Regeling voertuigen Actueel

Inhoud

§ 11

Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Artikel 5.14.66

Eisen

Wijze van keuren

1.

De koppeling en trekinrichting moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten.

Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.

2.

De trekdriehoek, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak.

Leden 2 en 3: visuele controle.

3.

De dissel, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

4.

De trekdriehoek mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. Een dissel mag niet overmatig zijn vervormd.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten.

5.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 3.500 kg, die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling, indien deze aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voertuigen worden gekoppeld door middel van één koppelpunt.

Leden 5 tot en met 8: visuele controle.

6.

De hulpkoppeling, bedoeld in het vijfde lid, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.

7.

Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling.

8.

Delen van de koppeling van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.

Artikel 5.14.67

Eisen

Wijze van keuren

Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een koppeling:

a. moet de sluit- en borginrichting goed werken, en

b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd.

Visuele controle.

Artikel 5.14.67a

Eisen

Wijze van keuren

1.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling met een nominale inwendige diameter van:

a. 50 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 51,0 mm bedragen;

b. 80 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 81,5 mm bedragen;

c. 110 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 112,0 mm bedragen.

Er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber of slijtage-indicator. Indien gebruik wordt gemaakt van een koppelingskogel in combinatie met de slijtage-indicator op de kogelkoppeling, wordt de slijtage afgelezen.

2.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een koppelingskogel met een nominale uitwendige diameter van 150 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 148,5 mm bedragen.

Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

Artikel 5.14.68

Eisen

Wijze van keuren

1.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 25 mm, 30,6 mm, 32 mm, 36 mm of 38 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 27,0 mm, 32,6 mm, 34,0 mm, 38,0 mm respectievelijk 40,0 mm bedragen.

Leden 1 en 2: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.

2.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 44,5 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 46,5 mm bedragen.

3.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm:

a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen; en

b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen.

Leden 3 tot en met 5:

– Onderdelen a: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.

– Onderdelen b: ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

4.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm:

a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen;

b. moet de dikte van het trekoog met een nominale dikte van 42,5 mm ten minste 41,5 mm bedragen; en

c. moet de dikte van het trekoog met een nominale dikte van 30 tot 41 mm ten minste de nominale dikte verminderd met 1 mm bedragen.

5.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm:

a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen; en

b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19,0 mm bedragen.

6.

Het trekoog mag:

a. niet zijn vervormd of gescheurd;

b. niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus;

c. niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen.

Visuele controle.

Artikel 5.14.69

Eisen

Wijze van keuren

1.

Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch:

a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en

b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen.

Leden 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is.

2.

Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch:

a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen;

b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen.

3.

De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten.

4.

De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle.

Artikel 5.14.70

Eisen

Wijze van keuren

1.

Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de artikelen 5.14.67 tot en met 5.14.69, zijn de artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70 van overeenkomstige toepassing.

De wijze van keuren bij de artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70 is van overeenkomstige toepassing.

2.

De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag:

a. geen breuken of scheuren vertonen; en

b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

Visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

← terug naar Regeling voertuigen