Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 12

Diversen

Artikel 5.3a.71

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Bussen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.

Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.

2.

Bussen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.

Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

3.

Hybride elektrische of elektrische bussen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.

4.

Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.

5.

Met uitzondering van bussen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen bussen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 5.3a.72

Eisen

Wijze van keuren

1.

Een bus mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de direct naast elkaar gelegen zitplaatsen voor de passagiers.

Visuele controle.

2.

Indien de bus is voorzien van een afscherming, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen.

-

3.

De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof.

Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet.

4.

De afscherming is deugdelijk bevestigd.

Leden 4 tot en met 8: visuele controle.

5.

De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.

6.

De afscherming mag de hoofddoorgang en toegang naar de uitgangen en de nooduitgangen zowel in geopende als in gesloten toestand niet belemmeren.

7.

Het zesde lid is niet van toepassing indien de afscherming direct op de chauffeursdeur is geplaatst of is voorzien van een inrichting die de door- en toegang waarborgt met de afscherming in ruststand.

8.

De afscherming mag het bestuurdersgedeelte niet permanent afsluiten van het passagiersgedeelte, tenzij het bestuurdersgedeelte is voorzien van twee uitgangen die zich niet in dezelfde zijwand bevinden.

← terug naar Regeling voertuigen