Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
a. twee grote lichten; | ||
b. twee dimlichten; | ||
c. twee stadslichten; | ||
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van driewielige motorrijtuigen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | ||
e. twee achterlichten; | ||
f. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
g. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | ||
2. | De in het eerste lid, onderdelen d en f, bedoelde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer. | |
3. | Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van: | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
a. één groot licht; | ||
b. één dimlicht; | ||
c. één stadslicht | ||
d. één achterlicht; | ||
e. één remlicht; | ||
f. één rode retroreflector. |
Regeling voertuigen Laatste controle 18-04-2026, laatste wijziging 05-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Afdeling 3 Aanwijzing van een technische dienst
§ 1 Eisen voor de aanwijzing
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
§ 13 Aanvullende eisen taxi’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 3a Bussen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 4 Motorfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6 Bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7a Mobiele machines
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Brandstofsystemen en milieu
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 1.1 Algemeen
§ 1.2 Technische eisen
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 7.1 Algemeen
§ 7.2 Technische eisen
§ 7.2.1 Controle-inrichting
§ 7.2.2 De maximale fout
§ 7.2.3 Uitvoering
§ 7.2.4 Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2.5 Aanwijsinrichting
§ 7.2.6 Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 7.2.7 Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 7.2.8 Registratie-inrichting
§ 7.2.9 Overgangsmaatregelen
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Hoofdstuk 1 Voertuigeisen
Titel 3 Motor en brandstofsystemen
Afdeling 3 Emissie
§ 4 Deeltjes
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
§ 10
Artikel 5.5.51a
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
3. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. |
Artikel 5.5.53
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.5.55
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
6. | De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
7. | De in artikel 5.5.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
8. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
Artikel 5.5.56
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Het dimlicht of de dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.5.57
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met l, alsmede o en p: visuele controle. – Onderdelen m en n: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
a. één of twee mistvoorlichten; | ||
b. één of twee mistachterlichten; | ||
c. twee extra stadslichten; | ||
d. twee extra achterlichten; | ||
e. parkeerlichten; | ||
f. één of twee achteruitrijlichten; | ||
g. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig; | ||
h. twee extra richtingaanwijzers aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
i. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | ||
j. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | ||
k. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
l. werklichten; | ||
m. één of twee dagrijlichten indien het voertuig niet breder is dan 1,30 m, dan wel twee dagrijlichten indien het voertuig breder is dan 1,30 m; | ||
n. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
| ||
o. waarschuwingsknipperlichten; | ||
p. zijmarkeringslichten. | ||
2. | Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
3. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel n, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.5.57a
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
Artikel 5.5.59
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
2. | De mistachterlichten en het derde remlicht van het voertuig mogen niet anders dan rood stralen. | |
3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
4. | De extra richtingaanwijzers, extra zijrichtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
5. | De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
6. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. |
Artikel 5.5.59a
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | De in artikel 5.5.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.5.59b
Eisen | Wijze van keuren |
Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
Artikel 5.5.61
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
Artikel 5.5.62
Eisen | Wijze van Keuren | |
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.5.64
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
2. | Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
3. | Het tweede lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
Artikel 5.5.65
Eisen | Wijze van Keuren | |
1. | Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.5.51, 5.5.51a, 5.5.57 en 5.5.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
2. | Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |