Wetboek van Strafvordering BES

Inhoud

Artikel 46

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-07-2025.
Deze versie geldt vanaf 01-07-2025.
  1. Hij, die ingevolge de bepalingen van dit wetboek mondeling een eed of belofte moet afleggen, zal:

    1. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig»;

    2. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: «Dat beloof ik».

  2. Degene, in wiens handen de eed wordt afgelegd, houdt de betrokkene de volgende bij diens hoedanigheid passende verklaring voor:

    1. ten aanzien van de getuige: dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal verklaren;

    2. ten aanzien van de deskundige en de tolk: dat hij zijn taak naar geweten zal vervullen.

  3. Hij, die aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed op andere wijze af te leggen, kan dat op die wijze doen. De eed kan ook worden afgelegd in de taal, die de betrokkene gewoon is te spreken.

  4. Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek de eed niet op de bij het eerste en derde lid bepaalde wijze kan afleggen, zal de eed afleggen op een wijze, zoveel mogelijk in overeenstemming met het in die artikelleden voorgeschrevene, te bepalen door degene in wiens handen de eed wordt afgelegd.

    In plaats van de eed kan ter keuze van de betrokkene de belofte worden afgelegd.

01-07-2025 Huidig 15-05-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-07-2019 Historisch 01-07-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 15-12-2010 Historisch 10-10-2010 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 10-10-2010.

Tekst van deze versie

  1. Hij, die ingevolge de bepalingen van dit wetboek mondeling een eed of belofte moet afleggen, zal:

    1. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig»;

    2. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: «Dat beloof ik».

  2. Degene, in wiens handen de eed wordt afgelegd, houdt de betrokkene de volgende bij diens hoedanigheid passende verklaring voor:

    1. ten aanzien van de getuige: dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal verklaren;

    2. ten aanzien van de deskundige en de tolk: dat hij zijn taak naar geweten zal vervullen.

  3. Hij, die aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed op andere wijze af te leggen, kan dat op die wijze doen. De eed kan ook worden afgelegd in de taal, die de betrokkene gewoon is te spreken.

  4. Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek de eed niet op de bij het eerste en derde lid bepaalde wijze kan afleggen, zal de eed afleggen op een wijze, zoveel mogelijk in overeenstemming met het in die artikelleden voorgeschrevene, te bepalen door degene in wiens handen de eed wordt afgelegd.

    In plaats van de eed kan ter keuze van de betrokkene de belofte worden afgelegd.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Strafvordering BES