Wetboek van Strafvordering BES

Inhoud

Artikel 163

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-07-2025.
Deze versie geldt vanaf 01-07-2025.
  1. Degene die zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden.

  2. In het verslag vermeldt hij:

    1. zijn naam en hoedanigheid;

    2. de dagtekening van de machtiging en de naam en hoedanigheid van degene die de machtiging tot binnentreden heeft gegeven;

    3. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe is binnengetreden;

    4. de plaats van de woning en de naam van de bewoner;

    5. de wijze van binnentreden en het tijdstip waarop in de woning is binnengetreden en waarop deze is verlaten;

    6. hetgeen in de woning is verricht of overigens is voorgevallen, het aantal en de hoedanigheid van degenen die hem hebben vergezeld, de namen van de personen aan wie in de woning hun vrijheid is ontnomen en de voorwerpen die in de woning in beslag zijn genomen.

    7. voor zover van toepassing: de redenen waarom en de wijze waarop het bepaalde in artikel 155, vierde lid, dan wel artikel 162, tweede lid, toepassing heeft gevonden.

  3. Het verslag wordt binnen tweemaal vierentwintig uren nadat in de woning is binnengetreden, toegezonden aan de officier van justitie. Een afschrift van het verslag wordt binnen diezelfde termijn aan de bewoner uitgereikt of toegezonden. Indien het niet mogelijk is dit afschrift uit te reiken of toe te zenden, houdt degene aan wie het verslag is toegezonden dan wel degene die zijn bevoegdheid zonder machtiging binnen te treden heeft uitgeoefend, het afschrift gedurende zes maanden voor de bewoner beschikbaar.

01-07-2025 Huidig 15-05-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-07-2019 Historisch 01-07-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 15-12-2010 Historisch 10-10-2010 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 10-10-2010.

Tekst van deze versie

  1. Degene die zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden.

  2. In het verslag vermeldt hij:

    1. zijn naam en hoedanigheid;

    2. de dagtekening van de machtiging en de naam en hoedanigheid van degene die de machtiging tot binnentreden heeft gegeven;

    3. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe is binnengetreden;

    4. de plaats van de woning en de naam van de bewoner;

    5. de wijze van binnentreden en het tijdstip waarop in de woning is binnengetreden en waarop deze is verlaten;

    6. hetgeen in de woning is verricht of overigens is voorgevallen, het aantal en de hoedanigheid van degenen die hem hebben vergezeld, de namen van de personen aan wie in de woning hun vrijheid is ontnomen en de voorwerpen die in de woning in beslag zijn genomen.

    7. voor zover van toepassing: de redenen waarom en de wijze waarop het bepaalde in artikel 155, vierde lid, dan wel artikel 162, tweede lid, toepassing heeft gevonden.

  3. Het verslag wordt binnen tweemaal vierentwintig uren nadat in de woning is binnengetreden, toegezonden aan de officier van justitie. Een afschrift van het verslag wordt binnen diezelfde termijn aan de bewoner uitgereikt of toegezonden. Indien het niet mogelijk is dit afschrift uit te reiken of toe te zenden, houdt degene aan wie het verslag is toegezonden dan wel degene die zijn bevoegdheid zonder machtiging binnen te treden heeft uitgeoefend, het afschrift gedurende zes maanden voor de bewoner beschikbaar.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Strafvordering BES