-
Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen en vorderingen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES, aan te tonen.
-
Voorts zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen en vorderingen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.
Wetboek van Strafvordering BES Actueel
Inhoud
Eerste Afdeling
Artikel 119a
-
In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
-
In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen voorwerpen in beslag worden genomen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES.
-
Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien:
die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee de geldboete kan worden opgelegd onderscheidenlijk het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, en
voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen aan die ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en
die ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.
-
In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen.
Artikel 119b
Voor de toepassing van de artikelen 119 en 119a geldt:
dat beslag op vorderingen wordt gelegd en beëindigd door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar;
dat bij het leggen en beëindigen van beslag op onroerende goederen de tussenkomst van de deurwaarder wordt ingeroepen en formaliteiten in acht worden genomen welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES gelden ten aanzien van de mededeling of aanzegging van de inbeslagneming, dan wel de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, de aantekening, inschrijving of doorhaling in registers en de betekening daarvan aan derden;
dat bij het leggen of beëindigen van beslag op schepen en luchtvaartuigen formaliteiten in acht worden genomen welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES gelden ten aanzien van de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, en ingevolge enige regeling inzake teboekgestelde schepen onderscheidenlijk luchtvaartuigen ten aanzien van de inschrijving en doorhaling daarvan in registers.
Artikel 119c
Op het beslag, bedoeld in artikel 119a, Boek 3, Titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BESvan overeenkomstige toepassing, behoudens dat:
voor het leggen van het beslag geen verlof van de rechter in eerste aanleg vereist is, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan;
een maximum bedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit dient te worden vermeld;
geen overeenkomstige toepassing toekomt aan voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld;
voor roerende zaken die geen registergoederen zijn en rechten aan toonder of order ook volstaan kan worden met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming en het afgeven van een bewijs van ontvangst aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn genomen;
het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, buiten de gevallen van artikel 119b, onderdeel b, geen nietigheid van het beslag meebrengt;
geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES. De officier van justitie geeft, indien de hoofdzaak na het beslag ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk aan de derde schriftelijk kennis;
geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES;
op in beslag genomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de artikelen 141 tot en met 143 van toepassing zijn;
de beëindiging van het beslag met inachtneming van de bepalingen van dit wetboek geschiedt.
Artikel 119d
-
Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de staat de bevoegdheid uitoefenen, welke in artikel 1358 van het Burgerlijk Wetboek BES is toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. De artikelen 39 en 41 van Faillissementswet BES zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Voor de toepassing van de artikelen 39 en 41 van de Faillissementswet BES geldt het in die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen welke door de verdachte of veroordeelde zijn verricht binnen een jaar voor het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen.
-
De officier van justitie heeft voorts tot bewaring van het recht tot verhaal de bevoegdheid namens de Staat als schuldeiser in het faillissement van de verdachte of de veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet vaststaat, wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen.
-
De officier van justitie behoudt de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, ondanks faillissement, voor zover de voorwerpen waarop de onverplichte rechtshandelingen betrekking hebben, niet door de curator op grond van de artikelen 38 tot en met 47 van de Faillissementswet BES worden opgevorderd.