voertuigen, met uitzondering van bromfietsen, indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;

    4. d

      een vergroting van de spoorbreedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, bussen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;

    5. e

      de lengte van voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een personenauto, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;

    6. f

      de afstand voorzijde voertuig tot hart koppeling van een motorvoertuig met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een personenauto, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;

    7. g

      de afstand hart koppeling tot de achterzijde van aanhangwagens van de voertuigcategorie O, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;

    8. h

      de breedte van bedrijfsauto’s, bussen, bijzondere bromfietsen, landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens, indien deze meer dan 50 mm afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde en, voor zover het een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk betreft de afwijking, niet ontstaat door het aanbrengen van:

      1. een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd;

      2. bredere banden, en eventuele afscherming en markering hiervan;

      3. lading; of

      4. verwisselbare gedragen uitrustingsstukken;

    9. i

      de massa in rijklare toestand, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;

    10. j

      de massa ledig voertuig, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;

    11. k

      de technisch toegestane maximummassa’s van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;

    12. l

      het aanbrengen van een hefbare as op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, dan wel aanhangwagen van de voertuigcategorie O3 of O4;

    13. m

      de technisch toegestane te trekken aanhangwagenmassa’s van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;

    14. n

      de motorcode of het motortype van motorvoertuigen;

    15. o

      het aantal cilinders van motorvoertuigen, met uitzondering van bromfietsen;

    16. p

      de cilinderinhoud van motorvoertuigen;

    17. q

      de brandstofsoort van motorvoertuigen;

    18. r

      het vermogen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen, bromfietsen en bijzondere bromfietsen, alsmede het vermogen van overige motorvoertuigen, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;

    19. s

      de vering van de aangedreven as van bedrijfsauto's en bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg;

    20. t

      de inrichtingsomschrijving van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;

    21. u

      de voertuigomschrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines en het geen wijziging betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van een ander verwisselbaar uitrustingsstuk;

    22. v

      het type carrosserie van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;

    23. w

      de aanduiding voor speciale doeleinden van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;

    24. x

      het aantal zitplaatsen van motorvoertuigen en bijzondere bromfietsen, indien het aantal aanwezige zitplaatsen groter is dan het in het register vermelde aantal;

    25. y

      het aantal staanplaatsen van bussen;

    26. z

      de maximumconstructiesnelheid, indien geregistreerd in het kentekenregister, of, voor zover het bromfietsen en bijzondere bromfietsen betreft, de maximumsnelheid waarvoor de hulpaandrijving ondersteuning biedt; en

    27. aa

      het geluidsniveau bij stilstand en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.

  2. In aanvulling op het eerste lid, moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de bouw of inrichting tevens worden voldaan aan de in bijlage IX opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:

    1. de vergroting van de wielbasis, indien het een personenauto met een volledig zelfdragende carrosserie, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie, bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie of motorfiets betreft;

    2. de spoorbreedte, indien het een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft;

    3. de inrichtingsomschrijving, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie, of

    4. het type carrosserie, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie.

  3. Bij wijziging van de brandstofsoort van een voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door inbouw van een LPG- of CNG-installatie, wordt in afwijking van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, voldaan aan VN/ECE-reglement 115, voor zover die eisen onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in VN/ECE-reglement 115 en er voor het voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, een LPG- of CNG-installatie beschikbaar is die aan VN/ECE-reglement 115 voldoet.

  4. In afwijking van het derde lid en van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in bijlage X, mag in een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2014 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, mits voldaan wordt aan de eisen, genoemd in bijlage X, hoofdstuk 1, worden ingebouwd en gebruikt een LPG- of CNG-installatie waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een goedkeuring is verleend op grond van de eisen, bedoeld in de bijlage behorende bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging.

  5. In aanvulling op de in dit artikel gestelde eisen zijn voor landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken de eisen ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en elektrische veiligheid van overeenkomstige toepassing.

