Wetboek van Strafvordering BES Actueel

Inhoud

Vijfde Afdeling

Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis

Artikel 102

  1. De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of hem uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.

  2. Indien binnen de in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde termijn een vordering krachtens artikel 281, dan wel een bezwaarschrift tegen de dagvaarding is ingediend, blijft het bevel, onverminderd het bepaalde in artikel 98, tweede lid, van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op de vordering of het bezwaarschrift is beschikt.

Artikel 103

  1. Het bevel tot voorlopige hechtenis kan te allen tijde door de rechter-commissaris, dan wel nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, door de rechter in eerste aanleg worden opgeheven. De rechter in eerste aanleg kan dit doen ambtshalve, op het verzoek van de verdachte of op de vordering van de officier van justitie.

  2. De verdachte die voor de eerste maal opheffing verzoekt, wordt, tenzij de rechter reeds aanstonds tot inwilliging besluit, in de gelegenheid gesteld op het verzoek te worden gehoord.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES