Eisen

Wijze van keuren

1.

Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting waarvan de:

a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing;

c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;

d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en

e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat.

– Onderdeel a tot en met c: visuele controle.

– Onderdeel d: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet.

– Onderdeel e: visuele controle.

2.

Een landbouw- of bosbouwtrekker moet zijn voorzien van een antiblokkeersysteem, indien het voertuig:

a. in gebruik is genomen na 31 december 2020;

b. een maximumconstructiesnelheid heeft van meer dan 60 km/h;

c. niet meer dan vier assen heeft; en

d. de technisch toegestane maximummassa meer dan 3.500 kg is.

3.

De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed werken.

Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor.

4.

De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden.

Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen.

5.

Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt, tenzij de bediening van de hydraulische remsystemen vanuit een energievoorraad wordt gevoed.

Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.

6.

Rempedalen moeten een stroef oppervlak hebben en deugdelijk functioneren, alsmede in voorkomend geval zijn voorzien van een deugdelijke koppeling tussen het linker- en rechterrempedaal.

Visuele controle.

7.

Remslangen mogen:

a. niet in ernstige mate zijn misvormd;

b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en

c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.

Visuele controle.

8.

Remleidingen mogen geen knikken vertonen.

Visuele controle.

9.

Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.

Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.

10.

De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering.

Visuele controle, terwijl het wiel met de hand wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.

11.

De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.

Visuele controle.

12.

Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate zijn beschadigd.

Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage.

13.

De onderdelen van een antiblokkeersysteem:

a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;

c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en

d. mogen geen lekkage vertonen.

Visuele controle.

14.

De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven.

Leden 14 en 15: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

15.

Het elektronisch remsysteem moet goed werken.