  6. In aanvulling op de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, van toepassing zijn, voldoen bij wijziging van de brandstofsoort in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door uitbouw van een LPG- of CNG-installatie, de uitbouw en het voertuig aan de eisen in bijlage X, hoofdstuk 2.

  7. Een personenauto, bedrijfsauto of bus moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in bijlage IX, hoofdstuk 3, artikel 3, onderdeel b, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.

  8. Een motorfiets moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in bijlage IX, hoofdstuk 5, titel 2, artikel 6, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.

  9. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op bromfietsen, bijzondere bromfietsen en driewielige motorrijtuigen.

  10. In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, mag een wijziging in de bouw of inrichting van motorfietsen waarbij het vermogen afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde worden aangetoond door middel van een verklaring, afgegeven door de fabrikant van het voertuig of de vertegenwoordiger van die fabrikant in Nederland, waaruit blijkt dat de wijziging volgens fabrieksvoorschriften is uitgevoerd en het gewijzigde vermogen voorkomt in een typegoedkeuring.

Artikel 6.4

  1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:

    1. het remsysteem van voertuigen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht door de bestuurder;

    2. de stuurinrichting van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht;

    3. de bevestigingspunten van de zitplaatsen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 28 april 2009;

    4. de bevestigingspunten van de gordels van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 28 april 2009;

    5. de rolstoelvastzetsystemen en veiligheidssystemen van personenauto’s en bedrijfsauto’s, ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, die in gebruik zijn genomen zijn na 1 september 2008;

    6. de ligplaatsen van een personenauto; en

    7. het laadplatform van een landbouw- of bosbouwtrekker in gebruik genomen na 31 december 2017, indien het niet meer voldoet aan het gestelde in bijlage XXVIII bij verordening (EU) 2015/208.

  2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

  3. Bij wijziging van de inrichting van een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in bijlage VI, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

  4. Bij wijziging van de inrichting van een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in hoofdstuk 3, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

  5. Bij het aanbrengen van aerodynamische voorzieningen en uitrusting aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 oktober 2019, moet het voertuig voldoen aan de eisen in hoofdstuk 3, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.5

Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht, afgesteld of verzegeld in bedrijfsauto’s of bussen van de categorieën, genoemd in de artikelen 5.3.15, tweede lid, respectievelijk 5.3a.15, tweede lid, moeten deze voertuigen voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.6

  1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in bijlage XI opgenomen eisen.

  2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 3a, opgenomen eisen en aan de in bijlage XI opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.7

Indien een koppeling wordt aangebracht op bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moeten deze voertuigen voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.8

Indien de vering van een aanhangwagen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.9

Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of ov-auto, moet het voertuig voldoen aan de in artikel 3.1.5, opgenomen eisen.

Artikel 6.10

  1. Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:

    1. eenzelfde origineel emissiebeheersingssysteem;

    2. een emissiebeheersingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend op grond van verordening (EG) 715/2007, verordening (EG) 595/2009 of VN/ECE-reglement 103.

  3. De in bijlage I van verordening (EG) 715/2007 opgenomen eis voor Euro 5-fijnstof, geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.

  4. De in bijlage IV opgenomen eis voor de Euro 5-fijnstofnorm, bedoeld in bijlage I van verordening (EG) 715/2007 en eis voor de Euro 6-fijnstofnorm, bedoeld bijlage I van verordening (EG) 595/2009, gelden bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor personenauto’s, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2017.

  5. In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, mag een wijziging in de bouw of inrichting waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:

    1. het een personenauto betreft, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2017;

    2. het een ander voertuig dan een personenauto betreft, dat in gebruik is genomen voor 1 januari 2012 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km, of dat in gebruik is genomen voor 31 december 2013 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh.

Artikel 6.11

Bij wijziging in de constructie van een bijzondere bromfiets waardoor de gevoeligheid voor elektromagnetische invloeden van het voertuig of de uitstraling van elektromagnetische straling door het voertuig beïnvloed wordt, moet dat voertuig na wijziging voldoen aan de in hoofdstuk 3, afdeling 4, opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

← terug naar Regeling voertuigen