-
Ieder, die kennis draagt van een van de misdrijven omschreven in de artikelen 97 tot en met 117 van het Wetboek van Strafrecht BES, in Titel VII van het Tweede Boek van dat wetboek, voor zover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of in de artikelen 300 tot en met 312 van dat wetboek, van mensenroof of van verkrachting, dan wel van het voornemen tot een van deze misdrijven, is verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.
-
De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op hem, die door de aangifte gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
-
Evenzo is ieder, die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt op een plaats die niet wettig daarvoor bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.
Wetboek van Strafvordering BES Actueel
Inhoud
Tweede Afdeling
Artikel 199
Ieder, die kennis draagt van een begaan strafbaar feit, is bevoegd daarvan aangifte te doen. Tot het doen van klacht is de belanghebbende bevoegd.
Artikel 200
-
Openbare colleges of ambtenaren, die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie of een hulpofficier van justitie,
indien het misdrijf is een ambtsmisdrijf, als bedoeld in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht BES, dan wel
indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar, die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, dan wel
indien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen.
-
Zij verschaffen de officier van justitie of de hulpofficier desgevraagd alle inlichtingen omtrent strafbare feiten met de opsporing waarvan zij niet zijn belast en die in de uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn gekomen.
-
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die door het doen van aangifte of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
-
Gelijke verplichtingen rusten op rechtspersonen of organen van rechtspersonen wier taken en bevoegdheden zijn omschreven bij of krachtens de wet, voor zover daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld in het belang van een goede uitvoering van dit artikel.
-
De aangifteplicht met betrekking tot misdrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan in overleg met de officier van justitie en met inachtneming van de regels gesteld krachtens het vijfde lid, nader worden beperkt.
Artikel 201
-
De aangifte van een strafbaar feit geschiedt mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de aangever in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien.
-
De mondelinge aangifte wordt door de ambtenaar die haar ontvangt, op schrift gesteld en na voorlezing door hem met de aangever of diens gemachtigde ondertekend. Indien deze niet kan tekenen, wordt de reden van het beletsel vermeld.
-
De schriftelijke aangifte wordt door de aangever of diens gemachtigde ondertekend. De schriftelijke volmacht, of, zo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.
-
Tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in de artikelen 198 en 199, zijn de opsporingsambtenaren, en tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in artikel 200, de daarbij genoemde ambtenaren, verplicht. Artikel 194 is van toepassing.
Artikel 202
-
Bij strafbare feiten alleen op klacht vervolgbaar, geschiedt deze klacht mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de tot de klacht gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klacht bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging.
-
Het tweede en derde lid van artikel 201 zijn van toepassing.
Artikel 203
-
Tot het ontvangen van de klacht is elke officier van justitie en elke hulpofficier van justitie verplicht.
-
Artikel 193 is van toepassing.
Artikel 204
Indien de klacht krachtens artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES door de wettige vertegenwoordiger van een minderjarige, die twaalf jaren of ouder is of van een onder curatele gestelde is geschied, gaat de officier van justitie niet tot vervolging over dan na de vertegenwoordigde persoon, zo deze in het land verblijft, in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de minderjarige of de onder curatele gestelde niet mogelijk of niet wenselijk is.
Artikel 205
De intrekking van de klacht geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in de vorm voor het doen van de klacht bij de artikelen 201, 202 en 203 bepaald. Artikel 193 is van toepassing.